Kogels die altijd treffen?

Kweenie op welke voorstelling tijdens de kerstdagen ik me het meest verheug, we hebben Lucia di Lammermoor nog open staan, Der Freischütz, Russische Weihnachten en een concert met Cantate-bewerkingen van Bach op orgel. Op het gevaar af dat u me standrechtelijk executeert: ik ben niet zo van Bach, tenminste van het meeste van Bach. Ik wordt kriebelig van polyfonie; het ligt geheel en al aan mij, maar mijn geest kan maar met één melodie mee, als de rest van de begeleiding meer doet dan alleen begeleiden begin ik te hyperen… Nogmaals: helemaal mijn schuld.

Sommige dingen van Bach vind ik prachtig: zijn late vioolconcerten (ik geloof ergens BWV 1043…) zijn echt geweldig, maar ik ben dus niet zo’n type bij wie alles begint eindigt en doorstroomt bij Bach. Dat heb ik dan weer meer bij Mozart…

Zo, als u nu niet boos bent afgehaakt en daar nog bent kies ik voor dit stukkie maar voor Der Freischütz, de andere komen voor ik vertrek echt ook nog aan bod…

Een opera waar je bij uit kunt pakken, Der Freischütz: duivels, geesten, liefde, dood, feest, kogels die alles treffen waar je maar op mikt, en dat alles in geheel willekeurige volgorde. Prachtige aria’s en duetten, mooi koorwerk

Ik zag ‘m één keer live en heb me een kriek gelachen met de vogel waar Max op schiet: een toneelknecht (nog nét binnen mijn gezichtsveld) was met gevaar voor eigen leven in de lichtbalken boven het toneel geklommen en gooide de vogel op het toneel, natuurlijk vooral níet in de richting waarin Max geschoten had. Er ging een schater door de zaal.

En als ik Sammie, onze kat, dreigend toe wil spreken omdat-ie weer op het punt staat iets van de tafel te dieven roep ik luid, laag en dreigend “Saaaaamiel!!!” (de naam van de man-die-de-kogels-die-altijd-treffen mogelijk maakt) Hij – de kat – bedenkt zich dan meestal (even) en zint op het volgende moment dat-ie even aan mijn aandacht kan ontsnappen.

Heel kort de plot:
Om Agathe te huwen moet Max de schutterswedstrijd winnen. Zijn vriend Kaspar raadt hem aan op zeker te spelen en neemt hem mee naar de zwarte jager Samiel, zodat hij kogels krijgt die altijd raak schieten. Max wint de wedstrijd maar het verraad komt uit. Een jaar huwelijk op proef wordt hem toegestaan; hij zal zijn eerlijkheid moeten bewijzen vooraleer hij definitief Agathe tot zijn vrouw mag nemen.

In het filmpje een vooruitblik van de Oper Leipzig. Volgens mij wordt het een heerlijke uitvoering. Lekker vet aangezet hier en daar, een niet al te hedendaagse uitvoering, veel humor. Oh, en u weet het hè: het Jägerchor zit erin; het wereldwijd meest gezongen lied voor mannenkoren. Ik coachte heeeeel lang geleden ooit een mannenkoor en kan het ding nog steeds uit mijn hoofd meezingen en het marcheert geweldig op de klanken, kan ik u verzekeren (dat het mannenkoor kraaienvals bleef zingen was niet mijn schuld…). Ik zal me gedragen hoor, in Leipzig, tenslotte heb ik gasten bij me…

Yevgeni Onegin in de Semperoper in Dresden

De scheurkalender op ons toilet triggerde mij tot het schrijven van dit stukkie van vandaag. Weest u gerust; heel veel intiemer dan deze mededeling over ons toilet wordt het niet…

De vraag boven de tekst: ‘Wat is het oudste orkest van Europa?’

