Don Carlo

Een luistertip vandaag en een kort stukje, want de hoofdredactie piept (zachtjes) dat mijn stukkies te lang zijn, soms. Ik heb wel eens wat meer woorden nodig dan strikt noodzakelijk. Misschien zit daar wel het bruggetje naar het stukkie van vandaag, want ook in opera gebruiken componisten meer woorden dan nodig, nog veel meer dan ik soms.. Zo ook Giuseppe Verdi, al spant hij niet de kroon.

Don Carlo is misschien niet de bekendste opera van Verdi, wel eentje waar een bijzonder interessante rol inzit voor een bas. De lage stemmen worden in opera meestal niet zo goed bedeeld; in Don Carlo wordt dat in de rol van Filippo, oftewel Phillips de Tweede van Spanje (de opera is historisch geplaatst, zoals veel van Verdi’s drama’s) een beetje goedgemaakt. ‘ Ella giammai m’amo’ (ze heeft nooit van me gehouden) is echt een van de mooiste bas-aria’s ooit; als-ie op het laatst (wel effe volhouden, de hele aria duurt geloof ik iets van acht minuten) zingt ‘amor per me non ha’ (liefde heeft ze niet voor mij), hou ik het niet droog.

Niet iedere bas kan het zingen: je dient je emotie in te houden tot op het allerlaatst, anders haal je de laatste hoge noot niet. Een eenzame man, die Philips, met grote taken en idealen, maar oud en levensmoe. Zijn jonge vrouw Elisabetta is hem trouw, maar houdt niet van hem en wordt gekweld door heimwee en door haar geheim gehouden liefde voor notabene Filippo’s zoon, Carlo.

In een aantal versies wordt de solo van Fillipo gevolgd door een vinnig duet tussen hem en de grootinquisiteur waarin Verdi buitengewoon geraffineerd de conflicten tussen kerk en staat tevoorschijn laar komen door de kerkvertegenwoordiger (de grootinquisiteur) steeds veel hoger (uit de hoogte?) te laten zingen dan de lage baspartij, de staat. Als je effe doorluistert een prachtig stuk opera. Veel plezier.

Ik voeg wat linkjes bij; eentje zonder beeld van de bas Nicolai Ghiaurov (getrouwd met sopraan Mirella Freni en al een tijdje dood). Hij maakt er wel een erg drama van, maar de stem is werkelijk prachtig.

De opname met Yevgeni Nesterenko is erg wollig, maar wel in scène. Ik meen Abbado te herkennen als dirigent en dan zit je wel goed met Verdi. Let eens op het ‘opera-slotapplaus’, waarop Nesterenko niet echt reageert (dat mag ook niet), maar wel zichtbaar aangedaan is.

Knap verslavend dat You tube trouwens: ook de versie van Boris Christoff is interessant; zijn Italiaans is hemeltergend slecht, maar zijn pianissimo op het eind is weer zo ontroerend dat je hem veel vergeeft. En de cellist die de intro zo kraaienvals speelt moet klappen hebben.

En hierna hou ik echt op: een oude opname van het eerder genoemde duet tussen Fillipo en de Groot Inquisiteur. Ik kan hem niet insluiten, maar als u hier klikt kunt u hem horen

Pianisten

Er zijn pianisten en pianisten. Ik heb er niet zoveel verstand van. Over het algemeen kan piano me niet zo boeien. De Mondscheinsonate van Beethoven, ja, die is mooi . . . En veel van Chopin vind ik ook nog wel het aanhoren waard. Maar zodra een piano met een orkest gaat samenspelen is de klank voor mijn oren uit zijn voegen en word ik ibbel. En Bach’s muziek op piano maakt me nerveus omdat mijn geest steeds maar probeert een melodie te volgen en Bach kan meerdere melodieën door elkaar schrijven.

U vindt me arrogant? Ach dat bedoel ik niet te zijn. Ik word heel nederig in de buurt van pianisten. Ze hebben me mijn hele zingend leven terzijde gestaan en ik heb geleerd dat je van ze moet houden, anders kun je niet met ze zingen. Nou hebben de meeste pianisten een tamelijk hoge aaibaarheidsfactor. Tenminste, als ze het in zich verenigd hebben zowel solo als begeleidend te kunnen spelen.

Solo-pianisten zijn vaak sociaal gestoorde maniakken. Dat solistisch en begeleidend in één komt niet zo vaak voor. Sommige pianisten zeggen dat het wel zo is, maar dan ga je met ze aan het werk en dan blijken zìj het tempo te bepalen in plaats van jij en dan blijken ze snel te vergeten dat een zanger hier en daar ook nog moet ademen en dat-ie geholpen dient te worden aan het einde van een moeilijke frase. Wegwezen dus, als zanger.

Het enige dat op de pianisten waar ik mee heb mogen werken (let u op dat bescheiden ‘mogen’?) aan te merken was, is dat ze vaak niet streng genoeg voor me waren. Met uitzondering van eentje, deden ze altijd hun best deze eigengereide sopraan van dienst te zijn. Hetgeen soms tot gevolg had dat ik hardnekkig foute noten bleef zingen, omdat er niemand was die me erop wees… Maar ik ben stapelgek op mijn Piet, Lex, Kees, Hans, Carl, Guy, Eelco, David, Marie-Thérèse, Jan (de volgorde is willekeurig, heren en dame) en de namen van degenen die me ontschoten zijn.

Waarom schreef ik dit ook weer? Oh ja, het jonge Chinese pianowonder Lang Lang en de Nederlandse bariton Ernst Daniël Smid doen op 2 mei mee met het concert dat wordt georganiseerd voor het 90-jarig bestaan van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Ernst Daniël Smid is de gastheer op het verjaardagsfeestje.

