Napoli e Giorgio Germont

Er staat een nieuwe podcast op de website: zie de grote icoon hiernaast!

Wat een geweldige dagen hadden we in Napels! Geweldig weer, mooie voorstellingen, lekker eten, goed gezelschap. Echtgenoot en ik zwaaiden de gasten op 1 mei uit en toen hun vliegtuig eenmaal in de lucht was, gingen wij terug de stad in en daags erna dóór naar Zuid-Italië. We liepen er een geweldige wandeltocht van zes dagen langs de kust. Hilariteit toen er een appje binnen kwam van Vodaphone: ‘Welkom in Griekenland’ . De kust van Albanië konden we op wandeldag één zien, die van Griekenland lag toch echt wat verder weg, maar nou ook weer niet héél ver weg, zoals ik later thuis op mijn wereldbol zag. Het voelde als vakantie en dat was het ook, heerlijk!

In Napels waren we in het geweldige Teatro San Carlo (vindt u het ook mooier dan La Scala en durft u dat ook niet hardop te zeggen?) de eerste avond bij een concert door het orkest van het Teatro. Het weinig gehoorde pianoconcert van Martucci en de Boléro van Ravel vormden die avond de ijkpunten. Van het pianoconcert van Martucci begrijp ik nu dat het niet vaak gespeeld wordt: het was vooral luid en het eist een pianist met een ijzeren conditie en eigenlijk vier handen (er wordt wel heel veel in octaven gespeeld). Persoonlijk vond ik de toegiften van de pianist – die het verdient hier met naam genoemd te worden: Giuseppe Albanese – mooier en subtieler dan die hele Martucci; hier op Vocalies kan ik dat hardop zeggen.

De Boléro stal de harten, altijd een geheid succes, ook al speelde het orkest niet erg gelijk onder de wat weke slag van Maestro Boncompagni (de naam vertaal ik vrij met ‘Goedgezelschap’ en dat wás-ie). Ik ben maar effe praktisch: volgens mij moet je het orkest vooral strak houden tijdens zo’n sterk ritmisch stuk en dan speelt het bijna zichzelf, maar misschien ben ik naïef. Hulde voor de twee slagwerkers die het strakke ‘onderritme’ van de Boléro uiterst precies bleven slaan en daardoor het zaakje aan de touwen hielden. Ik krijg altijd rillingen van de laatste maten van de Boléro, welke geest verzint zulke snijdende, scheurende akkoorden… Ravel!

De tweede avond ‘ging’ mijn geliefde La Traviata. Die heb ik nu wel in zo’n 8 à 9 verschillende uitvoeringen gezien en meestal – als het geheel maar een béétje goed gedaan wordt – ben ik aan het eind in tranen. Nu ook, al was de uitvoering wel heel erg traditioneel. De regisseur wilde de psychologie achter de opera beter benadrukken en verplaatste het geheel naar het Parijs van 1910.

Een en ander kwam voor mij niet helemaal uit de verf. Het was een zeer, zeer traditioneel gezette uitvoering. Niks, maar dan ook niks op de regie aan te merken, maar ik merkte wel dat mijn smaak zich aan het ontwikkelen is: het mag best wat schuren af en toe en dit schuurde helemaal niet…

De zaal smulde: Violetta (Mariangela Sicilia) zong de sterren van de hemel (loei-zware rol trouwens!) en was daarbij ook nog eens een plaatje om naar te kijken. Alfredo was bepaald geen acteur, maar zong zeer verdienstelijk en als altijd had Giorgio Germont de meeste sympathie van het publiek: de ontwikkeling die hij doormaakt – van on-sociale hooibaal tot liefhebbende (schoon)vader (helaas wel pas als het te laat is) – is veruit de interessantste ontwikkeling van de opera.