Laat ik nou toch het antwoord daarop weten: Staatskapelle Dresden, opgericht in 1548 en thuis in de Semperoper in Dresden. Op zich is dat feit niet wereldschokkend, maar er is nog een toevalligheid, een serendipity (ik vind dat een geweldig woord) zo u wil: ergens tussen kerst en oud en nieuw zit ik in diezelfde Semperoper en luister naar datzelfde orkest. Ik ben met gasten van Musico namelijk de kerstdagen in Leipzig; we maken op een van de dagen een uitstapje naar Dresden en een van de prachtige producties die we tijdens deze dagen bezoeken is Tsjaikovski’s geweldige opera Yevgeni Onegin (de Duitsers noemen de man Eugen Onegin). Ik zag ‘m in mei van dit jaar in een bloedheet Parijs (de Fransen noemen de man trouwens Eugène Oneguin) en was verkocht.

Weet u wat? Ik schrijf de komende weken, aanlopend naar kerst, af en toe een stukkie over de producties die we dan gaan zien. U kunt dan meegenieten van de voorpret en ik kom weer een beetje op toeren. Het was de afgelopen tijd zo druk in mijn hoofd en mijn leven dat ik nauwelijks toekwam aan het schrijven van stukkies; dit is een mooie gelegenheid om weer aan de slag te gaan.

Meteen dan maar over Yevgeni Onegin? (Laten we Tsjaikovski de eer bewijzen de opera en de man hun (fonetisch) Russische naam te geven).
In november 1836 raakt dichter Alexander Pushkin zo geïrriteerd over de avances naar zijn vrouw door een Franse luitenant, dat hij hem uitdaagt voor een duel. Op de avond van 8 februari 1837 wordt hij doodgeschoten, op dat moment op het toppunt van zijn roem. Apart (en dat is zachtjes uitgedrukt): het was dezelfde scène die hij in zijn zes jaar daarvóór gepubliceerde boek Eugène Onéguine beschreven had.

Tsjaikovski gebruikt dit meesterwerk uit de Russische literatuur en schrijft er de gelijknamige opera over. Onegin is een man, zowel ironisch als sympathiek (nou ja, sympathiek, ik vind ‘m een onsociale hufter), die verbitterd is geraakt door het society-leven-bestaan, die liefde afwijst uit een misplaatst gevoel voor ijdelheid en die uit trots zijn beste vriend doodt en daarmee de rest van zijn leven in uiterste wanhoop moet slijten.

Ik laad het filmpje op van de trailer van Yevgeni Onegin met Anna Netrebko als Tatjana, in het slot van de brief-aria. Netrebko is dezer tijden op de toppen van haar kunnen. Hier in het filmpje is ze wat stevig van postuur en dat heeft ze nodig (in Brabant zouden we zeggen “dan hedde wa bij te zetten”): Tatjana is een bijzonder pittige rol om te zingen. Netrebko is trouwens niet alleen een ideale Tatjana, ze is ook een ideale Lucia (in Lucia di Lammermoor) en een ideale Mimi (in La Boheme) en…
Je merkt dat het fijn is om in je moerstaal te kunnen zingen; het maakt de loodzware aria (in totaal duurt-ie geloof ik een minuut of acht) makkelijker. Dit ligt zo dichtbij haar…

Er is trouwens weer genoeg te genieten op YouTube. De finale uit Onegin is er ook te vinden, in verschillende samenstellingen. Ik besloot geen filmpje op te laden met Netrebko en Hvorostovsky: ik zou er niet naar kunnen luisteren zonder weer heel verdrietig te worden over het (recente) verlies van Dima Hvorostovsky, maar als u wil: prachtig, prachtig!

Dmitri Hvorostovsky 1962-2017

Het lijken allemaal open deuren, dezer dagen… wat moet je nou nog schrijven als zo iemand, zo veraf en toch zo dichtbij ineens sterft? Ik bedoel Dmitri Hvorostovsky, 55 was hij nog maar net…
Tweeënhalf jaar geleden ineens tamelijk plotseling van het toneel verdwenen en even terug geweest. Hij had een hersentumor. Hij leek de strijd gewonnen te hebben, maar het bleek slechts de eerste slag te zijn geweest.

