Paulus in Maastricht

Ik zat deze week te wachten op de zoveelste verlate trein in mijn leven toen mijn oog viel op een mooie poster. Musica Sacra Maastricht, nog tot en met zondag 22 september 2013.

Een totaal-programma: hedendaags klassiek, hele oude klassieke muziek, dans en theater. Richard Wagner zou zich niet om gedraaid hebben in zijn graf, maar tevreden geschurkt: Gesamtkunstwerk, jippie!

Het thema van deze 31ste editie: ?Inkeer, ommekeer en bekering? Ons kabinet zou er naartoe moeten, potdri . . .

Zou het toeval zijn dat ze dit thema gekozen hebben? Of moeten we de muze niet misbruiken voor politieke doeleinden en alleen proberen u binnen te hengelen voor dit mooie festival in een van de mooiste steden van Nederland? Laten we het laatste maar doen, met die regering komt het toch niet meer goed.

Ik scrolde eens door het programma en smulde al bij voorbaat: The Tallis Scholars, het Conservatoriumorkest, de kersverse Philharmonie zuidnederland, Schola Maastricht, het Gesualdo Consort, jammie!

En Radio 4 zendt er een hoop van uit.

Het slotconcert van zondag de 22ste is het oratorium Paulus van Felix Mendelssohn?Bartholdy.

Felix Mendelssohn begon aan het oratorium in 1832, de première was in 1836. Hij maakte een soort samensmelting van scènes uit het nieuwe testament en het oude en voegde daar hymnen en choralen à la Bach aan toe.

Het geheel valt grofweg in twee gedeelten uiteen: de introductie, het martelaarschap van de heilige Stephanus en de bekering van Paulus en zijn doop in het eerste deel en de acties van Paulus na zijn bekering in het tweede deel.

Het werk werd in het Engels vertaald door een vriend van Mendelssohn en wordt net zo makkelijk in het Engels uitgevoerd als in het Duits. Handig hoor: zo kon het werk ook succes krijgen in de VS. En succes kreeg het: tijdens zijn leven kon Mendelssohn daar nog van genieten.

Hoewel de vergelijking met Handel’s Messiah, Bach’s Weihnachtsoratorium en Matteuspassie en zijn eigen Elias makkelijk te doorstaan is, wordt Paulus weinig meer in zijn geheel uitgevoerd en da’s jammer.

In Maastricht doen ze het wel in zijn geheel en niet met de minsten: het Octopus Symfonisch Koor en de historische orkestinstrumenten van Le Concert d’Anvers onder leiding van de jonge Vlaamse dirigent Bart van Reyn.

Het hele oratorium is bij elkaar te sprokkelen op YouTube. Ik koos voor het opladen van het filmpje van het begin. Je krijgt altijd zo’n prettige kriebel in je buik als je zo’n enorm gezelschap ziet staan op een podium, vlak vóór aanvang. En het zal wel aan mij liggen, de opera-ouverture ligt wel héél dichtbij. Bij de inzet van het koor (wat een mupke van een dirigent trouwens…) is het wel weer oratorium: meestal zit er niet zo’n massief koor aan het begin van een opera.

Toch bekruipt me in de loop van het stuk steeds meer het gevoel dat er best een opera van te maken zou zijn… dames en heren regisseurs: een ideetje misschien? Zangers zouden de partij uit het hoofd moeten zingen en afstand moeten doen van dat eeuwige boek, waar ze zich veilig achter kunnen verschuilen (denken ze…).

Hoe dan ook: mooi repertoire en een mooi festival, misschien een pint op het Vrijthof na zoveel moois!

Verdi’s onbekende koning?

Tsja, laat ik het maar bekennen: ik had nog nooit, maar dan echt nog nooit van deze opera gehoord. U? Ik bedoel ‘Un giorno di regno, ossia il finto Stanislao’. ‘Regering voor één dag oftewel de vermomde Stanislaus’ is een vrije vertaling; de Engelsen vertalen het wat handiger en toegankelijker: ‘King for a Day’.
De opera kwam ter sprake aan mijn keukentafel, tijdens een buitengewoon genoeglijk etentje. Ik heb gauw een papiertje gepakt (de vetvlekken zitten er nog op) en de titel opgeschreven. Opzoeken die hap!

Dus wordt dit weer eens een ouwerwets stukkie – over een opera die ik niet kende – in tegenstelling tot de berichtgeving van de afgelopen weken: over festivals en andere actuele ellende…

Giuseppe Verdi schreef de komische opera in twee aktes in 1840, een vroegertje dus. Het stuk ging in première in ‘zijn eigen’ theater: de Scala van Milaan. Hij had net succes gehad met Oberto in 1839 en kreeg van impresario Merelli van de Scala opdracht voor drie nieuwe opera’s. Deze ‘Il finto Stanislao’ was de eerste van die drie en het was geen gelukkig gesternte onder welke ze geschreven werd: in deze tijd stierven zowel Verdi’s vrouw als zijn twee kinderen en de opera mislukte. Verdi was in alle staten en dat moet een understatement zijn. Hij zou bijna opgehouden zijn opera te schrijven, ware het niet dat het libretto voor Nabucco langskwam.

Kijk dat van dat Nabucco-libretto wist ik, maar van Il finto had ik nog nooit gehoord. U merkt dat ik ervan onder de indruk was dat ik dit niet wist: stel je voor, die lievelingscomponist van mij schrijft zomaar nóg een opera zonder dat ik het gemerkt heb!