De rol van Germont is een bariton-killer: hoog en zeer ge-emotioneerd. Ook deze Germont leed daaronder: twee keer moest hij octaveren omdat hij té vroeg té veel wilde van zijn stem. Ik leek de enige te zijn die het gehoord had en heb niemand de emotie van de avond afgenomen door hen erop te attenderen, ook de lieve, opera-onervaren Vlamingen die bij me in de loge zaten niet. Je moet blij zijn als je mensen binnen hengelt in het genre; waarom ze pedant op missers gaan attenderen als ze daar niets van gemerkt hebben.

Ergens in juni ben ik met echtgenoot en goed vriendin in Covent Garden en krijgt La Traviata weer een kans. Ik verheug me er nu al op.

Ik surfte wat op YouTube, kwam langs Dmitri Hvorostovsky – die de rol wel erg zwaar en bassig aanzet – langs Domingo – die ooit tenor was en daar bij deze rol plezier van heeft – maar koos uiteindelijk toch voor Thomas Hampson in zijn rol van Giorgio Germont. Hij is meester!

Deze opname is mooi close zodat u z’n geweldige dictie ook in zijn gezicht kunt zien. Hij heeft geen grote stem, Hampson, maar hij vult moeiteloos de zaal (Festspielhaus Salzburg!). Alleen met zo’n ijzeren techniek ‘haal’ je Germont (en als het nodig is meerdere dagen achter elkaar). Nooit de motor oversturen, zei bariton Meinard Kraak ooit. Wat had hij gelijk!
Let trouwens ook effe op het geweldige stille tegenspel dat Hampson van ‘mupke’ Villazon krijgt…

Nicolai Gedda

Eerst even: er staat ook weer een nieuwe podcast op de website. Zie de grote icoon hiernaast.

Het was stillekes hier de laatste paar weken, ik geef het toe. Niet zo’n inspiratie, (voor het eerst in ruim acht jaar is dat misschien niet eens zo heel erg….) een heleboel andere dingen te doen… Wel degelijk ook bezig met klassieke muziek hoor, maakt u zich niet ongerust! Maar tsja, het kwam er niet van.

Tot ik een dikke week geleden met een oud-collega en met echtgenoot zeer genoeglijk zat te tafelen en de naam Nicolai Gedda viel…
Nicolai Gedda, zei de oud-collega, is die niet onlangs overleden?
Mijn hap carpaccio viel met een bons op de bodem van mijn maag…. Overleden? Mijn favoriete tenor? Zonder dat ik het wist? Die man had toch het eeuwig leven?
IPhone’s kwamen op tafel (het lukt ons nog vrij aardig – als we uít-eten – om ze weg te houden van de tafel…) en al gauw kwam de bevestiging: op 8 januari 2017 op 91-jarige leeftijd overleden in Zwitserland. Ik moest mezelf even bij mijn lurven pakken om de prachtige avond niet te laten bederven door een bericht dat al drie maanden oud was. Terugrekenend bedachten echtgenoot en ik dat we op 8 januari op een van de Kaapverdische eilanden op het strand gelegen hadden en er even geen media-van-welk-soort-dan-ook bij ons binnen was gekomen.

Tsjonge, Nicolai Gedda, een van de beste, zo niet dé beste tenor van de vorige eeuw, een carrière van meer dan vijftig jaar. En de pest is: iedereen heeft er natuurlijk al over geschreven, daar kan ik met mijn bescheiden oplage van Vocalies niet heel veel meer aan toevoegen. En dat gaat dood, met niet meer dan een berichtje in de marges van het grote wereldnieuws. Hetgeen niet heel verwonderlijk is: hij heeft dan wel meer dan 50 jaar gezongen, maar tussen het einde van zijn carrière en zijn dood heeft veel tijd gezeten (zangers worden meestal oud, dat u dat maar even weet) en dan zing je geen hoge D’s meer en leeft in stilte ergens in Zwitserland en gaat daar ook in stilte dood…

Dus ik ga u geen necrologie meer geven, ik ga volstaan met een al ooit eerder beschreven anekdote van mijn ontmoeting met Nicolai Gedda, want ja, ik heb hem ontmoet, met hem gelachen en les van hem gehad. En hij zong ook toen nog moeiteloos een hoge D. Het was in 1991 (da’s al zo lang geleden dat ikzelf niet eens meer zeker weet of het juiste jaartal is). Ik had mijn conservatorium-opleiding achter de rug en probeerde een bescheiden carrière op te starten. Ik deed daartoe mee aan een Masterclass operette zingen in Bad Ems, Duitsland.

