Een computercrash en Adele

Eerst even: u hebt me een tijdje gemist denk ik… of hoop ik eigenlijk… ahem…

Er was een computerstoring, om niet te zeggen een computercrash en ik kon alleen via facebook af en toe mijn snebbel laten horen en u zit natuurlijk niet allemaal op facebook. Er waren best zaken waar ik een mening over had (ik heb niet overal een mening over hoor, dat u dat niet denkt), maar een stukkie publiceren kon niet meteen.
Inmiddels ben ik weer ‘in business’, maar een podcast op de website zetten gaat nog steeds niet; die houdt u gewoon te goed en in de tussentijd houdt u zich maar mooi onledig met de meer dan 214 uren klassieke vocale muziek die wél op mijn website staan; zie het rijtje aan de rechterkant van het scherm.

Zo wilde ik best Adele publiekelijk een hart onder de riem steken, nu ze (weer) stemproblemen heeft. U weet niet wie Adele is? Dat is een pop-zangeres, zo ongeveer ’s werelds beste, in ieder geval ’s werelds populairste en eentje zonder prima-donna kuren. En wat pop-zangers zijn? Dat zijn types die hun hart uitzingen, meestal zónder dat daar zangtechniek onder ligt, in tegenstelling tot (de meeste) klassieke zangers. Er zijn beslist klassieke zangers die ook maar wat raak schreeuwen, maar dat wordt sneller afgestraft: over meer dan twee octaven zingend in ik weet niet hoeveel talen , val je nou eenmaal sneller door de mand, dan wanneer je over minder dan één octaaf en alleen in het Engels je laat horen.

Dat klinkt een beetje aanmatigend (nu ik het zo teruglees) en dat is niet zo bedoeld. Ik heb grote bewondering voor een heleboel popzangers, maar ik zag en hoorde bij Adele al lang geleden aankomen dat het mis zou gaan. En dan vooral omdat ik zelf, aan het begin van mijn zingend leven ook zo’n periode heb gehad (en daarna nooit meer, dankzij een ijzeren techniek).

Adele zong een concert in enige grote wereldstad, ik mag ervan wezen welke. Mijn echtgenoot nam het op en zat het naast mij op de bank af te kijken. Ik was zeer getroffen door de sfeer die ze wist te creëren en ik had het hart niet mijn echtgenoot zijn leuke avond af te nemen, dus ik hield mijn kiezen op elkaar en breide door, maar ik hoorde het en mijn tenen krulden: veel tegen de toon (dat schijnt trouwens bij popzang te horen: vals zingen, luister maar naar het songfestival) , veel met opgerekte keel (mijn terugwijkende kaak zie je ook veel minder als ik mijn kin naar voren steek, maar in dat standje zingen kan ik niet), toenemend gevoileerd (een mooi woord voor hees). Dat laatste kan erg sexy zijn, maar je moet het wel uit vermogen doen, niet uit onvermogen… (luister naar La Streisand, die het knopje voor hees ook na haar zeventigste nog makkelijk aan en uit zet). Kortom: alle alarmbellen gingen rinkelen en ik dacht: dat rinkelen doet straks de telefoon bij de beroemde keel- neus- en oorartsen ook, want dit gaat mis.

Ik hoefde niet zo nodig gelijk, maar kreeg het wel. En als ze na die bezoeken aan de KNO-arts nou ook maar een zangcoach belt dan komt het misschien nog goed en blijft het misschien ook goed.

Op facebook (dus) verschenen er hout-snijdende stukken over wat er zoal in je fysiek (en in je geest trouwens ook) gebeurt als je gaat zingen. Dat is heilzaam en als je alleen voor jezelf onder de douche zingt is het ook niet zo boeiend of je dat technisch correct doet of niet; als het niet lekker voelt hou je er vanzelf mee op. Het wordt een ander verhaal als er een miljoenenpubliek aan je voeten ligt en je een hele carrière rond die stem gebouwd hebt. Dat moeten die arme twee kleine spiertjes van pakweg anderhalve centimeter lang en een halve centimeter breed het voor je doen, geschraagd door een tedere ziel en een klare geest.

Ik had een stem die het altijd deed, onder de gekste omstandigheden, maar ook ik ging iedere ochtend de badkamer in, keek mezelf in de spiegel in de ogen en vroeg mij altijd weer opnieuw af: “zal-ie het nog doen, die vriend daar in mijn keel? Zal ik vandaag weer tegen de druk bestand zijn? Zal mijn vermogen te ontroeren en te boeien er vandaag weer zijn en hoeláng zal het er nog zijn? Is ‘Das Gewisse Etwas’ er nog?” Affijn van dat soort dingen…

Wat moet Adele dan wel niet voelen als ze nu in de spiegel kijkt? Ik hoop dat ze overeind blijft, want de (pop)wereld zou er een stuk minder plezierig uitzien zonder haar…

En hopelijk is ze verstandig, laat ze zich niet gek maken door het hele circus rond haar persoontje en belt ze die arts en die zangcoach en gaat ze aan de slag om het allermooiste wat er is in een menselijk bestaan weer goed en lang te kunnen: zingen…