Verdi schijnt uit de voorstellen die ze deden voor libretti de minst slechte gekozen te hebben, tenminste dat schrijft hij ergens. Lijkt me geen verstandig uitgangspunt voor een opera. Gevolg: de première werd een flop en de Scala schrapte de opera van het programma en legde hem op de plank. Nog een gevolg: Verdi schreef geen enkele komische opera meer tot zijn allerlaatste: Fallstaff.

Verdi zat in de orkestbak bij de première en kreeg dus de kritiek ten volle mee. ‘Ochééérrum’, zouen ze in Brabant zeggen. Hij schreef het debacle toe aan zijn persoonlijke omstandigheden, maar hij had ook pech met zijn zangers: het waren zangers die gewend waren dramatische opera te zingen en komische rollen zingen is een vak apart, heb ook ik ondervonden. La Scala was misschien ook een te grote zaal voor zo’n kleinschalige en subtiele productie en ik las ergens dat de manier van componeren die Verdi bij Il finto hanteerde een beetje uit de mode aan het raken was.

Op andere plekken in Italië deed de opera het trouwens niet onaardig: in Venetië in 1845 ging het best goed (onder de titel die ik hoorde aan de keukentafel: ‘Il finto Stanislao’) en in Rome ging-ie in 1846 en in Napels tien jaar later. In de VS werd-ie in de vorige eeuw hier en daar een keer uitgevoerd, maar een zegetocht zoals Verdi’s andere opera’s werd het eigenlijk nooit.

In het eerste decennium van deze eeuw werd de opera meer en meer uitgevoerd en nam het succes toe. Iemand zei: ‘wat de opera tekort komt aan Belcanto maakt-ie goed aan humor’.

In maart van dit jaar (het is dit jaar tweehonderd jaar geleden dat Verdi geboren werd, vandaar) ging de Sarasota Opera alle opera’s van Verdi uitvoeren en zijn er verbeteringen aangebracht en werd de opera in het Engels gezongen, mwah…

Kort het verhaal: de Poolse koning Stanislaw Leszczyski, is zijn troon verloren en leeft in ballingschap in Frankrijk. Hij laat Belfiore achter, die hem nadoet in Frankrijk, en keert in het geheim terug naar Polen. Er volgen natuurlijk allerlei misverstanden, vooral in de liefde. Ik kan ze u vertellen, maar dan zijn we zo een pagina verder. Kort: als de koning veilig in Warschau is gearriveerd ontheft hij Belfiore van zijn verplichtingen en maakt daarmee de weg vrij voor twee huwelijken uit liefde. Mooi toch!

Ik vond op YouTube toch nog best veel muziek van de opera én was aangenaam verrast. De ouverture is vrolijk, een beetje boers, maar duidelijk Verdi. Dat de man in de grote crisis waarin hij verkeerde dit kon schrijven, ongelooflijk. Er is een grote rol voor de blazers, er zou makkelijk een goed arrangement voor fanfare-orkest voor geschreven kunnen worden. De aria’s zijn misschien nog niet zo ‘uitgewerkt’ als in zijn latere opera’s, maar ik vind ze prachtig. Ik koos voor de korte aria (en koorstukje erachteraan) van Belfiore. De sopraan-aria die ik vond is hier en daar kneitervals en slechter van opname dan deze bariton-aria. U moet de kwaliteit van de opname maar vergeven, het is leuk er zo dicht bovenop te zitten en Marco di Sapia kwijt zich uitstekend van zijn taak. Hij is dit soort rollen gewend, dat zie je zo…

Het Gergievfestival en zijn Maestro

Eigenlijk had ik een stukkie willen schrijven over het einde van de Salzburger Festspiele. Vooral omdat ik hier een tijdje geleden ge-orakeld had dat de kaartjes niet te betalen waren en dat het daarom wel niet zo druk zou worden. Nou niks is minder waar: ja, de kaartjes waren wél duur (ze brachten de lieve som van 29.155.000 euro op, een record, maar er waren – toch – ook heel veel mensen: de zalen waren voor 93% bezet. Kom daar bij een koorrepetitie maar eens om, een bezetting van 93%.

Eva Maria Westbroek zong er de sterren van de hemel als Wagners Sieglinde en La Bartoli heeft er in Salzburg eindelijk voor gezorgd dat Norma (Bellini) eens gezongen werd zoals het moet en dat het publiek eindelijk eens ophield bij de aria ‘Casta Diva’ aan Callas te denken (op één idioot na, volgens Trouw, die na de aria nog even gauw ‘Viva Maria’ – lees Maria Callas – moest roepen)

Tot zover Salzburg; tenslotte is daar het festival voorbij en dit weekend is het Gergiev-festival in Rotterdam.
Hij heeft het toch maar mooi voor elkaar, ‘onze’ Valery; toen hij een paar jaar geleden steeds meer in Rusland ging doen dacht ik: dat duurt niet lang meer en dan zien we hem hier niet meer, maar niks is minder waar: voor de 25ste keer sinds zijn debuut in Rotterdam is hij er weer. En niet alleen in Rotterdam heeft hij het voor elkaar: hij dirigeert ook het London Symphony Orchestra, is gastdirigent van The Met in New York en staat regelmatig in grote theaters de meest prachtige Russische opera’s te dirigeren. Tomeloze energie die Gergiev…

Valery Abisalovitsj Gergiev werd geboren in Moskou, op 2 mei 1953. Hij bracht zijn jeugd door in Vladikavkaz in Noord-Ossetië in de Kaukasus. Hij studeerde in Leningrad aan het Rimski-Korsakov-conservatorium. In 1976 won hij de Berlijnse Herbert von Karajanprijs voor dirigenten.