Gedda was een van de docenten. Vooral de tenoren waren op zijn naam afgekomen en tenoren is, hoe zal ik het netjes formuleren… vooral als ze in opleiding zijn… een apart slag volk. Niks menselijks is hen vreemd za’k maar zeggen: eentje verscheen iedere ochtend met een tas vol drankjes en spraytjes en een handdoek om zijn nek aan de start van de lessen en hij kon alleen zingen als hij uitvoerig had ‘warmgedraaid’ en hij ervan overtuigd was dat het nergens tochtte (moet je eens op een gemiddeld opera-toneel gaan staan, dan weet je wat tochten is!).

Gedda zag de charade aan en gooide een counter-fit in de strijd: hij gaf de tenor in kwestie alleen les als hij zijn tas met rommel buiten liet staan en de handdoek op de stoel liet liggen en liefst als eerste op de dag. Ik heb nooit meer iets van de tenor in kwestie gehoord trouwens…

Toen ik aan de beurt was, zette ik Gedda een Verdi-lied voor, ik wilde daar meer van weten (want graag meer Verdi gaan zingen) en hoewel het eigenlijk een masterclass operette was, leek de maestro aangenaam verrast. Hij kende het lied niet en verontschuldigde zich (ja echt!). Hij bladerde door de muziek en herkende het als een voorstudie voor een opera-aria. Hij maakte een paar aantekeningen, hummelde wat in zichzelf en knikte: ja, hier konden we wel wat mee, leuk! Hij vroeg me vervolgens in welke taal ik les wilde hebben: een en ander speelde zich in Duitsland af, maar ik kwam uit Nederland en als ik Engels bevorzügte, of Frans, dan kon dat ook…
Ik slikte… en werd heel, héél nederig…
Lass uns Deutsch reden, zei ik een beetje beverig, en gaf de pianist een teken dat we konden beginnen.

De les was een van de hoogtepunten uit mijn – overigens bescheiden gebleven – carrière als sopraan en ik ben er Nicolai Gedda tot de dag van vandaag dankbaar voor. Soms heb je van die momenten waarvan je beseft, áls je ze beleeft, dát je ze beleeft en dat het een toppertje is en je hele leven bij je zal blijven. Volgens mij kwamen we er beiden gelouterd uit…

Oh ja, het ging overigens om ‘Deh, pietoso, oh Addolorata’ van Giuseppe Verdi.

In het filmpje de mooiste tenor-aria aller tijden ‘E lucevan le stelle’ uit Puccini’s ‘Tosca’. Toegegeven het is een beetje slecht beeld, maar wat zingt de man geweldig! Eat your heart out, Kaufmannen, Villazons en Grigolo’s…
Surf vooral op YouTube, er is heel veel, waaronder ook de hoge D’s waar ik over had.

Zingen in het Nederlands

Hulde voor Hannah Bossers! Ze heeft het initiatief genomen tot ZingNL. En dan gaat het niet over ‘Nederlands eerst’ noch over ‘Nederlanders eerst’ (let op het subtiele verschil tussen de woorden!). Nee, het gaat over het zingen van liedjes, in het Nederlands, voor… buitenlanders…!!!

In het persbericht dat onder mijn ogen kwam worden ze ‘Eindhovenaren met een migratieachtergrond’ genoemd… Weer zo’n term, maar alla, ik moet er ook wel om grinniken.

Wat zingen ze daar dan zoal? ‘Dan denk ik aan Brabant’, ‘Tulpen uit Amsterdam’ ‘Klaar voor de start’ (zegt mij niks, maar schijnt door ‘Kindejen voor kindejen’ vaak gezongen te worden), ‘Zon kom op’ en ‘15 miljoen mensen’ (ijzersterke tekst!).