Ad Maas

Een kort regeltje op Whatsapp slaat het gesprek waar in ik verwikkeld was ineens dood: ‘Ad Maas is vanochtend overleden’, appt mijn echtgenoot. Ik laat verbijsterd mijn IPHone zakken. Dat hij op de nominatie stond om te gaan wist ik, dat het nu al zou gebeuren wist ik niet. Ik verdenk hem ervan daar zelf de hand in te hebben gehad, hij was geen type voor een ziekbed. Hij was ook geen type om oud te worden. Hij was meer een type van het Leven met een grote L: aan de voor-, achter-, onder- en bovenkant heeft hij geleefd, Ad Maas, en aan die vier kanten is hij opgebrand.
En zo moest het zijn. Amen.

Goeie herinneringen heb ik aan hem, die de prik van zijn overlijdensbericht verzachten. Goeiendag, wat heb ik een goeie herinneringen aan hem. Het leukste verhaal (het is moeilijk kiezen, maar allá ik doe het, anders word ik weer eens te lang van stof) heb ik hier voor u. Misschien heb ik het al eens verteld, maar dat kan me niet schelen.

Hoe het contact tot stand kwam weet ik niet, waarschijnlijk via vriend en pianist-begeleider Hans van den Eijnden – ook al weer meer dan twee jaar dood – , maar op een goeie dag ging de telefoon. Of ik degene was die hoge c’s kon zingen tot ongeveer in het oneindige? Ik schaterde en beaamde het met trots: ik kon (en kan) hoge c’s zingen alsof het niets is, als ik eenmaal die plek ergens in mijn masker gevonden heb en er adem onder zet kan ik hoge c’s zingen tot het moment dat de stembanden van andere, betere sopranen er allang de brui aan gegeven hebben. Het is niet eens een verdienste, het is meer het ‘masteren’ van een kunstje. Het zegt ook niets over mijn (al dan niet verondersteld aanwezige) artistieke kwaliteiten. Maar hoge c’s zingen kan ik… dus…

Nou, artistieke kwaliteiten had Ad (want die was het aan de andere kant van de lijn) ook niet nodig, die had hij zelf genoeg in huis, hoge c’s moest hij hebben, voor een stuk dat hij had gecomponeerd, en ze mochten niet klinken als een synthesizer of een sample-tje, ze moesten klinken alsof ze uit een mens kwamen, meer bepaald een vrouw. “En ik betaal ervoor hoor, ge krijgt er gewoon geld voor! En een CD-tje; als het project klaar is, gooi ik er wel een in de brievenbus”.

Ik zong op een vrijdagochtend hoge c’s, bij hem thuis. Met de c’s had ik (dus) geen moeite, met het ritme van de composities wel, ik ben een klassiek zangeres en hoewel afterbeat en syncopen inmiddels wel wat vertrouwder geworden zijn, toen snapte ik daar nog niet zoveel van: een jazz-project op het conservatorium stuurde me na vier sessies weg: ik was nou eenmaal verstokt klassiek.

Ad was geduldig, een van zijn kern-kwaliteiten en een absolute voorwaarde om met muzikale vogels van allerlei pluimage te kunnen werken. Misschien heeft hij nog meer door dat geduld dan door zijn muzikale kwaliteiten daarom zoveel leuke projecten kunnen doen. Mede door dat geduld slaagde het projectje-met-de-hoge c’s. Ik heb ze nooit terug gehoord. Misschien slingert er nog ergens een CD-tje rond en als iemand het bij het opruimen tegenkomt: ik ben nog steeds benieuwd hoe ze geklonken hebben. Betaald kreeg ik prompt en ruimhartig.

En nog een paar maanden later ging andermaal de telefoon: De Stofhappers (wereldberoemd in Eindhoven en verre omtrek, vraag me niet hoe dát kwam) deden hun beroemde Nieuwjaarsreceptie en of ik maar even klassiek wat wilde komen zingen. Dat deed ik en daarna zagen we elkaar met onregelmatige regelmaat, zoals alles rond Ad met onregelmatige regelmaat was. Er was bij de hoge c’s een onmiddellijke klik en een herkenning in elkaars ogen van een soort levensvreugd, maar ook van een soort intrinsieke (sorry, rotwoord) eenzaamheid, die ik niet anders kan omschrijven en die je herkent bij sommige mensen die je tegenkomt: ergens achterin de oogballen schemert het, let maar eens op.

We zagen elkaar lange tijd niet, maar bij de uitvaart van Hans, zag ik hem en was er zonder begeleidende tekst weer ineens diezelfde klik. Hij was toen misschien wel al ziek, ik vond hem oud geworden, maar hij straalde dezelfde levensvreugd nog uit. Dik twee jaar later is hij er zelf niet meer, ineens… en de wereld gaat gewoon door. En dat zou hijzelf normaal hebben gevonden.
En zo moest het zijn. Amen.

La Traviata in Covent Garden

Even eerst: er staat weer een podcast klaar om beluisterd te worden, zie de icoon hiernaast.

