Moeilijk kwartetten

Pfoe, een moeilijke week deze week: dingen waarvan ik vind dat ik er wat van moet vinden (rustig lezen deze zin; hij gaat kloppen…), maar waar al zoveel mensen wat van vinden; mijn mening (hoe onbescheiden ook….) voegt er niet veel meer aan toe: de dood van Maarten van Roozendaal, een jonge Nederlandse operaregisseur die een belangrijke prijs krijgt, het Belvedère operaconcours in Amsterdam, waar ik al eerder over schreef…

Mijn echtgenoot bracht orde in mijn heen en weer springende gedachten: hij had de hand weten te leggen op de film (regiedebuut van Dustin Hoffman) ‘Quartet’ en van de week krulde ik naast hem op de bank van voorpret.

Die voorpret werd niet helemaal waar gemaakt: het is een aandoenlijke film en vooral voor liefhebbers van de wat traditionele klassieke muziek is-ie een feest van herkenning. Hoffman maakt echter zijn film niet rafelig genoeg: er zijn een heleboel clichés waar je iets mee zou moeten: de eenzaamheid van de diva en de tenor wordt niet echt uitgesponnen, hoe verlaten de blik van (fabelachtig actrice) Maggie Smith ook is. En de beroerte die een van de andere hoofdrolspelers (Billy Connolly) gehad zou hebben ook al niet. De dementie van actrice Pauline Collins wordt hier wel erg Amerikaans geflatteerd weergegeven en het constante zware weer waar de ouderenverzorging (en zeker die van gepensioneerde artiesten) in verkeert komt ook al niet uit de verf. Daar hadden mogelijkheden gelegen, maar Hoffman wilde waarschijnlijk vooral een comedy maken over oudere artiesten en dat is gelukt. Ik vind wel dat hij er zich aan het einde met een Jantje van Leiden van afmaakt… Dat hij zijn acteurs niet kan laten zingen snap ik, de muziek is veel te moeilijk… maar hij had er iets op kunnen verzinnen!

Rode draad in de film is een van de moeilijkste kwartetten ooit geschreven in de opera-literatuur: ‘het ‘Bella figlia-kwartet’ uit Verdi’s Rigoletto. Ik moet er ooit over geschreven hebben, want ik heb er ooit zelf een partij van gezongen. We hadden destijds behoorlijk wat moeite het onder de knie te krijgen en hadden er de harde hand van een opera-fanatieke dirigent bij nodig om de noten erin gestampt te krijgen. Uiteindelijk werd het een van de hoogtepunten van de avond.
Het kwartet wordt in de laatste acte van Rigoletto gezongen. Deelnemers: de Graaf en Maddalena, bij elkaar staand (binnen) en Rigoletto en Gilda (buiten). De Graaf probeert Maddalena te verleiden en Rigoletto probeert zijn dochter over te halen wraak te nemen.

Gilda en haar vader staan buiten (voor zover dat kan in opera dan hè, maar in opera kan alles…) en Gilda hoort de Graaf zijn verleidingskunsten botvieren op Maddalena en is daardoor erg van streek. Dat heeft Verdi heel knap in haar partij verwerkt, die ontreddering. Gilda’s vader Rigoletto voegt haar toe dat huilen niet zal helpen…

De Graaf blijft het proberen bij Maddalena en Rigoletto blijft proberen zijn dochter te ontnuchteren en onder controle te krijgen. Maddalena neemt de Graaf niet serieus, maar lijkt toch toe te geven. Aan het einde zingt de Graaf nog een keer “Vieni!” , maar dan is het een verzoek, geen verleiding meer en Maddalena weet: ze gaat het pleit winnen: de Graaf is voor haar en niet hij, maar Gilda zal sterven door de dolk van Maddalena’s broer. Rigoletto krijgt zijn wraak er niet door en Gilda is alleen maar als in trance: ze zal bijna slaapwandelend haar dood tegemoet lopen.

