The day after

Omringd door bloemen en met mijn bordje met ontbijt naast mij kruip ik, een dag later dan gewoonlijk, achter het toetsenbord om u persoonlijk verslag te doen van de laatste week ‘Carmen over Carmen’. En u mede te delen dat dit voorlopig het laatste is wat u van mij over het project zult vernemen, (behalve dan een losse mededeling hier en daar, als we weer eens optreden); volgende week hebben we het ‘gewoon’ weer over dooie componisten en klassieke actualiteiten en de daarbij behorende anekdotes en muziek.

Het was me het weekje wel, sprak de oude diva zuchtend (u merkt ik kan mezelf zelfs na deze productie nog goed relativeren…). Maandag en dinsdag peinzend bij de kachel gezeten met het script en de partituur op schoot: er moet een formule zijn volgens welke je dit soort projecten kunt doen en er zelf van kunt genieten, alleen, ik heb die nog niet gevonden. Altijd leverde ik in aan zenuwen, telde de noten tot aan het einde, wilde dat het voorbij was, werd pas weer een beetje mens als de productie voorbij was en was dan gefrustreerd daarover. Nooit eens springend van genoegen over het toneel en huilen dat het voorbij was. Nooit eens hetzelfde, bijna lichamelijke genoegen als bij repetities als iets lukte, als de stem door je lijf dendert en muziek en tekst samensmelten tot een logisch, kloppend geheel. Dit keer wil ik het anders, dit keer zal ik wel genieten en niet sidderend van de zenuwen het toneel oplopen, minuten tellend tot de noten achter mij liggen.
Ik kijk naar fimpjes op You tube van een van mijn grote voorbeelden: Charles Aznavour: 80 jaar oud ten tijde van het concert, genietend van een zaal die uit zijn hand eet, naar bas-bariton Samuel Ramey, die een trap af tript alsof-ie dat thuis doet, op een tafel springt, drinkt en precies op tijd is met zijn inzet en het duidelijk prachtig vindt; hoe doen die mensen dat toch? Natuurlijk bevind ik mij een aantal niveaus lager en hebben zij niet voor niets de top bereikt, maar dat is mijn vraag niet: ik wil weten wat hun formule voor ervan genieten is…

Woensdagmiddag en –avond is de generale, gecombineerd met een laatste technische doorloop. Als ik in het shabby (maar oer-genoeglijke) theatertje arriveer is het productiebureau al druk doende het zaaltje in orde te maken. Met het licht wil het niet zo lukken en tot grote bewondering van iedereen aanwezig klim ik op een vijf meter hoge ladder om de buitenste pipo (zo heten die lampen, echt waar…) een duwtje in de goede richting te geven. Ik kan vooral bij de mannen in het gezelschap niet meer stuk. De doorloop is dramatisch rommelig. De poppenspeler heeft een slijmbeursontsteking in zijn rechterschouder die hem af en toe doet kreunen van de pijn. Mijn hartslag bereikt hoogten die ik niet meer kende sinds ik in Italië verkouden en wel probeerde de laatste hoge heuvel van die dag te beklimmen. Dat gaat wat worden met een generale met publiek. Ik probeer me zodanig te concentreren dat gedachten als ‘o god ik kan dit niet’ en ‘je zult zien dat ik de volgende inzet mis’ naar de achtergrond schuiven en zie, de hartslag tempert, de handen trillen niet en de adem vindt zijn weg naar de onderkant zoals-ie dat tijdens repetities ook doet. Wat overblijft is een klomp samengebalde energie in mijn maagstreek die pas tijdens de première verdwijnt, maar daar valt mee te leven…

En het kleine wondertje voltrekt zich, hele stukken repetitie maak ik bewust mee en geniet ik zelfs van de zang en de dialogen met de beide poppen. De twee kleine rustpunten die ik heb, weet ik te benutten en ik ben er de hele tijd echt ‘bij’. Na de laatste noot is er applaus van het kleine groepje aanwezigen en praten we na met een paar doorgewinterde theaterbezoekers. Ze zijn ge-emotioneerd en bevestigen ons in onze veronderstelling dat deze voorstelling een goeie is. Tenslotte maak je iets waarvan jij denkt dat het leuk is, maar dat moeten anderen dan ook maar vinden.

De dagen tussen de generale en de uitvoering werk ik één dag en ben ik één dag vrij. De collega’s zijn hartelijk en bemoedigend en de dag vrij rust ik zoveel mogelijk en hou mijn geest bezig met een goed boek, de televisie (lang leve opname-apparatuur: ik heb in één dag drie ‘De wereld draait doors’ bekeken) en mijn eeuwige therapie tegen allerhande geestelijke stress: winkelen (en dan vooral niks kopen, behalve een corsage op de jurk en wat kleine prutsdingskes). De dag van de première laat mijn echtgenoot mij altijd zeer tactisch met rust en een beetje in het huis rondmutsen: blousje strijken, koffertje klaarmaken, lunchen en om half twee is daar de poppenspeler en zijn vrouw. Wij doen samen een Italiaantje (wat dat betekent kunt u in een eerdere Vocalies lezen) en rijden naar het theater. De bal in mijn maag blijft, maar neemt niet de overhand. Ik maak me zorgen om de poppenspeler, want de cortisone-injectie heeft nauwelijks geholpen en hij loopt verkrampt van de pijn. Toch, en dat klinkt misschien self-centered, beïnvloed het niet mijn toestand; ik lijk mij in een eigen kring te bewegen waar de rest wel binnenkomt maar niet raakt aan de concentratie die zich opbouwt.