De schrijver van het berichtje verwondert zich erover dat muziek en samen zingen mensen in beweging zet en plezier geeft. Dat verwondert mij helemaal niks. Da’s namelijk één van de functies van muziek en met name van samen zingen. Niks zo heerlijk; of het nou in een stadion is, bij een huwelijksdienst, samen rond het kampvuur of bij een koorrepetitie. Of het repertoire volksliedjes behelst, of een moeilijke cantate, of een protestlied of een stadionlied: iedereen gaat altijd – de ene keer georganiseerd, de andere keer wat minder – uit zijn dak.

Eigenlijk zou iedere flinke stad zo’n initiatief uit de grond moeten stampen. Moet je eens kijken hoe vlug het afgelopen is met die schreeuwers van ‘Eruit!’. Die gaan namelijk mee-zingen. Inzingen is geen probleem, dat doe je op vocalen en op skat-teksten, die zijn zo internationaal dat ze er zelfs in China geen moeite mee hebben.

Meer weten: kijk op de link van PandP

De knetter is er nog

Een aantal weken geleden: twee vriendinnen met wie ik regelmatig eet en/of film kijk zitten met mij aan tafel. Uiterst genoeglijke avonden zijn dat: we hebben alle drie een liefhebbende echtgenoot waar we – ieder op onze eigen manier – dol op zijn, maar die ons ook wel eens voor vragen en dilemma’s stelt (dit statement is overigens op geheel persoonlijke titel hoor, niet dat de vriendinnen last zouden krijgen van mijn bespiegelingen).

Vriendin 1 kijkt ons, de andere twee, aan: “moeten wij niet eens samen gaan zingen?” vraagt ze, nogal ‘ins blaue hinein’; we springen wel vaker van hak op tak, maar deze tak sluit helemaal niet aan bij de vorige hak, als u begrijpt wat ik bedoel…
Ik schud in eerste instantie mijn hoofd. De stem heeft meer dan vijf jaar niet meer echt gezongen. En hoewel ik dacht dat ik niet zonder zou kunnen, was bevrijd zijn van de druk die optreden met zich mee bracht een ware oase; waarom zou ik mezelf weer onder druk zetten, net nu ik een beetje aan het leren was dat niet meer te doen… ???

Nádenkend kom ik tot de conclusie dat het de druk was waar ik last van had, niet het zingen zelf: thuis eens tegen de stofzuiger in zingen en proberen of de knetter er nog was, bleef lang een heerlijk fenomeen en ik was sinds het stoppen nooit bang om iemand iets vóór te zingen om een standpunt óver zingen kracht bij te zetten.

Ik kijk op en zie de twee verwachtingsvol naar mij kijken: áls er gezongen gaat worden moet ik dat leiden natuurlijk. Een beetje inwendig zuchtend geef ik toe: laten we eens proberen iets te vinden voor driestemmig vrouwen-ensemble-met-gemengde-zangervaring. Het moet iets zijn dat ik ken; ik kan alleen dóórleren wat ik zelf snap en mijn piano verdween mét mijn carrière-aspiraties, dus thuis studeren kan niet meer.

Kort en goed: het werd ‘Piu non si trovano’ van good old Woolfie Mozart. Een bedrieglijk simpel deuntje, waar veel van zijn componeerkunst in verstopt zit. De liefhebbende echtgenoten worden voorlopig even in het ongewisse gelaten van wat wij aan het uitspoken zijn. Een eerste avond wijst uit dat de vriendinnen oren aan hun hoofd hebben, we ‘knetteren’ binnen een kwartier van zuiverheid en we zakken niet in toonhoogte, twee dingen die sommige amateurkoren nooit ervaren…
Dat is vooral voor de vriendin met nauwelijks zang-ervaring een groot compliment.

