Lustigen Weiber

8 maart: wereldpremiere van ‘Die lustigen Weiber von Windsor’. Een van de leukste komische opera’s ooit, geschreven voor Otto Nicolai, een relatief onbekend opera-componist. Hij dirigeerde de premiere zelf, op 8 maart 1849 (hoewel sommige bronnen 9 maart vermelden, maar dan heb ik geen gastcolumn).

De opera is gebaseerd op een verhaal van William Shakespeare en gaat, hoe kan het anders, over huwelijkstrouw (of het ontbreken daaraan). Giuseppe Verdi, een van mijn lievelingscomponisten, gebruikte hetzelfde verhaal als basis voor zijn laatste opera ‘Falstaff’ (de naam van een van de ontrouwe echtgenoten). Verdi was hoogbejaard toen hij de opera schreef, het was zijn laatste. Het slotkwartet ‘Tutto nel mondo `e burla’ (alles in de wereld is een grap) geldt als een van de moeilijkste kwartetten ooit geschreven; ik zou het graag eens zingen. . . Aan niets merk je dat Verdi een oude man was: het klinkt allemaal even fris en oorspronkelijk en hilarisch.

Wat ik wel gezongen heb is de aria ‘Nun eilt herbei’ uit ‘Die lustigen Weiber’. Heerlijk ding: je mag je ongebreideld kwaad maken en je kunt alle registers open trekken. Lekker schelden op de mannen en lekker slechte plannetjes beramen. Je moet wel begeleiding hebben die het kan spelen, want de tempo-wisselingen zijn enorm en je moet natuurlijk wel de vrijheid krijgen om echt uit te pakken.

Op YouTube vond ik twee filmpjes met deze aria. Sopraan Julie Bermel heeft beter door hoe het werkt dan Alexa Cortes (en let eens op de tempo-verschillen!). Er is natuurlijk veel geruis en gerommel, maar het geeft wel een indruk.

Wellicht heb ik u kunnen verleiden beide opera’s eens te beluisteren en liever nog: te bekijken; veel opera-repertoire komt uit op DvD tegenwoordig. Veel plezier.

Rolando Villazon

Eindredacteur AVRO-klassiek bij bureau: ‘Heb jij tijd om naar Amsterdam te gaan en Rolando Villazon te interviewen voor een stukkie op onze website?’ Slik, mijn hart zakt naar de bodem van mijn maag. Rolando Villazon? Dat is toch….? Hij knikt: een aanstormende tenor, met de potentie tot de top vijf van de wereld te gaan horen. Er kan niemand anders en ik weet toch wat van vocaal? Nou dan?

Mijn vocale opleiding zorgt ervoor dat ik zonder trilling in mijn stem vraag: ‘Wanneer? waar?’ Antwoord: ‘Vanmiddag in het gebouw van de Stopera in Amsterdam, je weet wel, bij het Waterlooplein. Wees hem genadig.’

En dus sta ik die middag bij de balie van de artiesteningang. Ik moet eerlijk toegeven: het geeft me een satanisch genoegen ontkennend te kunnen antwoorden op de vraag of ik auditie kom doen. Die frustrerende tijd ligt gelukkig achter mij. Maar ik kom wel voor Rolando Villazon en of ze ergens een kamertje hebben? Liefst met stopcontact voor mijn bescheiden bandrecordertje . . .?

Ik mag in de kamer van de chef-dirigent. Natuurlijk zit ik net onder het bureau mijn stekker in het stopcontact te doen toen hij binnenkomt: klein van stuk, wat ondeugenderig. Mijn ongelukkige pose breekt meteen het ijs. Heel veel gekker kun je er niet bijstaan en niks menselijks is Villazon vreemd.

Het wordt een prettig gesprek. Hij, Villazon, heeft de tijd van zijn leven: een prachtige rol in Don Carlo van Verdi in Amsterdam in de lente, wat wil je meer? Iedere avond na de voorstelling op pad met vrienden; als je jong bent kun je doorzakken en toch de volgende dag weer zingen… Ik vraag en vraag en vraag en hij vertelt en vertelt en vertelt.