Ik houd van het Rotterdams Fiel omdat ze werkgever waren van een van de aardigste bazen ooit die ik had. Helaas overleden, al weer bijna 4 jaar geleden. Lang Lang was ooit de gast op het beroemde Prinsengrachtconcert en bracht klassieke muziek weer wat dichterbij de ‘gewone mensch’ (zou hij ook kunnen begeleiden?) en Ernst Daniel Smid vind ik een groot zanger, leuke man en uitstekend presentator: hij doet net als Lang Lang wat ik zo schromelijk vind ontbreken aan Radio 4 en klassieke programma’s in het algemeen: de muziek dichterbij brengen.

Affijn, hier zijn twee linkjes van Lang Lang.

Eentje waar hij ook lekker gek de muziek dichter bij het gewone leven brengt (hoewel, zijn video-games het gewone leven?)

En eentje waar hij het eerste pianoconcert van Tsjaikovski speelt, ik ben er niet zo weg van, maar het is lekkere muziek en hij speelt het 2 mei ook.

Gregoriaans

Het begon allemaal met het Gregoriaans. Nou eigenlijk begon het veel eerder, toen de holbewoners bij het vuur hun verhalen en liederen aan elkaar doorgaven, maar voor mijn gevoel is het Gregoriaans eigenlijk de eerste muziek.

De noten werden fatsoenlijk opgeschreven, zodat de broeders in het zuiden van de culturele wereld hetzelfde konden zingen als in het noorden, oosten en westen (en ja er waren natuurlijk meningsverschillen tussen de ordes, maar ‘im grossen Ganzen’, lag de notatie eindelijk eens vast).

Ik zie me nog staan op het koor van de St. Gertudiskerk in Maarheeze, met z’n allen de derde mis (of de achtste, daar mag ik vanaf wezen) zingen, uit het grote boek met de vierkante noten op de vier lijnen. Eigenlijk kon ik noten lezen vóórdat ik letters kon lezen.

Vooral dankzij mijn vader die de noten opschreef zodat ik hetzelfde deuntje iedere keer weer kon spelen, op mijn valse Adler blokfluit (ik heb hem nog). Daar begon het en mijn respect voor de Gregoriaanse koorzang is gebleven. Het heeft een bijna therapeutische werking.

Mijn vader zingt nog steeds in een van de weinige Gregoriaanse koren die er zijn in de lage landen. Ik schrijf expres lage landen, want het koor repeteert in de Achelse Kluis in België. ‘Ons pap’ overschrijdt iedere woensdagavond de grens van Nederland naar België om er te gaan repeteren.

Het koor bestaat 40 jaar en viert dat in het komende pinksterweekeinde met een festivalletje in de Kluis. Mijn vader schreef onderstaand stukkie in het programmaboekje dat tijdens het festival wordt uitgereikt. Mocht u in de buurt van de Achelse Kluis zijn, ga er eens even binnen, u zult er gelouterd weer uit komen en… ze tappen er een goeie, eigen gebrouwen pint bier.

“De Mariazaal in de Achelse Kluis is de plek waar meestal onze repetities plaatsvinden. Om precies zeven uur zit iedereen op vier rijen stoelen, ieder op zijn eigen plek. De voorzangers op de eerste rij, zoals dat hoort. Altijd wordt eerst de Heilige Geest aangeroepen met het Veni Creator Spiritus. Alle zeven coupletten in beurtzang.

Als iemand (en dat komt niet vaak voor) wat later is, blijft hij in de gang wachten tot het einde om daarna ook zijn plaats in te nemen. Dat wachten hoeft niet maar hij doet het wel. Uit piëteit? Of discipline? Nee, helemaal niet. Ik geloof dat de sfeer het met zich mee brengt.
We beginnen met een stemoefening waarbij het toontreffen de verjaardagen van de zangers ook nog aandacht krijgen.

De Latijnse uitspraak ondervindt geen probleem aangezien we op dat gebied een paar deskundigen hebben. Door onze dirigent wordt uitvoerig de tekst uitgelegd, zo ook de toonsoorten. Wat voor ons een vlaggetje en een wybertje is, is voor hem een porrectus en een punctum inclinatum.
Voor opvatting van de zang wordt geput uit de nalatenschap van Pater Michael die onze eerste dirigent was.

Een moeilijk stuk dat de meesten nog nooit gezien hebben wordt, nadat we een en ander eerst op noten zingen na een kwartier in zijn geheel al heel aardig ten gehore gebracht. Volledige concentratie is wel vereist. Onderlinge nieuwtjes worden dus bewaard voor de koffiepauze.

Ook als er dan niet gezongen wordt, heerst er een goede harmonie onder de meer dan dertig zangers van twee nationaliteiten die er ook vele kilometers voor over hebben om te komen repeteren.

Na de pauze wordt er weer serieus verder gezongen waarbij een enkele ludieke opmerking nog net geoorloofd is. Het is dan ook gewijde muziek waar we mee bezig zijn.
Kenners van het Gregoriaans weten in welgekozen woorden duidelijk te maken dat deze zang de devotie bevordert, innerlijke rust veroorzaakt en het contact met de hemel bewerkstelligt.

Een gezang of lied met Nederlandse tekst kan daar niet aan tippen. Ook niet die brief met die vlieger van André Hazes.

Tegen negen uur sluiten we altijd met ‘In Manus Tuas….’ (in Uw handen, Heer beveel ik mijn geest). Dat gebed wordt altijd verhoord want om kwart over negen is de Achelse Kluis weer in diepe rust.”

Hier is een linkje naar een filmpje op you tube van gezang van de monniken van Santo Domingo de Silos (dat u niet denkt dat u mijn vader hoort).

Santo Domingo de Silos