Learn to speak 5 languages fluently. Master your lungcapacity as expertly as a professional free-diver. Produce a sound so powerful it can shatter glass in under three seconds, but so beautiful it can make an audience cry in less. And do it all while making them believe your heart has been broken in two.

Leer vijf talen vloeiend spreken. Beheers je longcapaciteit zo goed als een professioneel duiker. Produceer een geluid zo krachtig dat het een glas aan scherven trilt in minder dan drie seconden, en zo mooi dat het een publiek kan laten huilen in nóg kortere tijd. En laat in de tussentijd je publiek geloven dat je hart zojuist gebroken is.

Bovenstaande tekst stond achterop het programmaboekje van La Traviata, Verdi’s top-opera, die we vorig weekend bezochten in The Royal Opera House Covent Garden in Londen. Het waren vier heerlijke dagen, maar voor mij was het onbetwiste hoogtepunt van dit weekend deze avond. Ik mocht in Covent Garden zitten, geflankeerd door de twee mensen van wie ik het meest houd: rechts mijn echtgenoot en links mijn beste vriendin en ik mocht zorgeloos genieten van Verdi’s melodieën. Volgens mij heeft geen enkele andere opera van hem zoveel bekende deunen. Het kan ook zijn dat ik de opera inmiddels zo goed ken dat ik hem, als ik de deunen achter elkaar zou zetten, helemaal mee zou kunnen zingen, gesteld dat ik de lastige recitatieven nog zou kunnen instuderen.

De enscenering was traditioneel, met een fling hedendaags: mooie strakke decors bijvoorbeeld en de vondst dat het koor af kon lopen via ingenieus verzonnen en vormgegeven trappen langs de zijkant van het toneel, maar nog wel zichtbaar voor het publiek. Sober en strak was het decor, weelderig de aankleding, maar nergens kermis-achtig…. Dat ligt bij Traviata nogal eens op de loer.

Ik zag allerlei versies van Traviata, van horkerig en hard en misplaatst tot glimlach-opwekkend klungelig (in een oude kerk in Venetië, waar de Germont jonger was dan de Alfredo….), maar deze was een van de beste. Prachtig getype-cast en prachtig doorleefd gezongen. Genoten heb ik.

Als ik hier La Traviata zou gaan uitleggen zou dat de achtste of negende keer zijn, dus dat gaan ik niet doen. Wel wijs ik u nog even op de openingsregels van dit stukkie. Ze zijn o, zo waar en ze dreven mij de tranen naar de ogen. Er zijn er slechts weinigen die al die kwaliteiten in zich verenigd hebben (en er niet knettergek van geworden zijn). Ik hoorde er niet bij en heel af en toe, als ik dit soort teksten lees, springt er nog wel eens een monstertje van heimwee mij naar de keel, naar de tijd dat ik weliswaar dit niveau niet haalde, maar er dicht genoeg in de buurt kwam om er iets van te ervaren.

In het filmpje een versie van het laatste duet uit La Traviata: ‘Parigi o cara’. Een uitvoering tijdens de Salzburger Festspiele, met een zo mogelijk nóg soberder decor, maar ook met mijn favoriete tenor Rolando Villazon en een van de beste sopranen – zo niet de beste- van deze tijd: Anna Netrebko. Van Villazon hou ik omdat hij er altijd met zijn hele hebben en houwen ín gaat. Iets wat heel gevaarlijk is, want hij heeft zijn stem inmiddels wel erg zwaar belast. De chemie tussen hem en Netrebko laat iets zien van hoe bereid je moet zijn de collega-solist dichtbij te laten komen, lichamelijk én geestelijk, om samen tot zo’n uitvoering te komen (wel handig dat de twee goeie vrienden zijn en misschien wel meer…) . Veel plezier ermee en surf ook eens op YouTube naar La Traviata, er is veel moois te vinden…

Anna Netrebko in Yevgeni Onegin

Er staat weer een nieuwe podcast op! Zie de grote icoon hiernaast.

Pjotr Iljitsch Tschaikovski’s ‘Yevgeni Onegin’, dan, zoals beloofd, een verslagje van de voorstelling in de Opera Bastille op 28 mei jl.
De Fransen noemen de opera Eugène Oneguine. Vond ik nogal aanstellerig, maar zij hebben de opera weer naar de Bastille gehaald en met Anna Netrebko in de hoofdrol, dus foei, Vocalies, de Fransen aanstellerig noemen…

Het was een voorstelling die ik mijn leven lang niet zal vergeten. Ik ben meer een Verdi-mens, van het Italiaans kan ik tenminste nog een flard verstaan hier en daar, Russisch beheers ik niet, verder dan ‘da’, ‘njet’ en ‘pravda’ (waarheid) gaat mijn kennis niet; gelukkig werd de opera in het Frans en Engels boventiteld. Onegin laat zich moeilijker waarderen, je moet er meer voor doen, niet alleen de taalbarrière nemen, ook een andere mentaliteit, een andere levensvisie proberen te doorgronden.