En weer voltrekt zich het kleine wondertje: het grootste deel beleef ik bewust. De twee keer dat mijn geest de zaal in fladdert en iemand in het publiek herkent grijp ik ‘m bij zijn kladden en trek hem terug: hierrrrrr jij…. en concentreer je, laat geen andere gedachten toe dan die nu nodig zijn. De poppenspeler heeft het moeilijk, maar we komen goed door de première en na afloop zijn er de kussen en de bloemen en de complimenten en de losse opmerkingen die ik tussen mensen opvang (waar ik trouwens het meeste van leer). En ja, ik heb echt genoten en ga proberen voor de overige optredens diezelfde mate van concentratie weer te vinden. Misschien, heel misschien zit daar wel het geheim…
In het filmpje Samuel Ramey die een onvergetelijke Torreador neerzet.

De Zangeres over Carmen over Carmen

Nog even en dan is het zover, dan zit ik in mijn zogenaamde kleedkamer op het toneel en verschijnt de knappe, jonge zigeunerin tegenover mij in de spiegel. Ze zal haar tekst beginnen met: ‘Ga je mij vanavond weer de schuld geven?’ en we zullen een aangenaam uur met elkaar doorbrengen, de conversatie heen en weer ketsend tussen haar en mij, tussen Don José en mij en afgewisseld met muzikale conversatie tussen mij en de pianist, goeie vriend Carl. Ze zal haar overtuigingen weer bekopen met de dood, maar nu heeft ze het toe kunnen lichten en zal ze minder het slachtoffer zijn dan in de opera. En gelukkig is ze een pop en kan ze de volgende keer dat Jan Smeets, haar ‘alma pater’, haar weer in handen neemt, opnieuw tot leven komen en opnieuw haar lot toelichten, en misschien weer zorgen voor een uur passie en pijn en verlangen, waar mensen even in weg zijn van hun dagelijkse beslommeringen.

Ik zal sidderen van de zenuwen, maar gezien de goede voorbereidingstijd en de professionaliteit waarmee ik omringd word zal het nu een keer gaan lukken om zelf ook te genieten van deze voorstelling, dat heb ik me vast voorgenomen. De aria’s zijn in mijn lijf gaan zitten en de stem voegt zich naar warmere mezzo-klanken. Zelfs de aria ’s van Don José en Escamillo zijn me vertrouwd geworden, al gaven ze zich moeilijk prijs (moet je als sopraan ook maar niet proberen tenor- en bariton aria’s te gaan zingen, foei!).
Danseres en regisseur Jeanne de Vaan heeft mijn stugge lijf wat losser gekregen en me middelen gegeven de beelden die ik in mijn hoofd had, ook juist over het voetlicht te krijgen. We klikten onmiddellijk en hebben samen veel plezier gehad; mijn respect voor dansers was al groot, maar is alleen maar groter geworden.

Ik zoek al maanden naar de juiste geestelijke houding en de juiste gedachten om straks de fladderende zenuwen weg te jagen en de voorstelling in eigen hand te houden. De muziek is, sterk, meeslepend, emotioneel en van een tijdloze frisheid; de teksten zijn goed, het decor klopt, de kleding klopt, wat kan er nog verkeerd, behalve onbeduidende details?
Alle vrienden komen; tot mijn verbazing pikt men in uithoeken van de pers de berichtjes op en meldt men zich voor kaartjes. Men is al dan niet vergezeld van echtgenoten, buurvrouwen, kinderen en andere belangstellenden. Ik tel in gedachten de kaartjes die ik al gereserveerd heb en kom makkelijk tot boven de twintig.

De speeldata tot nu bekend zijn:
Zaterdag 27 februari, 16.00 uur, De Azijnfabriek, Den Bosch
Zondag 7 maart, 16.00 uur, idem
Zaterdag 3 april, 12.30, idem. Dat is er eentje waarvan we verwachten dattie erg druk bezocht wordt en waarvoor geen kaartjes gereserveerd kunnen worden: wees op tijd aan de zaal (wat leuk om dat te kunnen schrijven trouwens…).
Maandag 8 maart spelen we ‘m ter gelegenheid van de Internationale Vrouwendag. Dat is een besloten voorstelling, waar ik me erg op verheug.

De voorstelling is te koop, als u daarover meer informatie wilt, stuur me een mailtje, dan krijgt u een telefoonnummer van me waar u meer informatie kunt krijgen. Doet u dat trouwens ook als u kaartjes wil: voor de voorstellingen van 27 februari en 7 maart kan ik reserveringen doorsturen aan het productiebureau.

Ik hoop dat Carmen en ik elkaar de komende anderhalf jaar vaak tegen zullen komen aan twee kanten van de spiegel in ‘mijn’ kleedkamer.

In het filmpje de Carmen die mijn voorbeeld was en is, al moet je natuurlijk altijd proberen je eigen draai eraan te geven…. Julia Migenes.