Ik ga er niet veel woorden aan wijden, dat wordt overal ter wereld al gedaan. Ik laad een filmpje op van het duet (met Jonas Kaufmann) uit Don Carlo, als Rodrigo sterft. Wat een acteurs die twee en wat zijn ze aan elkaar gewaagd en wat zal Kaufmann verdrietig zijn. Zoals zovelen die met deze charismatische dondersteen mochten zingen.

Kijk ernaar, wees even verdrietig en zie wat we aan deze geweldige bariton verloren hebben…

Een aartsritselaar bij DNO: Gianni Schicchi

Stel u wil een ontwikkelde, breed georiënteerde leek binnen hengelen voor opera. Naar welke voorstelling(en) zou u gaan?

Iedereen die wel eens op mijn website heeft rondgesnuffeld kent mijn voorkeur voor lijstjes, vooral als ze met klassieke muziek te maken hebben (over literatuur vind ik het ook leuk, maar nét iets minder…); dus mocht u de aandrang hebben te reageren: niet onderdrukken!

Ik zou ze in ieder geval meenemen naar Puccini’s eenakter Giannni Schicchi. En laat nou De Nationale Opera daar een uitvoering van geven! De première is al geweest, maar er zijn nog voorstellingen op: 16, 19, 21, 24, 26 en 28 november.

Ik zag Schicchi in Riga in een geweldige enscenering: vaart, uitstekende zang en een hedendaagse regie vol verrassingen waren die avond ons deel. Een Tokkie-achtige familie, die geen enkele rem kende: het hele huis werd leeg gehaald. Terwijl ze zongen haalden twee zangers het aquarium van de muur (er zaten echte vissen in, ik zweer het u!) en het water klotste over het toneel en hun kleren en ik heb me een kriek gelachen.

Ik leg u in een paar regels uit waarom we zoveel plezier hadden:
Buoso Donati is zojuist overleden. Hij heeft zijn hele vermogen nagelaten aan een klooster. Z’n familie zoekt zijn testament, want wil dat veranderen, zodat zíj de erfgenamen worden en niet het klooster. En er is een liefdesgeschiedenis: ’aartsritselaar’ Gianni Schicchi’s dochter Lauretta is verliefd op Rinuccio, neef van de overledene. Er volgt een hoop gedoe, de kern hiervan zijnde dat ze net moeten doen alsof Donati nog leeft en een nieuw testament kan ondertekenen.
Het loopt goed af, tenminste voor de gelieven, die nu kunnen trouwens, voor Schicchi die in de slipstream maar meteen gezorgd heeft dat hij het huis en de molen erft en minder goed voor de familie, die er bekaaid afkomt. Aan het einde spreekt Schicchi het publiek kort toe.

In de onderlaag van zijn korte speechje appelleert hij volgens mij vilein aan de gretigheid waarmee wij allen op geld uit zijn… Maar die conclusie is geheel voor mijn rekening.
Voor de knagers onder u is hier de tekst:
Ditemi voi, signori,se i quattrini di Buoso potevan finir meglio di così! Per questa bizzarria m’han cacciato all’inferno… e così sia; ma, con licenza dei gran padre Dante, se stasera vi siete divertiti, concedetemi voi… l’attenuante!
Zegt u mij dames en heren, kon de avond beter eindigen? Voor deze eigenaardigheden zal men mij naar de hel jagen, en dat moet dan maar zo zijn. Maar – met toestemming van vader Dante – als u zich vanavond vermaakt hebt, vergeeft u mij?

U krijgt die avond trouwens twee opera’s, twee eenakters: tegenover Schicchi staat Zemlinksy’s ‘Eine florentinische Tragödie’ een inktzwarte tragedie over een koopman die alles als handelswaar ziet. Mooie tegenstelling, zo lees ik op de website van De Nationale Opera.