Ik had er in het eerste half uur moeite mee, en mijn gasten ook, ik moest moeite doen wakker te blijven en zag links en rechts van mij koppies knikkebollen; ik was niet alleen in mijn gevecht tegen de slaap.
Maar toen kwam de briefaria: Tatyana schrijft haar gevoelens over en naar Onegin in een lange, lange liefdesbrief en komt eigenlijk in de nacht dat ze de brief schrijft tot volwassenheid. De puberteit gecomprimeerd in één nacht za’k maar zeggen. Ze onderzoekt haar gevoelens en die gevoelens evolueren van kinderlijke, puberale flarden naar een stroom van volwassen liefde. De zaal werd almaar stiller tijdens de lange aria; het kan niet anders of veel, heel veel mensen herkende iets uit hun eigen jeugd in deze aria. De zaal was wakker en alert en de opera vloeide samen met de tijd. Weg was mijn slaperigheid én die van de mensen om mij heen.

Na de aria ontlaadde de emotie in de zaal zich. Ik ben eigenlijk niet zo van applaus tussendoor, het slaat vaak de sfeer van een opera kapot, maar hier moest het gewoon, het kon niet anders. Netrebko, die liggend de aria had beëindigd, liet de golf van emotie over zich heen komen. Ze heeft de rol vaker gezongen (hij past haar als een handschoen) en het was maar goed dat ze lag. Ieder ander standje zou moeilijk vol te houden zijn geweest; het duurde minuten vóórdat de dirigent de stok weer boven de rand van de orkestbak omhoog stak, het sein voor voorzetting.

En zo’n vrouw laat Onegin lopen, te zeer in zijn eigen hufterigheid gezonken om in te zien dat het geluk hem toelacht: één ware vriend hebben en een echtgenote die een complete, intelligente, warmvoelende vrouw is; het is hem teveel. Zijn verveeldheid en emotionele neergang is te ver gevorderd om in te zien dat het geluk zó dichtbij is. Hij wijst de liefde van leven af als een kinderlijke opwelling en schiet zijn vriend neer in een zinloos duel dat voorkomen had kunnen worden als hij ook maar één seconde afstand had kunnen nemen van zijn egoïstische zelf.

Bij de laatste wanhoopskreet van Onegin aan het einde, schoten mij andermaal de tranen naar de ogen. En weer een enorme ontlading, het applaus duurde meer dan 10 minuten. Onder de indruk schuifelden wij naar buiten, het bloedhete Parijs in, op weg naar ons laatste diner met genoeg gespreksstof voor een hele avond.

In het filmpje een deel uit de briefaria, Anna Netrebko in The Met in 2013.

Rigoletto in een bloedheet Parijs

Wat was het warm in Parijs, wat zeg ik, warm? Het was bloedheet in Parijs! Ik kan me niet herinneren eerder in mijn leven zó ongelooflijk getranspireerd te hebben. Het was heerlijk er weer eens te zijn en andermaal heb ik kunnen constateren hoe elegant Parijs eigenlijk is, vergeleken bij andere grote Europese steden. We (we, dat zijn de gasten van Musico en ik) reden bij een stadsrondrit een flink stuk langs de Seine en de wat stugge buschauffeur ontdooide en wees mij op de plekken waar de Parijzenaars zélf gaan recreëren: op de oevers aan de overkant, nét weg van de meeste toeristen en aan de voet van het ene mooie gebouw na het andere. Aan het water met een flesje en een stokbroodje, wat wil je meer…

Wij kregen meer in de vorm van twee opera’s en een ballet. De opera’s horen bij het beste van wat ik toe nu toe gezien heb: Rigoletto en Yevgeni Onegin.
Laat ik maar bij Rigoletto beginnen, Onegin was zo goed dat ik daar een apart blogje aan wijd.
Soms schiet ik aan het begin van een opera vol. Ik ben dan zo blij dat ik iedereen weer in één stuk naar de plaats van bestemming heb gekregen en dat ikzelf mee mag; ik heb namelijk de leukste bijbaan ter wereld, al is die niet altijd makkelijk…

Dit keer kwamen de tranen pas na de laatste noot: de collectieve ontlading van emotie die door de Opera Bastille schalde aan het einde van Rigoletto dreef mij de tranen naar de ogen. En net toen ik ze weer een beetje weg-georganiseerd had kwamen ze weer, toen de zangersrol Rigoletto opkwam met de spelersrol Rigoletto en de twee mannen elkaar omhelsden.

De regisseur had geweldige vondsten, ze klopten allemaal, voelden als volstrekt organisch. In zijn versie is Rigoletto na de dood van zijn geliefde dochter Gilda aan lager wal geraakt. Hij (de spelersrol Rigoletto) sjouwt met nog één kartonnen doos aan bezittingen rond, aan het eind van zijn Latijn. Hij laat het publiek in de ouverture zien wat er nog in die doos zit: het bebloede jurkje van zijn dochter. Hij breekt vervolgens boven die kartonnen doos en dan begint het verhaal vanaf het begin: met de nar Rigoletto (de zangersrol), die fel en tamelijk hufterig de edelen van het hof van de hertog van Mantua te kakken zet en een soort dubbelleven leidt als liefhebbende vader van een dochter die hij tot in het absurde probeert af te schermen tegen de buitenwereld. Dat gaat natuurlijk helemaal fout en zijn Gilda eindigt in een juten zak in een bootje, doodgebloed, doordat ze – bewust – in de dolk van Sparafucile gelopen is. Ze wil met haar actie haar geliefde beschermen (de hertog van Mantua). Die is zich totaal onbewust van de ellende die hij in dat jonge meisjeshart veroorzaakt heeft en hoert en snoert er lustig verder op los.