De honderdste

Dit is de honderdste gastcolumn op Stroomopwaarts. Op Vocalies.nl is de honderdste geruisloos gepasseerd, ten eerste omdat ik daar niet tel (dat tellen doet uw hoofdredacteur) en ten tweede omdat ik op Vocalies.nl niet alleen op zaterdag, maar ook wel eens tussendoor bericht over de klassieke muziek in de samenleving”. Maar hier is het de honderdste en dat vraagt om terugblik en melancholie en filosofische beschouwingen…

Deze honderdste wordt geschreven met zicht op een alweer besneeuwde straat en vrieskou die in de lucht hangt. De winter weet van geen wijken en het is maar goed dat er de warmte van de muziek is, anders had ik het allang opgegeven. Ik neem mij ieder jaar weer voor een winterslaap te gaan houden: zo begin november het stro in, en dan lekker door de feestdagen heen slapen en begin maart de strootjes uit je haar plukken en voorzichtig in het zonnetje gaan zitten. Zin om mee te doen?

Deze honderdste wordt ook geschreven aan de vooravond van het (Oeteldonkse) carnaval, waar wij ook dit jaar weer slechts flarden van mee zullen krijgen: de door de wind aangevoerde muziek uit het station alwaar de prins ieder jaar weer met veel tamtam binnengehaald wordt. En dweilorkestjes die (op dat moment nog redelijk nuchter) door de straat marcheren teneinde het drukste stukje Den Bosch (pardon: ?s-Hertogenbosch) te omzeilen en rustig te kunnen marcheren. Er is altijd die ene die al wel in de lorum is die er te laat achteraan komt struikelen en die ons lachsalvo?s ontlokt vanachter het eetkamerraam. Dat is voor ons carnaval, tenminste voor mij, want mijn echtgenoot vat de essentie van het lolbroekenfeest ten enenmale niet en nooit, zo denk ik?.

Een paar weken geleden was er trouwens bij De Wereld Draait Door een leuke discussie over wat de ultieme carnavalshit zou zijn. Ik was gauw klaar: die ligt in de klassieke muziek: het refrein van de grote aria van Barinkay uit Der Zigeunerbaron: “Ja das alles auf Ehr, das kann ich und noch mehr; wenn man’s kann ungefähr, ist’s nit schwer, ist’s nit schwer”, een waarheid zo groot dat ik ‘m niet eens voor u vertaal.

Deze honderdste wordt komt ruim twee jaar nadat ik bij Radio 4 van de Avro voorgoed de deur achter mij dichttrok, buitengewoon verdrietig omdat een hele belangrijke levensvervulling in Hilversum achterbleef. Ik begon mijn website eigenlijk uit verdriet en frustratie en merk nu, bij de honderdste, dat de therapie tenminste voor een groot deel gewerkt heeft: ik kan mijn ei toch kwijt en het is natuurlijk buitengewoon leuk om af en toe fel en ongenadig uit te kunnen halen naar die jongens daar in het Gooi die het allemaal niet begrijpen en uit onvermogen talent laten lopen, omdat het niet in hun beperkte stramien past. Alsof het ze daar in Hilversum ook maar een splinter kan schelen wat ik hier in het Brabantse van dingen vind.

Het doet niet meer zo zeer als in het begin en de tranen schieten niet meer onverwacht naar boven, maar nog wel als ik moe ben en me niet helemaal lekker voel, maar dan ben ik alleen en dan is het ‘mijn ding’ (vreselijke, maar bruikbare term) en daar hebt u dan lekker niks mee te maken. Ik zal er, mede dankzij deze rubrieken, wel mee leren omgaan zo schat ik in: enige zelfkennis is mij niet vreemd.

Deze honderdste komt ook aan de vooravond van een voor mij groot project: de opera Carmen met twee poppen die mij al wonderlijk vertrouwd aandoen als poppenspeler Jan Smeets ze in de hand neemt: ik kijk twee kanten van mezelf in de ogen. Het werkt louterend, maar natuurlijk knijp ik ‘m ook als een ouwe dief voor de uitvoeringen, waarvan wij vieren (de poppenspeler, de pianist, de regisseuse annex ‘dansjuf’ en ik) hopen dat die talrijk in het verschiet liggen.

Zo, en nou heb ik genoeg gefilosofeerd. Ik hoop nog minstens honderd nieuwe columns voor u te kunnen schrijven, hier op Stroomopwaarts en op mijn eigen site: www.vocalies.nl. Volgende week hebben we het weer over dooie componisten en klassieke actualiteiten en ik doe mezelf in het filmpje de ultieme carnavalshit uit Der Zigeunerbaron cadeau, samen met zo’n paar van die meebrallers en gespeeld door iemand die ik zeer bewonder, al was het maar om de jongens in Hilversum een beschaafd schopje onder hun achterste te geven: André Rieu.

En u mag ervan denken wat u wil.

Gefeliciteerd Vocalies: je hebt er honderd volgemaakt!

Cross over??