De verleiding was groot om het filmpje van de versie in Riga van 2010 op te laden, maar ik doe het niet: het is alleen voor mij leuk ‘you had to be there’ za’k maar zeggen…

Dus ‘gewoon’ de wereldberoemde aria ‘O, mio babbino caro’, gezongen door sopraan Mariangela Sicilio.

Een hoge A… met drie streepjes!

Nondepatatten, wat een hoogte…! Een hoge A en niet twee-gestreept, wat al best hoog is, maar drie-gestreept! Nog nooit eerder vertoond door een menselijke stem. Echtgenoot attendeerde me op een artikel waarin de A-III wordt aangekondigd.
Sopraan Audrey Luna kan ‘m zingen. Ze tikt ‘m in het bijbehorende filmpje netjes op de kop, maar heel kort. In de nieuwe opera van Thomas Adès, ‘The Exterminating Angel’ doet ze het twee keer, één keer nog in de coulissen, zo schijnt het en één keer echt op het toneel.

Op 26 oktober jl. ging-ie in première in The Met, de nieuwe van Thomas Adès; een verhaal over een bizar verlopend diner. Combinatie van sprookje en horror, erg in de mode in deze tijd. De gasten kunnen het huis niet verlaten en de politie kan er niet in. Na een aantal bizarre gebeurtenissen bedenkt een van de gasten (jawel: de sopraan van de hoge A!) ineens dat ze er nu – aan het einde van de opera – ineens precies zo voorstaan als aan het begin en dat verbreekt de betovering.

Tisnogal: een hoge A. Waarom zou je het moeten willen schrijven, waarom zou je het moeten willen zingen? Er is een beetje sopranennijd mijnerzijds bij hoor, vast wel, maar: wat is er nou zo interessant aan een hoge A aan te tikken?

Ik heb veel jonge sopranen de bekende aria ‘De Königin der Nacht’ horen zingen, waar een F-III in zit, die ook maar weinigen ‘halen’. De meesten bleven er zowat in en vielen door de mand in het gedeelte waarin er ‘echt gezongen’ moet worden en de stemgymnastiek van de coloraturen nog niet begonnen is.

Aan het gekwinkeleer is zelfs een seizoen van ‘De Tiende van Tijl’ gewijd: wie was de beste Königin? Beoordeeld door de beste-sopraan-voor-die-aria-aller-tijden: Cristina Deutekom (die met die beoordeling overigens ook niet echt goed raad wist…). De finale was leuk om te zien, maar met echte muzikaliteit en emotie had het natuurlijk niks te maken, net zoals het AVROTROS-vehikel ‘Maestro’ ook niks met echte muziek heeft te maken.

Maar ach, misschien moet u zelf oordelen…

In het filmpje Thomas Adés en Tom Cairns over hun opera. Het lijkt een spannende opera te zijn, tamelijk toegankelijk en nog tonaal en het gegeven is uitermate boeiend, maar zou dat ook geweest zijn zonder die hoge A.

Lucio Silla en een onzingbare Mozart?

Als u een beetje opschiet kunt u haar nog horen: sopraan Lenneke Ruiten in de Muntopera in Brussel (‘Opera La Monnaie’ klinkt zoveel sjieker vindt u ook niet?). Ze zingt nog tot 15 november 2017 de loeimoeilijke rol van Giunia uit Mozart’s opera Lucio Scilla. Er zit een aria in die opera die onzingbaar zou zijn. “Ah se il crudel periglio” is de titel. “Oh, als het wrede gevaar…”; grappige woordspeling, als je de moeilijkheidsgraad en het gevaar voor je stembanden in ogenschouw neemt.

In het stuk dat ik erover las schrijft Flip Feyten dat het misschien Mozart’s onervarenheid met opera was, of dat Mozart misschien over-ambitieus geweest is met deze aria.