In 1978 werd hij assistent-dirigent van de Kirov-opera (tegenwoordig Mariinskitheater) en van 1981 tot 1985 was hij hoofddirigent van het Armeens Staatsorkest. In 1988 werd hij hoofddirigent van het Mariinskitheater.

Zijn Nederlandse debuut maakte Valery Gergiev in 1987. Hij dirigeerde het Radio Fiel in een concert in het Concertgebouw. Een jaar later leidde Gergiev vier concerten bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest in de Doelen en hij is er eigenlijk niet meer weggegaan.

Ik heb een vriendin die bij het extra orkest van het Rotterdams Fiel speelde en ik vroeg haar ooit hoe ze het in hemelsnaam voor elkaar krijgt de één bij Gergiev te destilleren (voor de knagers onder u: de één is de belangrijkste ‘tik’ van de dirigent: op de eerste tik van de maat gaat de stok meestal naar een denkbeeldig punt midden vóór de dirigent naar beneden; heel veel duidelijker kan ik het niet uitleggen). Ze keek me aan alsof ik van Mars kwam en knikte heftig: zij had er geen enkel probleem mee en niemand van orkest en koor. Dan zal het wel aan mij liggen dacht ik (die toch heel wat gewend ben bij dirigenten) en schakelde snel over op een ander onderwerp. Ik las ergens: ‘Gergiev’s stijl van dirigeren is zeer expressief. Hij lijkt met de muziek mee te prevelen, en springt af en toe op en neer. Zijn stijl van dirigeren komt het best tot uiting bij grote dramatische stukken’.

Ik weet dat het een beminnelijk man kan zijn en ook een bullebak (als het moet) en ik weet ook – inside information – dat hij glazen wodka kan wegtikken alsof het vierkwartsmaten zijn, maar dit laatste hebt u niet van mij.

Het filmpje is exemplarisch voor wat ik bedoel… en eveneens exemplarisch voor het feit dat het echt aan mij ligt (hoe zou ik ook anders dúrven denken). Hij legt geweldig uit, al is zijn Engels om te jammeren zo slecht. Als hij naar de climax toe dirigeert is het bijna een orgasme, (in de goeie zin van het woord), als de leerling het doet is het hooguit spannend te noemen. Wat een muziek! En het speelplezier van het orkest zegt genoeg: hier is een hele grote aan het werk.
Dus als u naar een voorstelling kunt, gedirigeerd door Gergiev, of het nu binnen of buiten het festival is: Ga!

PS: en als u een opname van Casta Diva kunt beluisteren, gezongen door Cecilia Bartoli moet u het ook niet laten. Ik had de tranen in mijn ogen, en er waren niet eens beelden bij…

Operalia en een kleine Chinees

Opera is niet dood, ze leeft (opera is vrouwelijk denkt u niet?); de klassieke muziek is evenmin dood, ze leeft en Placido Domingo is allerminst dood, hij leeft voort als bariton, getuige een nieuwe CD die hij heeft volgezongen met baritonaria’s (vooral van Verdi, die veel moois voor bariton geschreven heeft). Domingo heeft nog iets uitermate nuttigs gedaan: hij heeft dit jaar al voor de twintigste keer zijn naam verbonden aan een concours, Operalia en in de jury niet alleen zangers gezet, maar ook managers (iiiieeek!), directeuren van operagezelschappen en casting directors (er schiet me niet zo gauw een vertaling voor dat woord te binnen? het Engels sluipt zelfs de opera in), zodat de jongens en meisjes die niet meteen een volwaardige artiest zijn, door kunnen groeien als iemand het talent dat nog niet helemaal tot wasdom is gekomen in ze ziet. Het opera-publiek mag dan vergrijzen, bij zangers kun je je zulks niet veroorloven, stel je voor, die hoge C moet gehaald worden en liefst zonder naar beneden slaand vibrato?

Dit jaar vond het concours afgelopen week plaats, van 19 tot en met 25 augustus in Verona om precies te zijn. Ze kiezen ieder jaar een nieuwe grote stad, zo kom je nog es ergens! Het ontging mij een beetje, te midden van allerlei Persoonlijke Drukte, Grachtenfestivals en Festivals voor Oude Muziek allemaal bewust met hoofdletter geschreven – en de start van het seizoen voor allerlei orkesten en theaters. Pfoe: augustus heeft bijna een overkill aan cultuur!

Domingo’s concours leverde twee belangrijke namen op: een Russische sopraan, Aïda (Aïda godbetert, het is bijna de goden verzoeken….) Garifullina en de handig spellende naam van een Chinese bas-bariton: Ao Li (lekker in 4 letters klaar, zo onthou je de naam!) Ze wonnen beiden een eerste prijs. Mocht u nog meer namen en prijzen willen weten: ga naar hun website. Ze hebben een aandoenlijk filmpje over het concours en het ziet er allemaal heel gelikt uit.
Ik zocht de Russische op, op mijn geliefde YouTube. Nou, die komt er wel, al mag het van mij wat doorleefder. Een plaatje van een vrouw, met prachtige borsten (ik type het zonder enige jaloezie, goed he?) en dito stem… alleen niet zo interessant als de Chinees.

Naar die Chinees moest ik wel effe zoeken, een behoorlijke opname vond ik uiteindelijk bij een uitvoering in het concours zelf, met Domingo als Maestro in de bak. Hij zingt een mij onbekende aria, ‘Ves tabor spit’ van Sergei Rachmoninov uit diens een-akter-opera ‘Aleka’. De lol begint ergens op 1 uur en 27 minuten (mocht u tijd noch zin hebben de rest van de avond te bekijken).