De Wereld Draait Door heeft het vaak over klassieke muziek en dat vind ik te waarderen. Wat ze aan popmuziek hebben (u weet wel die geweldige, in de vaart der volkeren opgestuwde groepjes die net (of net niet) uit de jeugdpuisten zijn en die nu een cd in de winkel hebben die u en ik vooral onmiddellijk moeten gaan kopen) daar word ik niet warm of koud van. Soms herken ik de kwaliteit, al is het niet mijn genre, maar meestal kijken mijn echtgenoot en ik elkaar eens aan en halen er onze schouders over op. Zelfs wij worden oud…

Ik heb al eens geprobeerd mijn site aan Matthijs te slijten, maar mijn mail verdween in de enorme bak e-mail die DWDD dagelijks over zich uitgestort krijgt en daar heb ik begrip voor. Ik mag Matthijs wel: snelle interviewer met een tamelijk open mind, die iets kinderlijks (dat bedoel ik positief) en iets edels over zich heeft; iets wat je tegenwoordig in het Hilversumse zelden tegenkomt.

Afgelopen week zat Daan Smid er weer eens. Hij is er nogal eens als er iets over klassieke muziek in DWDD zit. Onze nationale knuffelbariton had iets nieuws bedacht, nou ja, nieuws, analoog aan de Brtise tv dan: ‘Popstar to operastar’. Dat programma schijnt daar als een dolle te scoren en dan moeten wij het ook, met onze Nederlandse popartiesten.
Daan en ik hebben iets gemeen, dat schreef ik al eens eerder: we vinden beiden dat (bijna) alle middelen geheiligd zijn om het doel te bereiken: meer ‘gewone’ mensen binnen hengelen in en voor de klassieke muziek. Dat zei Daan ook en ik veerde hoopvol op, om een paar minuten later knarsetandend weer terug te zakken op mijn chaise longue. Poes en Broer waren verschrikt weggestoven en kwamen weer proberen of ze zich dit keer voor langere tijd konden installeren. Het vrouwtje kan ook zo ongedurig zijn…

Daan had twee doorgewinterde pop-artiesten gevonden die bereid waren een ‘ochtendje’ met hem te zingen en vervolgens een (piepklein) stukje uit een aria met piano-begeleiding te zingen. Martin Buitenhuis (Van Dik Hout) en Sanne Hans (Miss Montreal) waren het slachtoffer. Mijn tenen krulden ervan. De dame (nou ja dame) is een fenomenale pop-zangeres, met een heel eigen geluid. Ik hoorde haar haar eigen repertoire zingen en dacht: ja meid, ik hou er niet van, maar het heeft iets.

Opera-zangeres wordt je niet zomaar: ik kan een beetje zingen en mocht er destijds nog 5 jaar over doen om het conservatorium te doorlopen; er werd toen al gemopperd dat dat te kort was en toen ik afstudeerde kon ik nog nauwelijks zingen: de jaren daarna deden de stem op zijn plaats zakken en rijpen. Sanne was verre van nuchter en stelde zich nogal aan; ze bakte bijna niks van het deeltje uit ‘Le nozze di Figaro’, behalve de uitspraak, die was redelijk. Ernst heeft er blijkbaar erg aan getrokken, of ze heeft een flair voor Italiaans. Martin Buitenhuis moet nog minstens tot en met vandaag last hebben gehad van zijn stem, want de hoge noten klonken alsof ze zeer deden in zijn keel en hij keek ook zo…. Maar goed dat de warme bariton van Daan over het gekraak heenrolde anders had u ook last van uw oren gehad.

Wat de amusementswaarde moet worden voor dit programma (daar had Daan het over: amusementswaarde) is me niet helemaal duidelijk. Dat grote sterren als Rolando Villazon (voor wie ik een boon heb en houd) en Meatloaf (een dronken Narcist, die zonder drugs en erg veel aandacht voor zijn pijntjes zijn kunstje niet kan doen) hun naam eraan willen verbinden snap ik niet goed. Goed opera zingen vereist talent, tijd, intellect, een warme invoelende persoonlijkheid, ijzeren zelfdiscipline, doorzettingsvermogen en noem zo nog maar wat eigenschappen op. Ik zeg niet dat popsterren die eigenschappen niet hebben, maar waarom laten ze ons niet gewoon opera zingen en de popsterren doen waar zij goed in zijn: popmuziek zingen? Ieder in zijn waarde. En als je zo nodig wil ‘cross-overen’ (vreselijk woord): haal elkaar in elkaars concerten, maar met het eigen genre. Prachtig concert met De Dijk en Ernst Daniel Smid, of Bløf met Cecilia Bartoli, om maar eens twee volstrekt willekeurige dwarsstraten te noemen. Of haal er ballet bij, poppenspelers (dat ga ik doen met de voorstelling Carmen over Carmen, gauw effe reclame maken), mime-kunstenaars, buiksprekers, wat kan mij het schelen, maar ga niet je stem naar de gallemiesen schreeuwen om slechts ergernis te oogsten, waar je binnen je eigen genre zo (terecht) wel waardering oogst.

Beppe en Vivaldi

Beppe Costa gezien in de documentaire over Vivaldi, afgelopen zondag bij de NPS? (Dit is weer een van mijn befaamde retorische vragen, let er maar niet op…).

Ikke wel en gesmuld heb ik. Acuut verliefd geworden op Beppe, niet om zijn atletische bouw, maar om zijn bevlogenheid, zijn mooie Italiaans en zijn humor. En een beetje omdat ik mijn lievelingsstad in de volle zomer kon aanschouwen, terwijl we hier in de donkere nadagen van de winter zitten. Ik knapte er helemaal van op, van Beppe.