Geweldige rollen: Željko Lučić (ik hoef me lekker niet meer druk te maken over hoe je dat uitspreekt; hij is een Serviër) als Rigoletto, Vittorio Grigolo, (geknipt voor de rol van Mantua – hij is een lekker menneke en dat weet-ie…) en snel rijzende ster Nadine Sierra in de rol van Gilda. Wat een avond.
In het filmpje een concertante opname van de beroemdste aria van Rigoletto: ‘Cortigiani, Vil Razza Dannata’, de aria waarin hij begint met dreigen en eindigt met smeken. Het is dan wel een concertante versie maar let op hoe Lučić de ‘Rigoletto-knop’ als het ware aanzet en hij doet dat zo goed dat je meteen met hem mee gaat. Heer en meester over het repertoire!

Napoli e Giorgio Germont

Er staat een nieuwe podcast op de website: zie de grote icoon hiernaast!

Wat een geweldige dagen hadden we in Napels! Geweldig weer, mooie voorstellingen, lekker eten, goed gezelschap. Echtgenoot en ik zwaaiden de gasten op 1 mei uit en toen hun vliegtuig eenmaal in de lucht was, gingen wij terug de stad in en daags erna dóór naar Zuid-Italië. We liepen er een geweldige wandeltocht van zes dagen langs de kust. Hilariteit toen er een appje binnen kwam van Vodaphone: ‘Welkom in Griekenland’ . De kust van Albanië konden we op wandeldag één zien, die van Griekenland lag toch echt wat verder weg, maar nou ook weer niet héél ver weg, zoals ik later thuis op mijn wereldbol zag. Het voelde als vakantie en dat was het ook, heerlijk!

In Napels waren we in het geweldige Teatro San Carlo (vindt u het ook mooier dan La Scala en durft u dat ook niet hardop te zeggen?) de eerste avond bij een concert door het orkest van het Teatro. Het weinig gehoorde pianoconcert van Martucci en de Boléro van Ravel vormden die avond de ijkpunten. Van het pianoconcert van Martucci begrijp ik nu dat het niet vaak gespeeld wordt: het was vooral luid en het eist een pianist met een ijzeren conditie en eigenlijk vier handen (er wordt wel heel veel in octaven gespeeld). Persoonlijk vond ik de toegiften van de pianist – die het verdient hier met naam genoemd te worden: Giuseppe Albanese – mooier en subtieler dan die hele Martucci; hier op Vocalies kan ik dat hardop zeggen.

De Boléro stal de harten, altijd een geheid succes, ook al speelde het orkest niet erg gelijk onder de wat weke slag van Maestro Boncompagni (de naam vertaal ik vrij met ‘Goedgezelschap’ en dat wás-ie). Ik ben maar effe praktisch: volgens mij moet je het orkest vooral strak houden tijdens zo’n sterk ritmisch stuk en dan speelt het bijna zichzelf, maar misschien ben ik naïef. Hulde voor de twee slagwerkers die het strakke ‘onderritme’ van de Boléro uiterst precies bleven slaan en daardoor het zaakje aan de touwen hielden. Ik krijg altijd rillingen van de laatste maten van de Boléro, welke geest verzint zulke snijdende, scheurende akkoorden… Ravel!

De tweede avond ‘ging’ mijn geliefde La Traviata. Die heb ik nu wel in zo’n 8 à 9 verschillende uitvoeringen gezien en meestal – als het geheel maar een béétje goed gedaan wordt – ben ik aan het eind in tranen. Nu ook, al was de uitvoering wel heel erg traditioneel. De regisseur wilde de psychologie achter de opera beter benadrukken en verplaatste het geheel naar het Parijs van 1910.

Een en ander kwam voor mij niet helemaal uit de verf. Het was een zeer, zeer traditioneel gezette uitvoering. Niks, maar dan ook niks op de regie aan te merken, maar ik merkte wel dat mijn smaak zich aan het ontwikkelen is: het mag best wat schuren af en toe en dit schuurde helemaal niet…

De zaal smulde: Violetta (Mariangela Sicilia) zong de sterren van de hemel (loei-zware rol trouwens!) en was daarbij ook nog eens een plaatje om naar te kijken. Alfredo was bepaald geen acteur, maar zong zeer verdienstelijk en als altijd had Giorgio Germont de meeste sympathie van het publiek: de ontwikkeling die hij doormaakt – van on-sociale hooibaal tot liefhebbende (schoon)vader (helaas wel pas als het te laat is) – is veruit de interessantste ontwikkeling van de opera.