Mijn hemel wat een uitstraling, veel sambal-bij za’k maar zeggen. Ik heb bij Aziaten altijd moeite de emoties te lezen, nou bij deze niet… Hij weet precies wat hij doet en hij kent het repertoire op zijn duimpje, hij hoeft nergens na te denken, het is volkomen organisch. Voor zover ik het kan beoordelen is zijn Russisch perfect. Hij is klein van stuk, je zou hem minstens een decimeter lengte meer gunnen, dit postuur is niet met hakken te stutten.
Kijk hoe hij het hele prachtige naspel de spanning erin houdt en dóór acteert; toegegeven, het is op het randje van larmoyant, maar mij had-ie gevangen!

Ik vertaal het eerste stukje voor u, de hele aria wordt wat teveel voor hier, mijn stukkies zijn toch al zo lang…
Het hele kamp slaapt. De maan schijnt met middernachtelijke schoonheid, waarom trilt dan mijn arme hart? Met welk verdriet wordt het gemarteld? Zonder zorgen of spijt, leef ik mijn leven, nu ik de ketenen van de beschaving heb afgeworpen ben ik vrij. Ik leefde, de kracht van een wreed en blind noodlot verachtend. Maar God, wat speelt passie met mijn ontvankelijke ziel. Zemfira, wat hield ze van me…

Hulde overigens voor Maestro Domingo: hij leidt het orkest en is er voor de zanger, wat een heerlijke combinatie in een dirigent.
Hou hem in de gaten, die kleine Ao Li; een nieuwe bas-bariton? doe mij maar Chinees, any time!

Tristan und Isolde bij de Reisopera

“En toch is daar weer de Nationale Reisopera” zo begint een artikeltje in Trouw van ergens de afgelopen week. Tegen alle stroming in doen ze het toch maar weer, daar in Enschede: in september, alsof er niks aan de hand is: een gloednieuwe productie ‘Tristan und Isolde’ (ik droom er wel eens van dat ik ooit twee Duitse herders bezit en die dan Tristan en Isolde noem, maar dat terzijde…).

De nieuwe directeur Nicolas Mansfield benadert de 3,5 miljoen euro die ze krijgen nu eens van de positieve kant: het is natuurlijk een hele smak geld en je kunt er een heleboel mee. Ze hadden Tristan und Isolde bovendien al op de rol staan voordat de subsidiekraan op een miezerig stroompje werd gezet en dus gaan ze ermee door.

Het koor moet maar achter de bühne en niet erop: scheelt 40.000 euro aan kostuums. Huppekee, waarom zuinig zijn op zangers? Slim is het wel… en ik snap het ook wel, maar toch…
Bovendien heeft hij een club jonge-honden-zangers in vaste dienst en dan ben je ook goedkoper uit dan bekende freelancers moeten invliegen.
Hij zegt ook nog leuke dingen over het wel of niet elitair zijn van opera, hier alleen zijn afsluitende opmerking: “Als je Wagner in je leven toelaat, is dat leven nooit meer hetzelfde”.

Dus maar even over Tristan und Isolde. Misschien wel de mooiste Wagner; het verhaal lijkt een beetje op Romeo en Julia, maar is vooral in het begin anders. Isolde namelijk heeft de moordenaar van haar eerste verloofde net niet met zijn eigen zwaard vermoord, maar teruggehaald van de rand van de dood door hem met haar genezende krachten weer gezond te maken. Tristan heeft haar aangekeken terwijl ze met geheven zwaard boven hem stond en ze werd verliefd op die ogen.
Ze liet hem gaan op voorwaarde dat hij nooit meer naar haar terug zou keren. Nu is hij er toch weer en wel om te zorgen dat ze uitgehuwelijkt wordt aan zijn oom, koning Marke.
Isolde is furieus, maakt een giftig drankje, dwingt hem daar de helft van te drinken en drinkt zelf de rest. Ze gaan echter niet dood, maar worden alleen maar meer verliefd.

Natuurlijk komt koning Marke net aan als Tristan en Isolde nog in elkaars armen liggen en hij daagt Tristan uit voor een duel. Tristan gooit op het moment dat hij de strijd in zijn voordeel zou kunnen beslechten zijn zwaard aan de kant en laat zich dodelijk verwonden. Hij sterft echter niet meteen. Vriend Kurwenal neemt hem mee naar zijn slot en hoopt dat Isolde op tijd is om Tristan nog een keer te redden. Dat is ze eigenlijk wel, maar als Tristan merkt dat haar schip aangekomen is, trekt hij het verband van zijn wonden en laat ze bloeden; Isolde is net op tijd om hem in haar armen te laten sterven.

En dat is nog niet het einde van het drama. Isolde lijkt te bezwijken onder zoveel verdriet. De oom aan wie ze beloofd was arriveert met de meest edele intenties: niet om te vechten maar om Tristan en Isolde te verenigen: een liefde zo sterk, moet je niet bevechten maar eren. Toch wordt er andermaal gevochten: Kurwenal en Melot, de vrienden van Tristan, worden gedood. Met Marke aan haar zijde wordt Isolde nog even wakker, maar alleen om de mooiste aria uit de opera te zingen: ‘Mild und Leise’.