Beppe was op zoek naar sporen van Vivaldi in diens geboortestad, Venetie. Beppe’s hamvraag: hoe kan het toch dat Wenen Mozart ademt en dat je van Vivaldi, die de grootste componist van zijn tijd was, niks terugvindt in Venetië? Het antwoord werd trouwens in hetzelfde uur nog gegeven: Vivaldi heeft op stoffige planken gelegen en kwam pas begin twintigste eeuw onder dat stof te voorschijn. Afgestoft en wel bleken er pareltjes in die bibliotheek in Turijn te liggen.

Een van de pareltjes, het oratorium Judith Triumphans was de rode draad van de uitzending. Het is een ‘all-female product’, dat oratorium: Vivaldi gaf les aan de Ospedale della Pietà, een weeshuis voor meisjes. Hij deed dat met zoveel overgave dat de meisjes niet alleen instrumentaal en vocaal grote hoogten bereikten, maar ook dat er speciaal voor hun geschreven werd. Schrijf maar eens voor vier-stemmig vrouwenkoor, zonder saai te worden, dat valt nog niet mee.

Hij schijnt een luizige priester te zijn geweest onze Toon Vivaldi, (hij claimde de mis niet op te kunnen dragen vanwege astma en hij schijnt ook wel eens ontslagen te zijn geweest omdat hij zijn handen niet heel goed van die meisjes af kon houden, zo beweren boze tongen) maar wat een componist was-ie. Ik heb ademloos zitten kijken en ik zit (nu mét u) te hopen dat er in Turijn nog meer van die mooi pareltjes tevoorschijn komen.

Voor de volledigheid even door het leven van Vivaldi:

Hij werd geboren in Venetië in 1678. Volgens Beppe was hij zo zwak dat de vroedvrouw hem gedoopt heeft en dattie later, regulier, in de kerk nog eens gedoopt werd. Tsja dan moet je wel priester worden, toch? Zijn vader was zelf een virtuoos violist en het verhaal gaat dat als pa niet kon spelen in het orkest van de San Marco, hij zoonlief stuurde en dat dat verder nauwelijks opviel.

In 1703 werd hij priester, men noemde hem il prete rosso (de rode priester),waarschijnlijk vanwege zijn rode haar. Vivaldi werd dus muziekleraar aan het Ospedale della Pietà. De musicerende wezen stegen snel in aanzien, ook in het buitenland; men stuurde schijnbaar muzikanten vanuit allerlei Europese uithoeken naar Venetië om daar hun kwaliteiten een extra boost te laten geven.

Omdat meisjes eigenlijk geen muziek mochten spelen, gaven zij concerten van achter een doek. Voor hen schreef Vivaldi de meeste van zijn concerten, cantates en gewijde muziek. In 1705 werd de eerste verzameling (raccolta) van zijn werk gepubliceerd en er zouden er nog vele volgen. In 1713 kreeg hij de verantwoordelijkheid voor álle muzikale activiteiten in het instituut. Hij stierf op 28 juli 1741.

En omdat ik nog een beetje ruimte over heb nog gauw effe het verhaal van Juditha Triumphans. De Joodse Judith weet de Assyrische veldheer Holofernes te onthoofden (ze zorgt er eerst voor dat hij verliefd op haar wordt, voert hem dronken, om hem vervolgens in zijn slaap (!) te onthoofden). Die gebeurtenis zorgt ervoor dat de veldslag vervolgens door de Israelieten gewonnen wordt. Judith triomfeert! Van die onthoofding heeft een aantal schilders bijzonder bloederige schilderijen gemaakt (met lekker veel rode verf). Ik zag er een paar versies van en ze bleven me mij en nu kan ik ze koppelen aan een muziekstuk.

In het filmpje een deel van het concert dat de aanleiding was voor de documentaire van Beppe Costa. Ik hoor dattie nog veel meer van die leuke dingen gaat maken:

Kroonjuwelen?

De hoofdredacteur was complimenteus in zijn jaaroverzicht van 2009: hij vond het een verrijking dat er iemand ‘zo gewoon’ over klassieke muziek schreef en niet deed alsof het de Britse kroonjuwelen waren. Hij had gelijk en ik was blij met het compliment, maar het zette me ook aan het denken.

Natuurlijk moet je een genre niet verheffen boven de mensheid, dan mis je een heleboel toeschouwers en waarderenden, maar is die klassieke muziek wel zo gewoon? In het leven van alledag wel; ook in alledaagse leven van een klassieke muzikant (die ik hier express muzikant noem en niet musicus). Je studeert en repeteert je suf en je leidt een schizofreen bestaan: ik zei het kortgeleden nog tegen iemand: als uitvoerend artiest wil je twee minuten vóór de uitvoering een miljoen geven als het niet hoeft. Slaagt de uitvoering dan zou je er een miljoen voor over hebben om het nog een keer te mogen doen.