De rol van Germont is een bariton-killer: hoog en zeer ge-emotioneerd. Ook deze Germont leed daaronder: twee keer moest hij octaveren omdat hij té vroeg té veel wilde van zijn stem. Ik leek de enige te zijn die het gehoord had en heb niemand de emotie van de avond afgenomen door hen erop te attenderen, ook de lieve, opera-onervaren Vlamingen die bij me in de loge zaten niet. Je moet blij zijn als je mensen binnen hengelt in het genre; waarom ze pedant op missers gaan attenderen als ze daar niets van gemerkt hebben.

Ergens in juni ben ik met echtgenoot en goed vriendin in Covent Garden en krijgt La Traviata weer een kans. Ik verheug me er nu al op.

Ik surfte wat op YouTube, kwam langs Dmitri Hvorostovsky – die de rol wel erg zwaar en bassig aanzet – langs Domingo – die ooit tenor was en daar bij deze rol plezier van heeft – maar koos uiteindelijk toch voor Thomas Hampson in zijn rol van Giorgio Germont. Hij is meester!

Deze opname is mooi close zodat u z’n geweldige dictie ook in zijn gezicht kunt zien. Hij heeft geen grote stem, Hampson, maar hij vult moeiteloos de zaal (Festspielhaus Salzburg!). Alleen met zo’n ijzeren techniek ‘haal’ je Germont (en als het nodig is meerdere dagen achter elkaar). Nooit de motor oversturen, zei bariton Meinard Kraak ooit. Wat had hij gelijk!
Let trouwens ook effe op het geweldige stille tegenspel dat Hampson van ‘mupke’ Villazon krijgt…

Nicolai Gedda

Eerst even: er staat ook weer een nieuwe podcast op de website. Zie de grote icoon hiernaast.

Het was stillekes hier de laatste paar weken, ik geef het toe. Niet zo’n inspiratie, (voor het eerst in ruim acht jaar is dat misschien niet eens zo heel erg….) een heleboel andere dingen te doen… Wel degelijk ook bezig met klassieke muziek hoor, maakt u zich niet ongerust! Maar tsja, het kwam er niet van.

Tot ik een dikke week geleden met een oud-collega en met echtgenoot zeer genoeglijk zat te tafelen en de naam Nicolai Gedda viel…
Nicolai Gedda, zei de oud-collega, is die niet onlangs overleden?
Mijn hap carpaccio viel met een bons op de bodem van mijn maag…. Overleden? Mijn favoriete tenor? Zonder dat ik het wist? Die man had toch het eeuwig leven?
IPhone’s kwamen op tafel (het lukt ons nog vrij aardig – als we uít-eten – om ze weg te houden van de tafel…) en al gauw kwam de bevestiging: op 8 januari 2017 op 91-jarige leeftijd overleden in Zwitserland. Ik moest mezelf even bij mijn lurven pakken om de prachtige avond niet te laten bederven door een bericht dat al drie maanden oud was. Terugrekenend bedachten echtgenoot en ik dat we op 8 januari op een van de Kaapverdische eilanden op het strand gelegen hadden en er even geen media-van-welk-soort-dan-ook bij ons binnen was gekomen.

Tsjonge, Nicolai Gedda, een van de beste, zo niet dé beste tenor van de vorige eeuw, een carrière van meer dan vijftig jaar. En de pest is: iedereen heeft er natuurlijk al over geschreven, daar kan ik met mijn bescheiden oplage van Vocalies niet heel veel meer aan toevoegen. En dat gaat dood, met niet meer dan een berichtje in de marges van het grote wereldnieuws. Hetgeen niet heel verwonderlijk is: hij heeft dan wel meer dan 50 jaar gezongen, maar tussen het einde van zijn carrière en zijn dood heeft veel tijd gezeten (zangers worden meestal oud, dat u dat maar even weet) en dan zing je geen hoge D’s meer en leeft in stilte ergens in Zwitserland en gaat daar ook in stilte dood…

Dus ik ga u geen necrologie meer geven, ik ga volstaan met een al ooit eerder beschreven anekdote van mijn ontmoeting met Nicolai Gedda, want ja, ik heb hem ontmoet, met hem gelachen en les van hem gehad. En hij zong ook toen nog moeiteloos een hoge D. Het was in 1991 (da’s al zo lang geleden dat ikzelf niet eens meer zeker weet of het juiste jaartal is). Ik had mijn conservatorium-opleiding achter de rug en probeerde een bescheiden carrière op te starten. Ik deed daartoe mee aan een Masterclass operette zingen in Bad Ems, Duitsland.

Gedda was een van de docenten. Vooral de tenoren waren op zijn naam afgekomen en tenoren is, hoe zal ik het netjes formuleren… vooral als ze in opleiding zijn… een apart slag volk. Niks menselijks is hen vreemd za’k maar zeggen: eentje verscheen iedere ochtend met een tas vol drankjes en spraytjes en een handdoek om zijn nek aan de start van de lessen en hij kon alleen zingen als hij uitvoerig had ‘warmgedraaid’ en hij ervan overtuigd was dat het nergens tochtte (moet je eens op een gemiddeld opera-toneel gaan staan, dan weet je wat tochten is!).