Als ik zeg dat ik een hekel heb aan moderne opera-enscenering gaat hij meteen proberen of hij de tenor-aria uit La Traviata zou kunnen zingen terwijl hij zogenaamd een tennisbal serveert, precies op de manier waarop ik het op tv heb gezien. We hebben lol.

Nadat de bandrecorder uit is speel ik mijn laatste troef. Een collega heeft me geadviseerd: vraag hem eens of hij zijn mister Bean imitatie wil doen. Hij lijkt op Rowan Atkinson en hij is meesterlijk. Mijn woorden zijn niet koud of de onderkaak schiet in de bekende overbite en de motoriek werd schokkerig en onhandig. Hij herschikt de papieren op het bureau van de chefdirigent en ik schater. Een top-tien moment in mijn klassieke leven.

Villazon is binnenkort in Nederland: op 28 maart en 2 april zingt hij in het Muziektheater (in hetzelfde theater waar hij dus ooit door die beroemde sopraan geïnterviewd werd).

Klik hieronder voor een link naar You Tube, waar Villazon de mooiste aria voor tenor ooit geschreven zingt: ‘E lucevan le stelle’ (vrij vertaald: ‘Wat zijn de sterren aan het schitteren’)uit de opera Tosca van Giacomo Puccini.

Repetities

Koorrepetities kunnen nogal eens verschillen is mijn ervaring.

Bij het projectkoor, dat zondags repeteert, van tien tot twee in een ‘zaalgelegenheid’ met tap. Om 10.25 uur: in rookwolken en de lucht van verschraald bier: ‘Dames en heren kom nou! Het is al minstens kwart over tiehien! We moeten nog zoveel doehoen. En we zouden niet roken in de ruimte waar gezongen wordt en MAG DIE ACHTERGRONDMUZIEK AF???!!! En waarom zijn er maar twee van de zeventien bassen? Oh, op de camping dit weekend…’

Bij het Brabantkoor, dat ook bij elkaar komt en hele zaterdagen en zondagen repeteert, van tien tot vijf. Om 10.02 uur: ‘Dames en heren, wat heerlijk dat u er weer allemaal bent. Welkom bij dit Mozart Requiem. Het wordt een prachtige serie concerten. Ik wilde om te beginnen er maar even gewoon doorheen slaan… twee, drie, vier…’

Bij het projectkoor halverwege de repetitie: ‘Nee, we pauzeren vandaag maar een kwartiertje in plaats van een half uur, jullie waren al zo laat bij het begin. Sopranen, jullie kijken niet, zodra jullie beginnen te lopen kijken jullie niet meer en je kunt mij toch echt vanaf overal op het toneel zien, als je maar wil. En het is toch echt ‘D`e`e`e is de prins, hoeoeoeoe komt hij hier? in plaats van ‘Dé is de priiiins hoe komt hij hier?’

Bij het Brabantkoor, vlak voor de grote middagpauze: ‘We maken dit deeltje nog even af, dan is dat maar klaar voor vandaag… Tenoren, het zou de goede afloop van het stuk bevorderen als u allemaal in maat 44 een Es zong in plaats van sommigen een E. Doen we het overigens niet voor over…

Bij het projectkoor om twee uur: ‘Kunnen we niet nog even doorgaan, we begonnen al zo laat… O, u moet met de kinderen naar oma, het bos in, de hei op, of terug naar uw luie zondag. Tsja… dank voor uw aandacht en tot volgende week EN DAN BEGIINNEN WE ECHT OP TIJD!!!’

Bij het Brabantkoor heeft de dirigent in zijn eentje vanaf tien uur de repetitie geleid en om vijf voor vijf zegt hij: ‘Kijk dames en heren, het is in maat 14 erg ongelijk. Let op, ik doe es een dansje in plaats van zwaaien, dan zingt u wel gelijk…’ en hij huppelt het koor met zijn houtigere, maar charmante motoriek in een ruk door naar het einde van de moeilijke fuga, inderdaad nu wel gelijk. Om tien over vijf spoedt ieder zich voldaan – ook de dirigent – huiswaarts.

Er waren tijden dat ik zaterdags in het ene koor, als koorlid en zondags in het andere koor, als solist zong. Kunt u zich voorstellen dat ik af en toe schakelmoeilijkheden had?