Er is een heleboel gewoons aan ons bestaan (ik schaar mezelf voor het gemak maar even onder de klassieke muzikanten op deze wereld). En toch zijn ook in deze rubrieken termen als: ‘Das gewisse Etwas’, ‘talent’ en ‘magie’ al meer dan eens gevallen. De uitvoeringspraktijk kan geweldige sferen teweeg brengen, maar als je niet uitkijkt ben je niet bestand tegen de druk en bezwijk je eronder, geestelijk en/of lichamelijk. Het is voor mij altijd een dubbel bestaan geweest, ook nu weer, nu we Carmen aan het voorbereiden zijn. Ik werk met vakmensen, verheug mij op alle aandacht en hoogstandjes die er komen gaan, maar lig tegelijkertijd af en toe wakker, want ik weet dat de druk enorm kan zijn en ik wil het graag goed doen; dat ben ik mijn collega’s ook schuldig, evenals mijn publiek.

Toch moeten er manieren zijn om die druk te leren weerstaan. En terwijl ik tussen kerst en oud en nieuw even vrij was (onverwacht) en wat rust in mijn bestaan bouwde en op mijn gemak Vocaliesen zat samen te stellen en om stukkies vooruit te schrijven (het wordt straks druk en ik ben een control-freak: alles moet op tijd klaar en naast Carmen moet het ‘normale leven ook doorgaan), schoot ineens Maria João Pires me te binnen. Die kan met druk omgaan, blokkeert er niet door, weet spanning om te zetten in resultaat.

Wellicht kennen de pianisten onder u het filmpje. Ik had het op You tube in een vloek en een zucht gevonden: er is een repetitie aan de gang, met publiek in de grote zaal van het Concertgebouw onder leiding van maestro Riccardo Chailly, toen nog dirigent van het KCO. Het orkest zet het eerste stuk in en Pires schrikt zich te pletter: dat was niet wat ze afgesproken hadden, voor haar neus ligt een heel ander stuk… Wanhopige kijkt ze naar de dirigent met een blik die maar een ding wil zeggen ‘Stop!!!’

Chailly is druk met het orkest dat de noten na lange tijd weer ziet en merkt in eerste instantie niks. Maar iets van de straling dringt door, hij kijkt opzij en ziet niet wat hij gedacht had te zien: een rustige, afwachtende, zuverlässige Maria. Er volgt een gesiste conversatie, die in dit exemplaar is ondertiteld, dus u mag zelf kijken. Dan zie je Pires in zichzelf keren en zoeken naar een oplossing in een schijnbaar uitzichtloze situatie, ze graaft in haar enorme geheugen en zoekt en vindt de partituur… in haar hoofd.

En tegen de tijd dat haar eerste noten klinken weet ze dat het goed komt. Zonder te blokkeren weet ze haar angsten om te zetten in productiviteit. Ik vind dat van een grootheid die de Britse kroonjuwelen benadert, wat zeg ik: overstijgt. Het maakt haar tot een betere muzikant dan veel van haar soortgenoten. Hoe doet die vrouw dat? Dat zou ik toch zo graag willen weten.

Carmen-journaal

Maandag 28 december 2009. Kerst is voorbij (gelukkig), de donkerste, kortste dag van het seizoen ligt alweer een week achter ons en hoewel de dagen nog niet veel langer zijn: we gaan weer in een opgaande lijn, niet meer in een neergaande.

Op het pleintje vóór de voormalige Azijnfabriek in ons goeie ouwe Den Bosch verzamelt zich een klein kleumend clubje: poppenspeler/regisseur Jan Smeets, pianist/dirigent Carl van Cuyck en ondergetekende, mezzo-sopraan tegenwoordig (staat er op de flyers) en schrijfster van dit stukkie. Mijn hart klopt in mijn keel van louter verwachting en aangename spanning: vandaag gaan de puzzelstukjes in elkaar vallen: een ieder heeft in wisselende samenstelling, maar nooit allemaal bij elkaar het zijne/hare zitten oefenen en vandaag doen we het voor het eerst met zijn allen. Als Jeanne de Vaan zich dan nog bij ons voegt en de beheerder van de Azijnfabriek de poort open en het koffiezet-apparaat aan heeft gezet kunnen we aan de slag: Carmen volgens Carmen gaat een volgende fase in.

In de loop van de ochtend volgt het decor en de pers komt langs voor een foto en een eerste stukkie in de krant. De mensen van het productiebureau rennen binnen en er weer uit, op zoek naar worstenbroodjes voor de hongerige pianist. De poppen komen uit de koffer waar ik ze gisterenavond met bloedend hart ingedaan heb: ik was gewend geraakt aan hun alles- en niets-ziende blik, terwijl ze in ons redactie-kamertje aan de kastdeuren hingen te hangen tot ze tot leven kwamen. Nu moeten ze terug naar hun schepper om de laatste aanpassingen te ondergaan.

Terwijl er met het decor gerommeld wordt (lampje hangt te laag; klemmetjes zijn te stroef, maar het wordt een prachtig decor) nemen pianist Carl en ik de losse endjes nog een keer door. Je ploetert thuis met behulp van CD’s, maar dan weet je niet hoe goed je je partijen kent en kun je je eigen tempo niet aanhouden. Dat kan nu wel. En het lukt.
Stukje bij beetje breien we de losse draden tot een geheel en de overtuiging groeit: we hebben een bijzonder krachtige formule in handen. Goed: de flamenco is nog niet helemaal flamenco en de teksten rammelen en de spelers hebben hier en daar moeite de poppen te laten doen wat de bedoeling is, maar het mechaniek van de betovering van opera komt in beweging.