Gedda zag de charade aan en gooide een counter-fit in de strijd: hij gaf de tenor in kwestie alleen les als hij zijn tas met rommel buiten liet staan en de handdoek op de stoel liet liggen en liefst als eerste op de dag. Ik heb nooit meer iets van de tenor in kwestie gehoord trouwens…

Toen ik aan de beurt was, zette ik Gedda een Verdi-lied voor, ik wilde daar meer van weten (want graag meer Verdi gaan zingen) en hoewel het eigenlijk een masterclass operette was, leek de maestro aangenaam verrast. Hij kende het lied niet en verontschuldigde zich (ja echt!). Hij bladerde door de muziek en herkende het als een voorstudie voor een opera-aria. Hij maakte een paar aantekeningen, hummelde wat in zichzelf en knikte: ja, hier konden we wel wat mee, leuk! Hij vroeg me vervolgens in welke taal ik les wilde hebben: een en ander speelde zich in Duitsland af, maar ik kwam uit Nederland en als ik Engels bevorzügte, of Frans, dan kon dat ook…
Ik slikte… en werd heel, héél nederig…
Lass uns Deutsch reden, zei ik een beetje beverig, en gaf de pianist een teken dat we konden beginnen.

De les was een van de hoogtepunten uit mijn – overigens bescheiden gebleven – carrière als sopraan en ik ben er Nicolai Gedda tot de dag van vandaag dankbaar voor. Soms heb je van die momenten waarvan je beseft, áls je ze beleeft, dát je ze beleeft en dat het een toppertje is en je hele leven bij je zal blijven. Volgens mij kwamen we er beiden gelouterd uit…

Oh ja, het ging overigens om ‘Deh, pietoso, oh Addolorata’ van Giuseppe Verdi.

In het filmpje de mooiste tenor-aria aller tijden ‘E lucevan le stelle’ uit Puccini’s ‘Tosca’. Toegegeven het is een beetje slecht beeld, maar wat zingt de man geweldig! Eat your heart out, Kaufmannen, Villazons en Grigolo’s…
Surf vooral op YouTube, er is heel veel, waaronder ook de hoge D’s waar ik over had.

Zingen in het Nederlands

Hulde voor Hannah Bossers! Ze heeft het initiatief genomen tot ZingNL. En dan gaat het niet over ‘Nederlands eerst’ noch over ‘Nederlanders eerst’ (let op het subtiele verschil tussen de woorden!). Nee, het gaat over het zingen van liedjes, in het Nederlands, voor… buitenlanders…!!!

In het persbericht dat onder mijn ogen kwam worden ze ‘Eindhovenaren met een migratieachtergrond’ genoemd… Weer zo’n term, maar alla, ik moet er ook wel om grinniken.

Wat zingen ze daar dan zoal? ‘Dan denk ik aan Brabant’, ‘Tulpen uit Amsterdam’ ‘Klaar voor de start’ (zegt mij niks, maar schijnt door ‘Kindejen voor kindejen’ vaak gezongen te worden), ‘Zon kom op’ en ‘15 miljoen mensen’ (ijzersterke tekst!).

De schrijver van het berichtje verwondert zich erover dat muziek en samen zingen mensen in beweging zet en plezier geeft. Dat verwondert mij helemaal niks. Da’s namelijk één van de functies van muziek en met name van samen zingen. Niks zo heerlijk; of het nou in een stadion is, bij een huwelijksdienst, samen rond het kampvuur of bij een koorrepetitie. Of het repertoire volksliedjes behelst, of een moeilijke cantate, of een protestlied of een stadionlied: iedereen gaat altijd – de ene keer georganiseerd, de andere keer wat minder – uit zijn dak.

Eigenlijk zou iedere flinke stad zo’n initiatief uit de grond moeten stampen. Moet je eens kijken hoe vlug het afgelopen is met die schreeuwers van ‘Eruit!’. Die gaan namelijk mee-zingen. Inzingen is geen probleem, dat doe je op vocalen en op skat-teksten, die zijn zo internationaal dat ze er zelfs in China geen moeite mee hebben.

Meer weten: kijk op de link van PandP

De knetter is er nog

Een aantal weken geleden: twee vriendinnen met wie ik regelmatig eet en/of film kijk zitten met mij aan tafel. Uiterst genoeglijke avonden zijn dat: we hebben alle drie een liefhebbende echtgenoot waar we – ieder op onze eigen manier – dol op zijn, maar die ons ook wel eens voor vragen en dilemma’s stelt (dit statement is overigens op geheel persoonlijke titel hoor, niet dat de vriendinnen last zouden krijgen van mijn bespiegelingen).