Ja, het was me er eentje, onze Woolfie… In tegenstelling tot een heleboel andere componisten hield hij geen rekening met zangers. Hij behandelde de stem zoals hij een klavier behandeld zou hebben. Ademen en het instrument klaar zetten om een toon te produceren? Beje gek, moet de zanger zelf maar uitzoeken…

Ik leg het uit, het is een van mijn stokpaardjes, moet u weten. Als je voor een klavier zit en je slaat een toets aan, is er onmiddellijk geluid, de hamer tikt tegen de snaren en huppekee, daar is je toon. Als je aan een snaar van een gitaar plukt krijg je hetzelfde effect: er is meteen een toon. Met een trommelstok op een strak gespannen vel meppen… Affijn, die hoef ik niet uit te leggen.

Bij strijkers is er al een soort vertraging: het aanzetten van een strijkstok op een stel snaren kost tijd. Bij blazers en zangers is er nog meer tijd nodig. Daar moet ingeademd worden, voor een zekere ademsteun gezorgd (hoewel je dat laatste niet zou zeggen als je ziet hoe schielijk sommige pop-zangers een toon produceren). Een toon dient gestuurd, geplaatst te worden en stembandjes zijn spieren, ook daar is aanlooptijd nodig.
Een blazer heeft te maken met lucht en lipspanning (mooi woord daarvoor: ‘embouchure’) en ventielen, een zanger tekst, om over emotie die er mee moet klinken nog maar te zwijgen.

Er zijn componisten die – sommigen minder, anderen meer – rekening houden met het feit dat er een mini-procesje aan een toon vooraf gaat: Verdi bijvoorbeeld was met een sopraan getrouwd. Die werd wel gecorrigeerd als hij onzingbaars schreef. Ik zie in gedachten Giuseppina al hoofdschuddend wijzen op de gekrabbelde noten die op de vleugel liggen: “Dat gaat zo niet niet, caro mio ben, dat moet anders…”

(Ik weet het, ik weet het, Mozart’s echtgenote Constance kon ook zingen, maar die was volgens mij niet zo bewust met de composities van haar man bezig…).

Gevolg: uw Vocalies had nooit moeite met Verdi en altijd met Mozart (en nog meer met Bach). En Lenneke en ik hebben dezelfde (uitstekende!) docent gehad: bariton Meinard Kraak en ik vermoed zijn invloed bij de opmerking in het interview met Lenneke: hier en daar een toon weglaten en in plaats daarvan ademen. Pragmaticus als hij is, zal Meinard haar dat ongetwijfeld geadviseerd hebben. Want dat deed hij mij ook: “mens, adem bij als het nodig is en doe dat georganiseerd en op een plek waar het kan. En vooral: kijk erbij alsof het zo moet…” Heerlijk!

Ga kijken naar Lucio Scilla als u kunt; de kans dat u in de komende tien jaren deze aria nog een keer live kunt horen is uitermate klein en Lenneke Ruiten weet er weg mee als geen ander.

Natuurlijk was er nog niks van die prachtige aria te horen op YouTube. ‘La Monnaie’ houdt het kruit droog, dat kan ik begrijpen. Dus laad ik een aandoenlijk filmpje in met assistent-dirigent Giancarlo Rizzi, die in heerlijk Frans (geen nood: er zijn ondertitels!) en lekker direct de opera uitlegt.
Ik vond het net opera-cabaret… Geweldig!

.

Een fantastische Norma in Luik

Wat een geweldige middag hadden we met Musico in Luik. Een unieke kans om een opera mee te maken in een niet zo’n groot theater (en ook niet zo heel erg bekend) met prachtige solisten in een opera die zo loei-moeilijk te zingen is, dattie maar weinig uitgevoerd wordt. Als je het namelijk niet goed doet met deze opera wordt-ie vervelend, langdradig en larmoyant.
De knagers onder u hebben wellicht in de gaten over welke opera ik het heb: ‘Norma’ van Vincenzo Bellini.