Ik vind het allemaal geweldig: omdat ieder zijn eigen specialisme meebrengt hoeven we niet te wachten op teutende koren (sorry lieve mensen!) en rammelende orkesten (alweer: sorry lieve mensen), maar kan het tempo hoog blijven en snappen we snel van elkaar wat we willen en bedoelen. En hoewel we hard zijn tegen elkaar en geen tijd verspillen aan diplomatiek ge-ouwehoer weten we ook: het gaat om de muziek en het spel en er wordt nooit op de persoon of onder de gordel gespeeld. Ik ben ’s middags om half vier bekaf maar zit tevreden achter mijn (enorme!) borrel na te genieten van de dag: het wordt goed, het wordt vast goed!

Marylin Horne

Vandaag in 1934 werd sopraan Marilyn Horne geboren. Sommige bronnen zeggen dat ze de 17de geboren is en sommige zeggen dat ze geen sopraan, maar mezzo-sopraan is. Ze is een van de laatste ‘dragonders’ van haar tijd. Mooie, volle vrouw, mooie volle stem. Nu ze wat ouder wordt, wordt ze te zwaar, maar zo’n leven van zware fysieke prestaties leveren en daarna natuurlijk niet zonder eten naar bed, gaat iemand niet in de koude kleren zitten.

Ze heeft mijn belangstelling omdat het haar niet te min was ooit met The Muppets op te treden en omdat ze überhaupt niet vies is van cross-over. Alles om maar mensen binnen te hengelen in ons mooie vak, toch? Ze weet ook wanneer ze op moet houden: haar laatste grote optreden was in Carnegie Hall op haar 66ste verjaardag.

Laten we voor de volledigheid maar even haar (zangers)leven door lopen. Geboren in Bradford, Pensylvania, in 1934. Studeerde zang aan University of Southern California School of Music bij William Vennard. Had nog les van Lotte Lehman, een nóg oudere dragonder in het zangersvak. Ze had een paar optredens in de Verenigde Staten, zong in Venetië (waar ze Igor Stravinsky opviel als een goede zangeres) en waagde toen de sprong naar…. de Gelsenkirchener Oper (of all places!). Maar ze leerde er het vak: je moet aan het begin van de je carrière ergens gaan werken waar je kunt zingen, zingen en nog eens zingen. En als dat dan Gelsenkirchen moet zijn: so be it! Het zou me ook geen ruk kunnen schelen; als je maar ervaring op kunt doen.

In 1960 zong ze daar in Gelsenkirchen magistraal de rol van Marie in Wozzeck en dat kwam de Amerikanen ter ore. Ze haalden haar terug naar The States en vanaf dat moment ging het bergopwaarts. Ze kwam Joan Sutherland tegen (die toen nog geen ‘dame’ was) en de twee werden vriendinnen en zongen waar mogelijk samen (vriendschappen in het vak zijn zeer, zeer zeldzaam). De dames zijn tot op de dag van vandaag vriendinnen.

Horne zong in alle grote operahuizen van de wereld, staat bekend als no-nonsens mens en als een harde werker, als een van de beste Rossini-vertolksters ooit en als een uitstekend pedagoog. Naarmate ze wat ouder werd nestelde haar stem zich in het mezzo-vak, maar haar grote bereik bleef ze houden. Ze geeft nog ieder jaar masterclasses aan drie Amerikaanse universiteiten en ze is nog steeds niet vies van een pop-concert af en toe, zo las ik ergens. Haar stem schijnt het nog goed te doen.

Ze heeft kanker gehad na haar 72ste, maar ook dat heeft ze overwonnen. Dus: to Mrs. Horne: Many happy returns!

Er is een heel leuk filmpje op You tube (mag u zelf opzoeken) waarin ze het even heeft over ‘How to handle Handel’ met twee goeie voorbeelden. Ik zou de countertenor een schop onder z’n reet geven dattie naar voren zou leunen en niet op een been tegen de vleugel zou hangen, maar dat is natuurlijk minder charmant om aan het grote publiek te laten zien. Maar dat leuke Amerikaans van Marylin, tegen die oude, oude titels van Handel is prachtig, net cabaret.

In onderstaand filmpje de opname met The Muppets waar ik het eerder over had.

Jaaroverzicht?

Dit wordt de laatste Vocalies van 2009. Dat noopt tot een jaaroverzicht: ik probeerde de hoofdredacteur ook al aan te zetten tot het maken van zo?n overzicht, maar hij trok er niet erg aan, terwijl hij toch hilarische overzichten weet te maken? Dan ga ik maar aan de bak en maak een overzicht aan de hand van mijn muzikale bezigheden in het afgelopen jaar en aan de hand van mijn agenda en dit weblog.

Januari:
Gauw klaar: ik werd 50, kreeg een prachtige reis naar New York cadeau en werd ?ontvoerd? naar Marken en naar Mario (een prachtige Italiaans restaurant in Neck bij Purmerend). We werden in zangerig Italiaans te woord gestaan tijdens het eten. Het had ook in het Nederlands gekund, maar de ober leek er duidelijk plezier in te hebben dat we hem zonder ondertiteling verstonden en nog in het Italiaans reageerden ook (minder zangerig dan zijn uitspraak, maar toch). Het bord met felicitaties voor mijn verjaardag in het Italiaans erop maakte veel indruk. Ik ben een bevoorrechte middelbare vrouw geworden.