Veel kommer en kwel dus voor de Reisopera om te bezingen. Op 22 september gaat de opera in première in Enschede en gaat vervolgens in Nederland toeren tot eind oktober. Als u kunt ga! Misschien brengt het u een stap dichter bij Wagner en zijn opera’s. Tristan und Isolde is bij verre de meest toegankelijke van Wagner’s opera’s met een plot die nog enigszins te volgen is.
Meer weten: ga naar www.reisopera.nl

In het filmpje een geweldige Waltraud Meier die de mooie aria ‘Mild und Leise’ zingt. Ik moest effe wennen aan haar timbre in het begin, maar naarmate de aria vordert wordt het heller en is ze ook beter te verstaan. Kijk hoeveel dit eist van een zangeres, huiver en heb respect… Ze acteert prachtig, volkomen geloofwaardig is ze eigenlijk al dood als ze dit zingt. Dat wegwankelen aan het einde en dan voluit vallen (het betekent iedere uitvoering weer nieuwe blauwe plekken, want je kunt nog zoveel les krijgen in ‘mooi vallen’, ergens moet je je over geven en moeten je botten de harde vloer van het toneel raken), grote klanken blijven produceren en de onderstroom, die bij Wagner verschrikkelijk belangrijk is, gaande houden. Ik doe het haar niet na en misschien op dit moment wel niemand ter wereld…

Het mooiste is misschien wel het gebaar waarmee dirigent Barenboim aan het einde de orkeststroom indamt en zo de opera eindigt. Ik ben geen Wagnerfan, maar had de tranen in mijn ogen en degene die veel te vroeg ‘brava’ begint te roepen in de zaal moesten ze nooit meer toelaten bij opera’s; hij tettert de prachtige sfeer in één keer kapot. Je ziet Barenboim er bijna van schrikken.

In mijn zoektocht vond ik een bereleuk filmpje met Stephen Fry die het ‘Tristan-akkoord’ uitlegt. Ik wilde dat ik het zo aan u uit kon leggen…

Wandelconcerten?

Omdat ik morgen even geen tijd heb, krijgt u mijn zaterdagse stukkie dit keer op vrijdag en u krijgt er meteen gratis de nieuwste aflevering van de podcasts bij. Aflevering 131 alweer, hoe ik dat toch doe?? Volgens mij kan ik er wel duizend maken, er is zoveel moois te horen steeds? En ik krijg nog steeds hier en daar tips, stel je voor!

We genieten deze week van theaterfestival De Boulevard in Den Bosch, de leukste tijd van het jaar in de stad (nog leuker dan Carnaval Vocalies? Ja, nog leuker dan Carnaval!) Ik kom alleen altijd klassieke muziek tekort, opera is tenslotte ook theater, maar de leiding maakt andere keuzes en daar heb ik me bij neer te leggen?. Gezien het feit dat ze dit jaar met veel minder subsidie toe moeten, hebben ze goed werk verricht, mijn complimenten!

Omdat het 10 augustus in 1895 ook de start was van een wereldberoemd festival in Londen daar maar eens iets over: de Promenade ?concerten, waar sir Henri Woods mee begon, kortweg inmiddels in Engeland ?The Proms?. Een website met informatie vermeldt: ‘(The Proms are) formally known as The BBC Proms, or The Henry Wood Promenade Concerts’. De BBC zal er eens niet met haar neus tussen zitten, wat trouwens een goed ding is, want nu kan de hele wereld ervan meegenieten en kunnen ze in heel The United Kingdom met z’n allen tegelijk ‘O Danny Boy’ zingen.

Acht weken maar liefst (en meer dan zeventig concerten; in 2009 zelfs meer dan honderd!) duurt het hele festival. Ik pik er altijd zo links en rechts wat van mee. YouTube staat er vol mee en het levert heerlijke uurtjes muziek op. Ik probeer vaak vooral naar de Last Night of the Proms te kijken en dan liefst via de BBC. Ik moet altijd erg lachen om die gekke Engelsen, die ik na onze laatste wandeltocht in The Cotswolds voorgoed in mijn hart gesloten heb, en om de speech van de dirigent. Het is een eer voor een dirigent om die laatste avond te mogen dirigeren en hoewel sommigen erg opzien tegen de speech die ze moeten houden, wordt er om die eer gevochten onder ouwe-knarren-dirigenten

De term Promenade-concert verwees in Engeland vroeger naar openluchtconcerten in de parken van Londen, waar het publiek vrij was rond te lopen tijdens het concert, of te picknicken of wat dan ook te doen, als het de muziek maar niet stoorde. Tegenwoordig betekent het dat er vooral staanplaatsen verkocht worden, waardoor je je het als niet zo heel erg rijke Engelsman kunt veroorloven wèl kaartjes te kopen voor de concerten (kom daar bij de peperdure festivals op het vasteland maar eens om, om betaalbare kaartjes bedoel ik).

Als je bij die staanplaats-kaartjeskopers hoort noemen ze je ‘Prommer’ en dat begint een geuzennaam te worden in Engeland, er worden al documentaires over gemaakt, dus dan weet u het wel
Impresario Robert Newman regelde de eerste serie concerten en huurde als dirigent Henry Wood in. Wood formeerde een orkest, het ‘Queen’s Hall Orchestra’ dat de concerten ging begeleiden. In 1902 nam (Duitse) bankier Edgar Speyer de financiering over (da’s nog eens wat anders als dat gegraai van de bankiers van tegenwoordig, wat u!)

In 1914, moest Speyer vanwege anti-Duitse gevoelens het veld ruimen voor muziekuitgevers Chappell & Co. In 1926 stierf Impresario Newman en toen nam Henry Wood het geheel min of meer over. De BBC kwam erbij in 1927 en in 1930 werd het in dat jaar opgerichte BBC Symphony Orchestra het belangrijkste orkest. In de tweede wereldoorlog trok de BBC zich even terug, maar gingen de concerten door. In 1941 werd Queens Hall, waar de concerten begonnen, verwoest door bommen en verhuisde het hele zwikkie naar The Royal Albert Hall.