Vriendin 1 kijkt ons, de andere twee, aan: “moeten wij niet eens samen gaan zingen?” vraagt ze, nogal ‘ins blaue hinein’; we springen wel vaker van hak op tak, maar deze tak sluit helemaal niet aan bij de vorige hak, als u begrijpt wat ik bedoel…
Ik schud in eerste instantie mijn hoofd. De stem heeft meer dan vijf jaar niet meer echt gezongen. En hoewel ik dacht dat ik niet zonder zou kunnen, was bevrijd zijn van de druk die optreden met zich mee bracht een ware oase; waarom zou ik mezelf weer onder druk zetten, net nu ik een beetje aan het leren was dat niet meer te doen… ???

Nádenkend kom ik tot de conclusie dat het de druk was waar ik last van had, niet het zingen zelf: thuis eens tegen de stofzuiger in zingen en proberen of de knetter er nog was, bleef lang een heerlijk fenomeen en ik was sinds het stoppen nooit bang om iemand iets vóór te zingen om een standpunt óver zingen kracht bij te zetten.

Ik kijk op en zie de twee verwachtingsvol naar mij kijken: áls er gezongen gaat worden moet ik dat leiden natuurlijk. Een beetje inwendig zuchtend geef ik toe: laten we eens proberen iets te vinden voor driestemmig vrouwen-ensemble-met-gemengde-zangervaring. Het moet iets zijn dat ik ken; ik kan alleen dóórleren wat ik zelf snap en mijn piano verdween mét mijn carrière-aspiraties, dus thuis studeren kan niet meer.

Kort en goed: het werd ‘Piu non si trovano’ van good old Woolfie Mozart. Een bedrieglijk simpel deuntje, waar veel van zijn componeerkunst in verstopt zit. De liefhebbende echtgenoten worden voorlopig even in het ongewisse gelaten van wat wij aan het uitspoken zijn. Een eerste avond wijst uit dat de vriendinnen oren aan hun hoofd hebben, we ‘knetteren’ binnen een kwartier van zuiverheid en we zakken niet in toonhoogte, twee dingen die sommige amateurkoren nooit ervaren…
Dat is vooral voor de vriendin met nauwelijks zang-ervaring een groot compliment.

Maar er is ook een minder leuke kant: mijn stem vertikt het die eerste avond. Niet meer vertoond sinds-ie ergens rond mijn twaalfde het af en toe af liet weten; toen was-ie aan het breken naar volwassenheid, nu is-ie zwaar uit training.
Hulpeloos flappert mijn ene stemband een beetje tegen de linkerwand van mijn strottenhoofd en de andere doet nauwelijks iets. Resultaat: een uiterst vreemd tremolo en af en toe helemaal geen klank.

Ik blijf er nog kalm onder ook, constateer ik ’s avonds in bed. Vroeger zou ik binnen twaalf uren bij huisarts, danwel KNO-arts hebben gezeten, huilend van ellende. Nu constateer ik grinnikend: “practise what you preach, mevrouw de (ex)zangpedagoog: stembanden zijn spieren en die dienen opgewarmd te worden, voorzichtig gebruikt en met mate ingespannen…”

Ik berust, geef de kleine jongens wat rust en na anderhalve dag probeer ik het thuis nog eens… dit keer doen ze het, eventjes… Na nog eens anderhalve dag doen ze het wat langer en de eerstvolgende keer dat we weer ‘repeteren’ (bewust tussen aanhalingstekens, want we kletsen ook veel… ) blijven ze het doen, al klink ik na een uurtje repetitie zwaar ‘verzongen’ . Ook een beetje omdat ik mijn dragonder van een stem nogal moet inhouden tegen de twee kleinere stemmen.

De dagen die volgen benut ik momenten dat ik alleen ben om steeds een beetje verder te gaan en verdomd: vanochtend onder de strijk is het volle geluid er weer, alsof het nooit weg is geweest. De knetter glanst nog en mijn lichaam reageert bijna triomfantelijk: ik kan het nog.

Inmiddels zijn de echtgenoten ingelicht over onze escapades met Mozart (ze zouden eens vermoeden dat we iets ondeugends aan het doen waren) en kan ik u kond doen van mijn hernieuwde worsteling met mijn stem. Het gaat niks groots opleveren, misschien wel lol…

Nog maar gauw even een vertalinkie van ‘Piu non si trovano’ van W.A. Mozart. Kijk uit vóórdat u eraan begint: de noten zitten er gauw genoeg in, maar dan begint de ellende pas: je kunt het deuntje zingen als een traag op gang komende trein, of op zijn ‘King’s Singers”: vol vaart en met veel ‘tongue in cheek’. Volgens mij bedoelde Woolfie het laatste met zijn compositie.

“Tussen de duizenden geliefden vindt men geen twee mooie zielen meer die standvastig zijn, terwijl alle spreken over trouw. Maar deze slechte gewoonte verspreidt zich zozeer dat men de trouw van wie echt bemint naïef noemt.” (doordenkertje he?)

Ik zoek op YouTube en schrik me te pletter: allemaal van die logge vertolkingen, nauwelijks zuiver, ademen midden in woorden (echt! en niet door de eersten de besten…) en – over het algemeen gesproken – geen fuck aan… if you pardon my language. Surft u zelf maar eens…

Kortom: de vriendinnen en ik hebben nog wel even werk…