Maar er is ook een minder leuke kant: mijn stem vertikt het die eerste avond. Niet meer vertoond sinds-ie ergens rond mijn twaalfde het af en toe af liet weten; toen was-ie aan het breken naar volwassenheid, nu is-ie zwaar uit training.
Hulpeloos flappert mijn ene stemband een beetje tegen de linkerwand van mijn strottenhoofd en de andere doet nauwelijks iets. Resultaat: een uiterst vreemd tremolo en af en toe helemaal geen klank.

Ik blijf er nog kalm onder ook, constateer ik ’s avonds in bed. Vroeger zou ik binnen twaalf uren bij huisarts, danwel KNO-arts hebben gezeten, huilend van ellende. Nu constateer ik grinnikend: “practise what you preach, mevrouw de (ex)zangpedagoog: stembanden zijn spieren en die dienen opgewarmd te worden, voorzichtig gebruikt en met mate ingespannen…”

Ik berust, geef de kleine jongens wat rust en na anderhalve dag probeer ik het thuis nog eens… dit keer doen ze het, eventjes… Na nog eens anderhalve dag doen ze het wat langer en de eerstvolgende keer dat we weer ‘repeteren’ (bewust tussen aanhalingstekens, want we kletsen ook veel… ) blijven ze het doen, al klink ik na een uurtje repetitie zwaar ‘verzongen’ . Ook een beetje omdat ik mijn dragonder van een stem nogal moet inhouden tegen de twee kleinere stemmen.

De dagen die volgen benut ik momenten dat ik alleen ben om steeds een beetje verder te gaan en verdomd: vanochtend onder de strijk is het volle geluid er weer, alsof het nooit weg is geweest. De knetter glanst nog en mijn lichaam reageert bijna triomfantelijk: ik kan het nog.

Inmiddels zijn de echtgenoten ingelicht over onze escapades met Mozart (ze zouden eens vermoeden dat we iets ondeugends aan het doen waren) en kan ik u kond doen van mijn hernieuwde worsteling met mijn stem. Het gaat niks groots opleveren, misschien wel lol…

Nog maar gauw even een vertalinkie van ‘Piu non si trovano’ van W.A. Mozart. Kijk uit vóórdat u eraan begint: de noten zitten er gauw genoeg in, maar dan begint de ellende pas: je kunt het deuntje zingen als een traag op gang komende trein, of op zijn ‘King’s Singers”: vol vaart en met veel ‘tongue in cheek’. Volgens mij bedoelde Woolfie het laatste met zijn compositie.

“Tussen de duizenden geliefden vindt men geen twee mooie zielen meer die standvastig zijn, terwijl alle spreken over trouw. Maar deze slechte gewoonte verspreidt zich zozeer dat men de trouw van wie echt bemint naïef noemt.” (doordenkertje he?)

Ik zoek op YouTube en schrik me te pletter: allemaal van die logge vertolkingen, nauwelijks zuiver, ademen midden in woorden (echt! en niet door de eersten de besten…) en – over het algemeen gesproken – geen fuck aan… if you pardon my language. Surft u zelf maar eens…

Kortom: de vriendinnen en ik hebben nog wel even werk…

Opera overwint musical

Sjonge, wie durft er nog te zeggen dat middelbare scholen eigenlijk de vijanden van de klassieke muziek zijn… wat ik me nou toch las: de schoolmusical gaat plaats maken voor opera!!! En niet de minste ook: in Amsterdam wagen ze zich aan Giacomo Puccini’s Turandot. Weliswaar een aangepaste versie maar toch… je moet maar durven. Ik zou eens voorzichtig beginnen met ‘Die Zauberflöte’, of een operette, maar nee, hoppa: meteen Turandot.

Dat kan twee dingen betekenen: óf ze zijn daarna voorgoed genezen, óf ze zijn voor altijd verkocht en de musical kan het voortaan wel schudden.