Februari:
Ik begon mijn nieuwe baan. Werd als een koningin ontvangen en gleed bijna vanzelfsprekend de ?moederschoot van de overheid? weer in. Binnen drie dagen was het alsof ik nooit ergens anders gewerkt had. Bijna, nooit ergens anders, want muziek was in eerste instantie ver te zoeken. Dat je een leven kunt leiden zonder, was nooit eerder in mij opgekomen. En dat het leven zonder misschien zelfs makkelijker is al helemaal niet. Maar als er ergens een deurtje dicht gaat, gaat er elders eentje open, dat had ik al eens eerder geleerd. Ineens was er die collega die wel bleek te weten van dat ene akkoord in Don Giovanni en er waren er zelfs die wisten dat Beethoven een componist was en niet de linksbuiten van FC Bayern?< Met het projectkoor van Carl zongen we in een steenkoude kerk in Waalre oud repertoire van Durante en Vivaldi. Maart Ik voer de klassieke kwoot in op de website. Met het doel wat vaker dan één keer per week van me te laten horen… Het gaat even goed, maar sterft dan een voortijdige dood. Het ontschiet me te vaak om er continuïteit in te krijgen. Toch weer es mee beginnen, met die klassieke kwoot… April New York, New York Wat een stad! The Phantom of the opera, Anne Sofie von Otter in Carnegie Hall en Charles Aznavour (dan nog net geen 85 jaar oud…). Need I say more… Mei Trompettist Martijn Zijlmans doet eindexamen aan het conservatorium in Utrecht en ik maak dus een ‘trip down memory lane’. Hij slaagt met een acht en ik fluister hem moederlijk in het oor toch vooral verder te studeren: nog twee jaar lekker alleen met klassieke muziek bezig zijn…. Heerlijk toch?! We nemen de cd op met de Gregoriaanse mis ‘Missa pro matre nostra’(oftewel in het Brabants: ‘Mis voor ons moeder’. Mooi weekend! Juni Ik mag in een panel over de praktijk van de klassieke muziek in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Beetje high brow, maar wel een leuke bijeenkomst en ik kan weer mijn credo beleiden: ‘klassieke muziek is voor Jan en alleman’ Juli We vergaderen in de warmte van de juli-maand voor het eerst over het Carmen-project. Het wordt vast geweldig… Falstaff van Giuseppe Verdi op de Parade in Den Bosch! Geweldige uitvoering las ik later. Ik kon er niet bij zijn. Hopelijk doen ze het in 2010 weer. Augustus Genieten van theaterfestival De Boulevard. Heerlijke tijd in de stad. Goed weer, lekkere potten bier, mooie voorstellingen. Dit jaar geen echte hoogvliegers en ik vind er te weinig klassieke muziek. Misschien mag ik daar in 2010 verandering in brengen door er Carmen te zingen. Ik schrijf een paar leuke zanglessen voor de website. Ze worden nog gelezen ook! September Ellende, want Podplaza, die mijn Vocaliezen host, trekt zonder enige aankondiging vooraf de stekker eruit. Hufterig vind ik het nog steeds, maar mijn frustratie daarover ben ik tot de dag van vandaag niet kwijt gekunnen (wat een vreselijk Nederlands, excuus). Ik mis op een kwade maandagavond ineens alle (meer dan 30!) podcasts en jank een potje. Uiteindelijk komt het goed en wordt het zelfs beter: nu beheer ik ze zelf en ik huur ergens schijfruimte waar ze op staan en u kunt weer lustig downloaden. Vraag me niet hoe het allemaal technisch werkt, dat weet Martijn, die mij bijstaat bij computerellende. We zingen met het projectkoor een concert in Rijsbergen waar zegge en schrijven 23 mensen op af komen. Goed concert, jammer van al het publiek dat niet kwam: die misten dat! Oktober Vakantie in de Piemonte, met overwegend nazomers goed weer en de hele week goed gezelschap. De Carmenrepetities beginnen en het project begint vorm te krijgen. Ik timmer mijn stem binnen het bereik van een mezzo-sopraan en probeer ook de kleur wat donkerder te maken. Langzaam voegt-ie zich. November Ik praat een concert van vriend Carl aan elkaar: The Nicholas Cantata. Prachtig concert; een van de beste concerten van het projectkoor (MET: Möbius Ensemble Tilburg, onthoud die naam) tot nu toe. December: Ik maak kennis met de poppen van Carmen: Carmen zelf en Don José. Het is liefde op het eerste gezicht. Ik krijg mijn vaste aanstelling bij mijn nieuwe werkgever: de overheid. Dat maakt me zowel verdrietig als blij: ik werk er graag, maar de weg naar achter de microfoon lijkt voorgoed afgesloten en de pijn daarover kan fel opspelen, nog steeds, af en toe… Of toch niet: half december belt een lokale omroep: of ik niet bij hen eens per 14 dagen een uur klassieke muziek kan maken, op radio? Het motto voor 2009 was dus: als er ergens een deur dicht gaat, gaat er elders een open. Dat u dat mag ervaren in 2010! En er gezond bij mag blijven!