In 1944 stierf Henry Wood (zijn buste staat ieder jaar op een prominente plaats in The Royal Albert Hall) en nam Sir Adrian Boult het over. Affijn, ik kan u blijven bestoken met data en namen, maar ik sluit het maar af met een filmpje…
Ik weet niet hoe het u zal vergaan bij het zien van het filmpje, maar ik zat te kwispelen van plezier om zoveel ‘tongue in cheek’. Wat zou het toch mooi zijn als we meer van zulke feestjes hadden, ter verbroedering. Vooral als de BBC schakelt door heel Groot-Brittannië en ze overal meezingen krijg ik kippenvel. Ik werd er helemaal blij van en dat gevoel bleef dagenlang bij me… dat gun ik u ook.

Zomerijsje?

Een pastiche van korte berichten dit keer, een soort zomerijsje dus, waarvan ik bij het aanvangen van de week nog niet weet uit hoeveel bolletjes het ijsje gaat bestaan.

Op de eerste plaats is Europe’s First Lady Of Jazz (bewust allemaal met hoofdletters) in het vorige weekend overleden. Daarover hebt u in de afgelopen dagen al zoveel kunnen lezen dat ik er niks aan kan toevoegen. Goed was ze, Rita Reys, een vakvrouw en met een ijzeren discipline. Een draak was ze ook bij tijden, maar ach, da’s leuker dan een dutsel zijn en daken komen verder dan dutsels en hebben een leuker leven. Een carrière van meer dan 70 jaren, wie doet het haar na?

JJ Cale verwisselde ook het tijdelijke met het eeuwige (rotterm ‘eeuwig’ trouwens, vond ook Hans Teeuwen in de eerste aflevering van Zomergasten: ‘Stel je eens voor dat iets eeuwig duurt”, zei hij tegen een wat weerbarstige, niet-voor-humor-openstaande Wilfried de Jong, ‘je moet er toch niet aan denken, eeuwig….’ Ik ben het met hem eens. Je wil tenslotte ook wel eens je rust…
Maar ik dwaal af: JJ Cale dus, ik heb hem niet echt gekend, maar had wel bewondering voor dat gruizige stemgeluid van hem, dat kom je in de klassieke vocale muziek niet tegen, zo’n geluid…

Om te voorkomen dat ik het zoveelste stukkie over dooie mensen schrijf (het is al drie weken achter elkaar raak…) nu maar eens over iets levends: de opera’s van Wagner. Ja, want die leven wel degelijk, vinden ze in Duitsland, waar ze de vieringen rond het tweehonderdste geboortejaar van Richard Wagner aftrappen met een Das Rheingold (de eerste van de cyclus ‘Der Ring Des Nibelungen’) in… een shabby café, annex tankstation langs Route 66.

Ik zat grinnikend de recensie te lezen. Dat Amerikaanse gedoe schoot de degelijke Duitsers natuurlijk in het verkeerde keelgat. De regisseur was zo slim om de tweede opera ‘Die Walküre’ wel min of meer traditioneel aan te pakken. Duitsland slikte zijn ergernis in. Ik had graag eens in de kamer van de nazaten van Wagner gezeten als vlieg, terwijl ze de Rheingold-enscenering met elkaar bespraken. Ik zou genoten hebben, maar misschien ook met één klap mijn dood hebben gevonden, want de erven Wagner houden niet van lastig zoemende vliegen. De twee laatste delen spelen zich of op Alexanderplatz (in voormalig Oost-Berlijn) en op Wallstreet. Ik zou er bijna voor gaan kijken. Ik moet u eerlijk bekennen dat ik nog nooit (ik schaam mij diep, NOT) een hele Ring heb uitgezeten, of zelfs maar het voornemen heb gehad er kaartjes voor te kopen. Errug he?

In De Volkskrant van vrijdag vindt u nog meer Wagner-verhalen, over Bayreuth, dat een beetje zucht en kreunt onder zoveel toeloop rond de Festspiele. Over Angela Merkel, die er rond voor uit komt (let op de woordspeling…) dat ze van Wagner houdt en er nog mee weg komt ook. Over de renovatie-ellende van al die mooie gebouwen in Bayreuth, affijn… Klassieke muziek is niet dood, ze leeft!

In het filmpje een charmante Rolando Villazon die het mooie ‘Mit Gewitter und Sturm aus fernem Meer’ zingt. Zo wil ik ook wel Wagner. Ik hoor iets in zijn Duits. Ik weet dat hij de taal bijna perfect spreekt, maar ik hoor een accentje, maar vind het nog grappig ook…

Geniet van de zomer!

Muziekgeschiedenis en het mooiste lied van Schubert

He, getver, die kranten van deze zomer… Ik heb de tijd om ze te spellen en het is nou al de derde keer dat ik er een overlijdens-advertentie in lees van iemand uit mijn muzikale leven. Ik noem die tijd ook wel eens ‘mijn vorig leven’. Nu ik niet meer dagelijks te maken heb met klassieke muziek en niet meer actief solo zing lijken de tijden dat ik studeerde (van 1985 tot 1990) en de tijden dat ik echt regelmatig zong (daarvoor, tijdens en daarna tot een jaar of drie geleden) uit een andere eeuw te komen, waardoor ik me soms heel oud voel en me soms afvraag of ík het wel was die dat allemaal heeft meegemaakt…