Ik heb trouwens niks tegen musical hoor. Alleen dat gebèlt (is vrij vertaald keihard stijgend zingen tot de stembanden zeggen: “zoek het verder lekker zelf uit…” en dan de kno-arts bellen…) staat me af en toe tegen, tenzij het goed gebeurt (slechts weinigen kunnen het echt goed…)

Zelf heb ik goeie herinneringen aan ‘De wonderbaarlijke machine van professor Knap’ die wij aan het einde van mijn lagere schooltijd uitvoerden. Ik kreeg er geen prominente rol in. Ik was te ‘eager’ naar de zin van mijn onderwijzer en mijn stem was al vroeg aan het breken (ja, die van vrouwen breekt ook, alleen meestal minder prominent) en dus in die tijd niet erg betrouwbaar)

Ik weet nog dat mijn vader zich moest vasthouden van het lachen toen een van de jongetjes in mijn klas het vertikte zijn pas gekregen horloge af te doen en zijn rol als holbewoner speelde mét knoert-groot-volwassen-mannen-horloge. Er is zelfs nog een foto van geloof ik, ergens…

Maar goed, terug naar Turandot. Maar liefst 25 basisscholen in en rond Amsterdam zullen hun achtste-groepers (vroeger waren dat de zesde-klassers) afscheid laten nemen met Turandot en ze doen dat in samenwerking met De Nationale Opera. Top!

Ze schrijven: “Er is voor Turandot gekozen omdat deze opera redelijk gemakkelijk te zingen en ook nog spannend is”.
“Huh….?” denk ik dan, “makkelijk te zingen? Pfoe, dan is er wel erg veel aangepast”. De rol van Turandot is een legendarische sopranen-killer en wie kent niet de tenor-aria, die eindigt met “Vincero!” op een hoge bes, b, of c, daar mag ik afwezen…

Mag ik de achtste-groepers-dames aanraden niet voor de rol van Turandot te kiezen, maar voor die van Liu (als die er niet uitgeschreven is)? Zij heeft de meest tedere aria (“Signore ascolta!”) . En er is altijd wel een Amsterdams brammertje á la Ciske de Rat te vinden die “Nessun dorma” getetterd krijgt, ik verheug me nu al op de gezichten van de ouders bij de voorstelling.

Alle gekheid op een stokje: ik ben blij met het initiatief. Onbekend maakt namelijk onbemind en ik heb in mijn leven als voorvechtster van het standpunt “Opera is er voor Jan en alleman” (het credo van Stien Deutekom) nog nooit meegemaakt dat ik iemand niet binnen gehengeld kreeg voor opera. Als je het maar goed uitlegt en niet te high-brow doet.

Een mooi initiatief!

Ik besloot u ‘De wonderbaarlijke machine van professor Knap’ maar niet aan te doen…

Daarom in het filmpje een geweldig zingende Leona Mitchell. Dat is toch een nuance waar musical niet tegenop kan…

Wijn, amuses en Schubert

Iets lekkers en leuks en klassieks komend weekend. Je snapt niet dat dat alle drie in één concert kan, maar het kan: u moet er wel voor naar Amsterdam, meer bepaald naar Bijzondere Collecties in de Universiteit van Amsterdam

Wijnschrijver Onno Kleyn (ik ben geen echte wijndrinker maar lees altijd zijn recensies in het Volkskrant Magazine), sopraan Catherine Veillerobe en pianist Anneke Veenhoff geven er een voorstelling, getiteld ‘Schubert Bites’.

Enig lijkt me dat: leuke muziek, lekkere amuses en een goed glas.
Onno Kleyn schrijft er zelf over:

“Het wordt een culturele middag als ware het begin 19e eeuw. Liederen begeleid op een gerestaureerde Weimes fortepiano uit 1823 (met bellen en trommel!), Oostenrijkse wijn en fantastische, door studenten van de Hogere Hotelschool The Hague gemaakte amuses uit het Wenen van toen zijn de ingrediënten; ik schilder de achtergronden, verhaal over de culinaire mores van het Habsburgse Rijk.”

Hopelijk doen ze het vaker dan één middag! Ik zie een gat in de markt van de klassieke Liedkunst!