Patrizia Ciofi zong de titelrol. Er was van te voren gezegd: je moet even wennen aan haar geluid en aan haar verschijning en dat klopte: het was net alsof ze moest warm draaien (‘aangloeien’, zei een van mijn gasten), maar ze was snel op toeren en kroop met huid en haar in de rol, hier en daar de colloraturen kracht bijzettend met haar hele lijf.

Oei, dacht ik, als die techniek maar het einde haalt, maar het geluid was aan het einde nog net zo helder als aan het begin.

Ze kreeg meesterlijk tegenspel van de mezzo die de (ook al zware!) rol van Adalgisa zong: Josè Maria Lo Monaco. De twee mengden als geen ander stel dat ik ooit samen hoorde zingen: het stak van zuiverheid en denderde in onze oren.

Natuurlijk viel er over de productie best wat te zeggen: het koor moest eigenlijk een schop onder zijn kont hebben (allemaal?); tijdens ‘Casta Diva’ (de wereldberoemde aria!) was het ongelijk en ik boog voorover om de dirigent te zien en vond zijn gebaar overduidelijk… waarom dan een volle tel achterlopen?

Het ballet had van mij niet zo gehoeven, leek er met de haren bijgesleept en ik moest af en toe mijn best doen om me niet te ergeren.

Gregory Kunde zong zijn Pollione zoals hij in een aankondigingsfilmpje zei: hij probeerde er een ‘gewone’ man van te maken. Zijn vibrato gaat een beetje naar beneden, maar er was verder op zijn zang niks aan te merken. Zijn kostuum werkte een beetje op de lachspieren. Ik vond hem net Fred Flintstone. Als ik hem was, had ik me in een ‘tenor-kuur’ gegooid en geëist dat ze me een kostuum gaven waarin ik me wel goed kon bewegen en dat er niet uitzag als een plastic harnas-met-poging-tot-sixpack. Maar allee, ik ben geen wereldberoemde tenor…

Ik wilde echter genieten en besloot me van de minpunten – klein als ze waren – niks aan te trekken.

Vooral aan het einde had Norma me te pakken: de aria waarin ze haar vader om vergeving vraagt, vlak voordat ze de brandstapel op gaat was hartverscheurend en dreef me – alsnog – de tranen naar de ogen.

Omdat het verhaal kort te vertellen is, hieronder het plot:
De Gallische hoge-priesteres Norma trouwde ooit met een Romein, lees: de vijand. Pollione is zijn naam en ze heeft twee kinderen met deze man. Als ze erachter komt dat hij verliefd is op Adalgisa, breekt haar hart. Woedend en wanhopig overweegt ze haar kinderen te doden, maar haar moeder-instinct houdt haar tegen. Uiteindelijk moet ze naar de brandstapel en besluit Pollione haar daar toch te volgen.
Ik laad het filmpje op met een kort interview met Ciofi.

Een mythe ontkracht?

Onderzoekers van de Technische Universiteit Eindhoven (uit mijn stadsie dus…) hebben de mythe ontkracht dat de Griekse theaters een akoestiek-tot-en-met-de-laatste-rijen zouden hebben.
Ik sloeg het Eindhovens Dagblad open en op pagina drie grijnzen mij twee voldane koppies tegemoet van de onderzoekers: nee, je kunt niet tot en met de laatste rij een speld op het toneel horen vallen en nee, een stem-met-gewoon-volume is niet op de achterste rij verstaanbaar.

Ik mopper het artikel door: ze zullen het wel niet met een vol theater nog een keer gemeten hebben en waarom hebben ze mij niet meegenomen, ik zou ze wel eens laten horen wat akoestiek-tot-en-met-de-laatste-rij is en wat nou: stem-met-gewoon-volume, je wordt toch als zanger/acteur verondersteld wat meer gas te geven dan wanneer je een gesprek met iemand hebt, of ben ik gek…?
Maar mythe en meten-is-weten zijn natuurlijk heel verschillende dingen. En verstaan en horen zijn ook twee heel verschillende dingen, net als luisteren en gehoorzamen.