Na zangdocenten Grietje Oudenampsen en (bariton) Udo Reinemann is het nu Otto Hamburg die op 89-jarige leeftijd het tijdelijke met het eeuwige verwisselt. Mooi oud geworden dus en lang gezond gebleven, want een paar jaar geleden had ik hem nog aan de lijn, omdat hij meende op Radio 4 een omissie te hebben gehoord (iemand zal wel iet doms gezegd hebben…). Ja, hij gebruikte dat woord, want hij was er eentje van de wat plechtige, docerende spraak en tégenspraak had hij liever niet; evenmin hield hij van wat de Engelsen ‘idle talk’ noemen (in het Nederlands vrij vertaald met ‘gezwets’). Het deed me toen vreselijk plezier hem te herinneren aan zijn tijd aan het Utrechts Conservatorium, waar ik twee jaar lessen in Muziekgeschiedenis (hier bewust met hoofdletter M geschreven) van hem kreeg en we praatten eventjes. Hij was aangenaam verrast dat ik me hem nog herinnerde en hij was ‘niks nie meer’ de wat autoritaire docent uit de 80-er jaren, eerder een erudiete, hoffelijke oude heer.

Hamburg was legendarisch onder studenten. Hij duldde geen geklets in zijn klaslokaal en hij was niet gewend dat iemand commentaar had op zijn colleges (want dat waren zijn lessen eigenlijk). Aan de LP’s in de schoolbieb kon je precies zien (en horen) of ze ooit door hem gemaltraiteerd waren (“het fragment staat ongeveer hier….” zei hij dan en drukte de naald van de pickup naar de gewenste plek, een snerpende kras als gevolg…). Toen hij de Achtste Gregoriaanse mis op zette (of de Derde, ik haal die twee altijd door elkaar) schoot mijn kindertijd in me omhoog en zong ik uit reflex het Kyrië mee. Ik schrok me op zijn middelbare schools rot:, nou ging hij me buiengooien…. Hij glimlachte, wees naar me en voegde het zangersklasje enigszins autoritair toe: “Daar zit een zanger die de oorsprong nog weet. Dames en heren, hoevelen van u kunnen deze mis meezingen?” Ik bleek de enige.

Hamburg wist veel, heel veel, bijna alles en als je je een beetje aanpaste kon je hartstikke veel leren. Hij heeft een handzaam boekje geschreven (of liever: samengesteld): ‘Muziekgeschiedenis in voorbeelden’.

Ik kan me de omissie waar hij destijds over belde niet meer herinneren, dus het zal wel niet zo’n vaart gelopen hebben; ik legde de telefoon neer met een glimlach en las nu ook met een glimlach de advertentie in De Volkskrant, die begint met de tekst uit een van de mooiste Schubertliederen ooit ‘An die Musik’:

Du holde Kunst, in wieviel grauen Stunden, wo mich des Lebens wilder Kreis umstrickt.
Hast du mein Herz zu warmer Lieb’ entzunden, hast mich in eine bess’re Welt entrückt…

Ik hoef ‘m niet te vertalen toch…? Een beetje liefhebber van de Liedkunst herkent de woorden en zichzelf erin.

Franz Schubert componeerde het lied in maart 1817 op tekst van een gedicht van zijn vriend Franz von Schober. Misschien is de populariteit van het lied zo groot omdat het een hele simpele melodie is, die rustig over de noten meandert, niet al te hoog gaat en daardoor de tekst beter uit laat komen. De linkerhand heeft een stevige baspartij die de zanger goed tegenwicht geeft. Ik hou van stevige baslijnen, je zingt er makkelijker zuiver door. Een jaar of tien nadat hij het lied had gecomponeerd droeg Schubert het op aan zijn vriend, de Weense piano-virtuoos Albert Sowinsky. Deel van de populariteit is ook te danken aan de ijzersterke tekst die zo wáár is dat-ie op een tegel moet. Ik heb in mijn (muzikale) leven vaak steun gehad aan die vier regels tekst (‘An die Musik’ heeft overigens twee coupletten): er zijn momenten geweest in grote nood, dat ik rustig werd en de zaken weer in perspectief zag door de tekst van Schubert’s lied mij voor de geest te halen. En er zijn ook momenten geweest dat vastzittende tranen losgeweekt werden door die prachtige tekst.

Dus als u onderstaand filmpje gaat beluisteren, doe het op een ‘bewaakt’ moment, als het effe kan… je weet maar niet…. En als het gebeurt bedenk: tranen kunnen louterend werken en dat heeft Otto Hamburg geweten….
Ik vond een prachtige uitvoering van bas José van Dam, maar de beelden erbij vond ik wat over the top. Dus uitgeweken naar bariton Bryn Terfell. Zijn dictie is volstrekt natuurlijk, zonder dat ‘gedoe’ dat vaak Lied kenmerkt; een toon hoger dan van Dam, straalt de stem meer. Prachtig!

Het goud van de Rijn

Zomer in Nederland, luwte, eindelijk warm weer, weinig klassieke muziek, veel festivals, maar da’s vooral pop. Van zon doorstoofde wandeltochten in een vol bloeiend landschap of stad. In Utrecht pingelde een pianostudent, die zijn gebrek aan talent moet compenseren met veel oefenen, ons tegemoet uit een van de ramen van het conservatorium, op de Helsedijk bij Willemstad (het buurtschap bestaat echt, ik zweer het u…) kakelde een kip – het hele stuk dat we hem, pardon haar konden horen – bijna precies over een octaaf.