Mocht u naar de website van Onno Kleyn willen om er iets meer over te weten, klik dan op zijn naam.

Kurt Moll overleden

Er is zoals altijd weer eens goed nieuws en slecht nieuws.

Het goede nieuws is dat ik weer (dankzij Student aan huis) podcasts op de website kan zetten. Dat heb ik dus met voortvarendheid gedaan.
Het slechte nieuws is dat een van de beste en grootste bassen overleden is: Kurt Moll. Achtenzeventig is hij geworden. Hij zong al even niet meer, dat zult u begrijpen, maar er zijn legendarische opnamen van hem. Pfoe wat een stem!

Hij kwam van vlak over de grens, tenminste voor mij… hij werd in 1938 geboren in Buir bij Kerpen. Ik zie altijd die afslag op de autobahn als wij naar Oostenrijk rijden en net de grens over zijn.

Hij leerde in zijn jeugd gitaar en cello spelen en was solist in het schoolkoor. Hij studeerde in Keulen en privé solozang. Al op zijn twintigste – dat is heel vroeg voor een bas – debuteerde hij aan de opera in Keulen. Aken en Mainz volgden en hij werd lid van het ensemble in Wuppertal.

In 1967 debuteert hij aan de Bayreuther Festspiele en in 1970 zong hij zijn sterke rol: Sarastro bij de Salzburger Festspiele. Tsja, en dan gaat het snel. Als je als bas een daverende D-groot (dat is laag, gelooft u mij!) kunt zingen ben je spekkoper.

Hij ging de hele wereld over met zijn geweldige vertolking van de Commendatore in Don Giovanni. In die rol ontdekte ik hem op YouTube, toen ik de aria uiteenrafelde voor mijn eindexamen solozang in 1985

Pas in 2006 nam hij afscheid, een lange, lange carrière als top-bas.

Ik laad het filmpje uit Don Giovanni gewoon nog een keer op. Geweldig. U krigt er bovendien Simon Ramey als prachtige Don Giovanni gratis bij. Heerlijk repertoire!

Een ouwe stersopraan?

Soms leiden schijnbaar oppervlakkige gesprekken tot de leukste weetjes én… tot leuke weblogjes… Ik sprak met een collega over nieuw talent en ze zei dat ze een boek aan het lezen was over oud talent, namelijk over het leven van Geraldine Farrar. Laat ik daar nou nog nooit van gehoord hebben… Nou, zei de collega, da’s dan knap dom (wij zijn liever eerlijk dan tactisch tegen elkaar) want die heeft een relatie gehad met een Nederlander die een beetje merkwaardig aan zijn einde gekomen is (ze is al tamelijk ver in haar boek).

Nou, u begrijpt, toen was ik helemaal getriggerd… bad news en sensatienieuws, dat is van deze tijd. Dus ik zocht de dame in kwestie maar eens op.
Geraldine Farrar werd geboren in Melrose. Ze was de dochter van een honkbalspeler uit de Major League. Ze begon op twaalfjarige leeftijd met een zangopleiding in Boston en studeerde vervolgens in New York bij Emma Thursby. In 1899 ging ze naar Parijs en vervolgens naar Berlijn, waar ze zanglessen nam bij sopraan Lilli Lehmann en bariton Francesco Graziani.

Ze debuteerde als Marguerite in Faust al in 1901! Dat is uitzonderlijk vroeg voor zo’n zware rol. Ze schijnt een fabelachtig goed actrice geweest te zijn: zelf vond ze ook emotionele expressie belangrijker dan goed zingen (ik chargeer een beetje).
Ze had al gauw The Met op stelten, omdat ze een affaire had met Arturo Toscanini, die voor haar vrouw en kinderen verliet. Gevolg: een enorm schandaal en een breuk tussen Toscanini en de The Met. Ze was beeldschoon en al snel een soort ‘role-model’ voor jonge vrouwen uit haar tijd. Ze droeg het haar in een boblijn en kleedde zich ultra-modern en tamelijk bloot (ook op het toneel) (grappige contradictie trouwens: je bloot kleden…).