Ik was in een grijs verleden in het theater in Taormina en zat op een van de achterste rijen (vooral óm en rond te kijken trouwens, want het uitzicht is daar fenomenaal) . Op en voor het toneel waren medewerkers bezig op te ruimen; er lagen steigerpijpen en planken. Al snel trok het geluid daar, vóór, mijn aandacht, weg van het uitzicht. Ik ben veel auditiever ingesteld dan de meeste mensen: beeld intrigeert mij zeer, maar geluid nog veel meer en ik ben gezegend met uitstekende oren. Ik kon ieder woord van de werkers daar beneden verstaan en de lichte klònkjes waarmee de pijpen tegen elkaar kletterden of neergelegd werden kwamen boven allemaal aan.

Toen de mannen klaar waren ben ik naar beneden gelopen en op de plek gaan staan waar zij zo-even gestaan hadden. Mijn oren spitsten zich (als u erbij was geweest had u ze wellicht zelfs zíen spitsten… grapje). Er gebeurt met een zanger als hij/zij in een akoestisch goede ruimte staat iets bijzonders, misschien is dat wel onderdeel van ‘Das Gewisse Etwas’ waar ik het in mijn stukkies over vocale klassieke muziek wel eens over heb. Er begint ergens in je iets te trillen. Het heeft niks met pedant of aandacht-trekkerij te maken, maar je krijgt de onweerstaanbare drang geluid te maken, óp te zingen, je levenslust, of verdriet, of opwinding te uiten. Dat is wat ten grondslag ligt aan een zanger (en dan bedoel ik een èchte zanger – in alle genres trouwens – niet zo modieus halfbakken tiepje dat zonder microfoon niks kan) en ook dat is een mythe en een mysterie en niet in metingen te vatten.

Ik heb geleerd (de conventie, weet u…) die trillingen te registreren, maar er niks mee te doen. En nu ik niet meer actief zing, is het makkelijker er niet aan toe te geven, maar ze zijn er nog wel: als ik een kerk inloop en de galm van mijn voetstappen hoor, in hallen van stadhuizen (de hal van het gemeentehuis in het Brabantse Gemert (waar ik ooit werkte) had een puike akoestiek; hoe het nu is weet ik niet) en sommige theaters klinken al vanaf het moment dat je de eerste stap achter op het toneel zet (het minitheatertje in Jesi bijvoorbeeld).
Ik kon het toen niet laten en jubelde een toonladder en hoorde mijn stem aantikken in alle rondingen van het theater. Een mythe was het…

Ten Oorlog

Zag u ergens de afgelopen weken Tom Lanoye (je spreekt het echt uit als Lanwà…) bij De Wereld Draait Door? En dacht u toen ook: naar die voorstelling zou ik wel eens toe willen, maar ja, er zijn vast geen kaartjes meer?
Echtgenoot keek van opzij en zag mijn breiwerk zakken, ik had alle concentratie nodig om Lanoye’s mengeling van Vlaams, Engels, Amerikaans en Frans te volgen.

Een dag later zag ik een subtiele verandering in onze gezamenlijk Google-agenda… 13 oktober: ‘Stadsschouwburg Tilburg, Tom Lanoye, ‘Ten oorlog’’ en ik ben er geweest, gisterenavond en ik zit vanochtend aan de ontbijttafel nog uit te puffen. Wat een energie van die kleine, wat onooglijke Vlaming, die je op straat gewoon voorbij zou lopen. En wat kwam Shakespeare dichtbij en wat is er veel aan vocaal geweld te beleven zonder dat er echt gezongen wordt… een ontdekkinkje van de afgelopen maanden, waarin ik meer gesproken dan gezongen woord tot mij nam. Maar dan het uitbundig gesproken woord!