André Rieu die Maastricht aan het feesten krijgt en in de rest van Nederland de tongen van het dédain los maakt . Gelukkig wordt de groep mensen die er niks van begrijpt dat Rieu zulke volksfeesten ontketent met zijn muziek snel kleiner. Vroeger, zo schreef een bijdehante hoogleraar schreven alle componisten ‘voor het volk’ (dat ze term zo durfde te hanteren vond ik al tamelijk arrogant, maar vooruit….). Rieu slecht volgens haar de kloof tussen het volk en de elite. Nou denk ik persoonlijk dat Rieu gewoon de muziek maakt die hij leuk vindt en dat het hem aan zijn reet zal roesten wat de elite ervan vindt, maar…. hij zal in zijn vuistje lachen, gehaaid als hij is: alle publiciteit is prima… Ook negatieve en met dedain vervulde…

Zo hier en daar duiken er projecten op die dan weer wel de moeite van het schrijven waard zijn: bijvoorbeeld de productie van Wagner’s ‘Das Rheingold’ op de Rijn (dus).
Het begon als een wild plan voor het 38ste Lustrum van het Utrechtsch Studenten Concert: met een operaschip de Rijn opvaren van Rotterdam naar Koblenz en dan via Duisburg, Arnhem, Utrecht en Amsterdam weer terug. Onderweg aanleggen en voorstellingen geven.
De MVS Oriana is het grootste overdekte drogeladingschip dat in Europa rondvaart en het kan een orkest, koor, solisten en publiek aan voor een voorstelling van de ‘inleider’ van Wagner’s ‘Die Ring des Nibelungen’: ‘Das Rheingold’(vóór u kwisjes gaat organiseren: de andere drie zijn Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung).

De opera ging in première in München in 1869. Grappig: deze opera was het laatste klaar, omdat Wagner zijn Ring achterstevoren schreef (volgens mij worden detectives ook achterstevoren geschreven, denkt u niet? sorry, zijspoor….). De laatste gebeurtenis in de Ring was de dood van Siegfried.

De nieuwe Tauber?

Podcast-aflevering 129 is klaar en staat in de grote icoon! Gauw luisteren!

Als je dan helemaal niet meer weet waar je stukkie over moet gaan, heb je altijd nog de tenoren?. Daar kun je altijd wel wat over schrijven, die halen nogal wat streken uit, zijn altijd goed voor sensatie en er zijn oneliners te over: tenoren hebben resonantieruimte waar hun hersens behoren te zitten; ze zijn dom (?dum, dummer Tenor? is een bekende Duitse uitspraak?) en verwend en hebben kuren.
Allemaal waar, maar ik ken ook domme sopranen, alten en bassen en verwend zijn is geen voorrecht van tenoren: de meeste westerlingen zijn tegenwoordig tot op het bot verwend, tenor of niet. En kuren hebben is iets algemeen menselijks! Ik heb er ook wel eens last van!

Vandaag in 1924 werd trouwens een tenor geboren: Carlo Bergonzi, hij leeft nog en maakt op de foto’s op internet een tamelijk montere indruk; zingen zal hij wel niet meer doen?

Toch gaat dit stukkie niet over hem, maar over een andere, Poolse tenor: Piotr Beczalan. Die heeft namelijk, geheel in tegenstelling tot de verwachtingen over tenoren, iets slims gedaan: een CD uitgebracht bij Deutsche Grammophone met stukken ooit gezongen door een ander (allang dooie) tenor: Richard Tauber.

Slimme zet, want op zijn website lees ik dat de CD – getiteld: Heart’s Delight – al een gouden was in Polen op de dag dat-ie uitkwam! De jongens van DG zijn goed in publiciteit zoeken, dus daar zal het niet aan gemankeerd hebben.
Wellicht merkt u aan mijn toon dat ik er een beetje badinerend over doe en dat hebt u goed gemerkt. Iets aan de hele publiciteitscampagne hindert me, ik kan niet precies duiden wat. Het komt me misschien allemaal net iets te goed uit, die liefde voor Richard Tauber en de CD bij DG. Deutsche Grammophone is een van de topmerken in de klassieke muziek en ik had misschien iets meer niveau verwacht van die kumpanie. Maar wie ben ik, want het Franse tijdschrift Diapason put zich ook al uit in superlatieven en het Australische Limelight magazine schrijft: ‘de beste tenor voor dit repertoire sinds Nicolai Gedda’.

Beczala gaat een rondje Europa doen om Tauber te eren met de nieuwe CD onder de arm en niet op de eerste de beste plekken: de Domplatz in Linz, het Festspielhaus in Baden-Baden en hij eindigt zijn tour volgend jaar in Londen.
Kom Vocalies, dacht ik, luister eens naar de man, misschien raak je wel verliefd op de stem! Op YouTube staat een promofilmpje voor de CD, waarin hij ook nog in ietwat gemankeerd, maar charmant Duits vertelt over het operettevak en Richard Tauber.

En ik zocht naar zijn Italiaanse repertoire op YouTube, maar, om maar eens in onvervalst Brabants uit de hoek te komen: ‘hij higgetnie’. Het is me te vlak, ik zie te weinig emotie, het gezicht is me te ondoorgrondelijk. En technisch klopt het; hij overstuurt niet, zoals bijvoorbeeld Villazon vaak doet, maar ik word er niet warm of koud van. Doe mij maar Kaufmann, Villazon, Domingo….

Affijn: oordeelt u zelf…. Wat zou u doen: baardje laten groeien, rimpels etsen, het wéér eroverheen laten gaan, het leven???? Een fles drank….??? Ik word altijd door de meest ondeugende gedachten bekropen als ik dat over-bestudeerde gedrag zie.
Ach, wie weet wordt het nog wat met hem. Ik gun het hem… en ons…