En waar komt die Nederlander nou in het spel?
In 1916 trouwde ze met de Nederlandse acteur Lou Tellegen. Die bedroog haar nog al eens en ze scheidde in 1923 al weer van hem. Als je Lou opzoekt op internet kom je in een leven vol tragiek en sensatie (en volgens mij van een zeer matig acteur…). Hij is raar aan zijn eind gekomen.
Farrar ging rustig en lustig door met zingen en bekend en berucht worden: ze speelde Gilda in Rigoletto en raakte door die opera bevriend met Enrico Caruso, met wie ze innig bevriend zou blijven.

Kroonprins Wilhelm van Pruisen hoorde ook bij de bewonderaars en waarschijnlijk hebben die twee ook een relatie gehad.

Tussen 1915 en 1920 speelde Farrar in diverse stomme films, onder andere in Carmen, in een bewerking door Cecil B. DeMille.
Ze nam als een der eerste operasterren op een grote schaal grammofoonplaten op. In de jaren dertig werkte ze in Amerika voor de klassieke radio. Daarna trad ze ‘in ruste’. Ze overleed in 1967, 85 jaar oud.

Ik hoor oude opnamen en kan haar stelling dat ze het belangrijker vond goed te acteren dan goed te zingen alleen maar beamen, dat wil zeggen: ik heb haar niet zíen acteren, maar de zang is matig… ligt ook een beetje aan de opnamen.
Hieronder een opname van de Juwelenaria uit Faust. Er is op YouTube veel leuks te vinden. Mooi tijdsbeeld van het begin van de film met geluid én van de stomme film.

Tot zover dit bericht van uw sensatie- uit-het-verleden-journaliste, Vocalies!

Een nieuwe stersopraan?

Een nieuwe ster aan het firmament: Aida Garifullina, en een nog jonge ster: geboren in 1987.Het moet welhaast een goeie zijn, want er zijn een aantal feiten te noemen: ten eerste is ze een Russin, dat is altijd van het degelijke werk… ten tweede staat ze al regelmatig op het toneel in Sint Petersburg en in de Wiener Staatsoper, daar kom je niet zomaar. En ten derde heeft ze een platencontract, pardon een CD-contract bij Decca en daar komen alleen de allerbesten binnen.

Aïda (wat een voornaam trouwens…) heeft het zingen met de paplepel ingegoten gekregen… Haar moeder was koordirigent en ze heeft haar dochter al vanaf zeer jonge leeftijd en de richting van de zang gestuurd.

Op haar 18de verhuisde Aïda naar Nürnberg om daar verder te studeren.
In 2007, pas twintig, studeerde ze al in Wenen en twee jaar later debuteerde ze als Despina (heerlijke rol!) in Mozart’s ‘Così fan tutte’.

Affijn, hierna wordt het weer opsommen… Wat eruit springt is dat ze in London Valery Gergiev tegen komt en als die eenmaal achter de handvaten van de kruiwagen staat, zit je goed. In januari 2013 debuteert ze dan ook op het toneel van het Mariinsky Theater in Sint Petersburg.

Wat ook wel helpt is dat het een plaatje van een vrouw is. Een beetje Angelina Jolie-achtige schoonheid… Als ik haar opzoek schiet me ineens te binnen waarom ik dat gezicht ergens van meen te kennen. Ze zong de rol van Lily Pons in de film van Florence Foster Jenkins. Ze zong toen de Klokjes-aria en inderdaad, zo’n soort stem heeft ze ook.

Ik denk bij het horen van zulke jonge stemmen altijd grinnikend (en een beetje vals, ik geef het toe) dat er nog wat leven over heen zou moeten om het échter te maken… aan de andere kant gun je zulke mensen ook smooth sailing; het vak is al zwaar genoeg.

Vooruit dan maar: de Bell song (oftewel de Klokjesaria) uit de film over Florence Foster Jenkins opgesnord en hieronder geplakt.