Ik heb het gevreten gisteren, de voorstelling begint als een soort one man-show, sterk cabaret-achtig en aan het einde zit je ademloos te kijken naar de ondergang van ‘Risjaar Modderfokker the Thirth’, een gebochelde dégénére, die volstrekt terecht voortijdig aan zijn einde komt.

Alles komt langs, seks, liefde, wellust, kindermisbruik, machtsmisbruik, je noemt het maar op. Het is tegelijkertijd een zegen en een verschrikking dat je moet inzien dat Shakespeare tijdloos is en wellicht zal blijven… zolang er mensen rondlopen op deze geteisterde aardkloot, zul je stukken kunnen schrijven over groot menselijk vermogen tot liefhebben en zorgen en het misschien nog wel groter vermogen tot moorden en machtsmisbruik.

Ga kijken, als je langzaam in de voorstelling glijdt is het verbazend makkelijk Lanoye’s mengeling van talen en stijlen te volgen. Wat een acteur!

Op 19 oktober staat-ie in Rotterdam en op 23 oktober in Heerlen, daarna vertrekt hij naar Vlaanderen. Google hem!

In het filmpje het gesprek over de voorstelling in DWDD.

Kleine zielen in Düsseldorf

Het gaat kei-goed met de klassieke vocale muziek (laat mij ook eens populair taalgebruik plegen…).

Ik geef u een volkomen willekeurig rijtje:
Sopraan Lenneke Ruiten straalt en scoort met haar Lucia di Lammermoor.
Sopraan Eva-Maria Westbroek doet dat met Leonora in La Forza del Destino.
Mezzo-sopraan Tania Kross doet haar naam eer aan en crosst-over met de rol van Carmen en met haar bijdrage aan het programma ‘Beste zangers’.
Bastiaan Everink (de mannen blijven niet achter) fietst als een dolle door zwaar opera-repertoire, schrijft een boek over zijn carrière en staat ook in 2018 weer op de rol voor allerlei interessants.
Thomas Oliemans zong liederen van Duparc en Mahler in Het Concertgebouw en doet dat programma vast nog elders in het land.
Zo zou ik nog een eindje door kunnen gaan…

In plaats daarvan doe ik u kort verslag van een voorstelling waar ik afgelopen week met Musico was, weliswaar geen vocale, min of meer wel een klassieke. Een opmerking van een van mijn gasten zette me aan het denken: “het is net opera”, sprak iemand toen we naar buiten liepen uit de Maschinenhalle Zweckel na de voorstelling ‘Kleine Seelen’ (naar het boek van Louis Couperus) door Toneelgroep Amsterdam.

Het ging om de voorstelling daar in het kader van de Ruhrtriënnale 2017. Alleen de titel was vertaald hoor, de voorstelling was in het Nederlands, boventiteld in het Duits en Engels.

Een prachtige voorstelling, maar niet een waar je vrolijk van werd, dat had-ie al gemeen met opera. Wat-ie nog meer met opera gemeen had was het stemgebruik. Vooral de rol van Marietje raakte me. Actrice Hélène Devos is een buitengewoon frêle meissie, waar op momenten een geluid uitkwam van heb ik jou daar….
En ook Hans Kesting wist af en toe oorverdovend te wezen.

Pfoe, dacht ik, wil je dit meer avonden achter elkaar doen moet je inderdaad behoorlijk wat aan stembeheersing doen en uitkijken met je conditie. Petje af! Ook voor de pianist trouwens, die de hele avond aan de bak moest en zich uitstekend en sfeervol van zijn taak kweet.
Ga kijken als u kunt. TGA speelt deze voorstelling nog in de Stadsschouwburg Amsterdam:
13, 14, 15 okt oktober en 11, 12, 15, 16, 17, 18 november 2017.

In het filmpje de trailer van de voorstelling, waarin u trouwens meteen hoort dat er wel degelijk gezongen wordt in deze voorstelling en niet eens zo slecht ook… En dat mooie Vlaamse tintje…