Wat het kwartet tegelijkertijd razend knap gecomponeerd én razend moeilijk maakt is dat alle stemmen een zelfstandige partij hebben met een daarbij behorende emotie. Ze bezingen dus alle vier iets anders, maar moeten wel goed samen zingen: een uitgesproken solisten-kwartet dus en dat in de letterlijke zin van het woord. Als je teveel naar de anderen luistert vlieg je eruit, en als je te weinig luistert ga je overheersen en krijg je de dirigent over je heen.

Voer voor knagers misschien deze keer: er valt op YouTube veel te genieten, want het kwartet is door veel goeie zangers opgenomen. Ik koos voor de versie van Pavarotti/Sutherland/Nucci/Jones. Beter zingen kan bijna niet, al begint het vibrato van Sutherland in deze opname een beetje naar beneden te slaan. Saillante details: kijk hoe Pavarotti ongegeneerd naar de borsten van Isola Jones kijkt. Ze zijn prachtig hoor, daar niet van, maar ik zou bang zijn dat ze uit mijn hesje zouden floepen… Sutherland is prachtig qua stem, maar veel te fors van gestalte voor de rol en te oud: ze is hier waarschijnlijk ouder dan de man die haar vader speelt: Leo Nucci. Ik koos toch deze opname vanwege de bijna griezelig perfecte zang. Er is ook een mooie opname met Domingo (die dan Rigoletto zingt, een baritonrol) en Grigolo…. Maar daar wordt geplaybackt volgens mij en wat erg wild geacteerd… U kent het devies: zelf surfen!!!!

Een stuk voor iedereen…

Trouwe lezers van deze column hadden het al begrepen: ik was in Salzburg vorige week. In de gauwigheid pikte ik nog een FestspielProgramm 2013 mee. Pas thuis las ik wat er zoal gaat spelen in de weken tussen 19 juli en 1 september, oftewel tussen de uitvoeringen van ‘Die Schöpfung’ van Haydn en ‘Jedermann’ (op 19 juli) en de concertante uitvoering van Nabucco (op 1 september). De cynicus in mij vindt het al grinnikend prachtig dat de laatste aria van betekenis die gaat klinken de waanzins- c.q. sterfaria is van Abigaille.

Die cynicus wordt extra wakker als ik de prijzen zie van de opera’s en concerten tijdens de Salzburger Festspiele. De duurste arrangementen zijn € 540,- (dan krijg je een kaartje voor ‘Die Meistersinger von Nürnberg’ èn eentje voor Verdi’s ‘Don Carlo’); de goedkoopste € 34,- (voor een Kammerkonzert van het gezelschap ‘Capuccons & Friends’). Lieve deugd: ik had me voorgenomen om ooit in mijn leven, als ik een keer geld heb, mijn lief mee te nemen naar de Festspiele en dan in een knappies hotel, lekker eten en een pak met hoge hakken, echte liefde eronder een week lang de prachtigste opera’s te bezoeken. Nou, dan moet ik wel een flinke som in de loterij winnen om te kunnen ‘spendieren’ bij de Festspiele, Wat een prijzen!

Hoe dan ook: ook dit jaar klinken op de eerste dag van de Festspiele de blazers vanaf de hoeken van het kasteel en het gebouw op de Domplatz; zij luiden het allegorisch toneelstuk ‘Jedermann’ in waar ieder jaar de Festspiele mee beginnen. Ik schreef er kort al eens iets over.

‘Jedermann. Das Spiel vom Sterben des reichen Mannes’ is een theaterstuk van Hugo von Hofmannsthal. Het ging in première op 1 december 1911 in Berlijn in regie van Max Reinhardt. Sinds 1920 wordt het stuk ieder jaar tijdens de Salzburger Festspiele uitgevoerd. Von Hofmannsthal richtte mede de Festspiele op, dat feit zal eraan bijgedragen hebben, dunkt me…

Naast Jedermann (die natuurlijk de mens in het algemeen verbeeldt) treden nog op: God, de duivel, de dood, Mammon, het geloof. Jedermann is een rijke man , maar net als iedereen moet hij sterven en dus vervoegt de dood zich bij hem. Niemand wenst samen met Jedermann de reis naar God te aanvaarden, hoe hij ook soebat en met geld probeert iedereen voor zich te winnen. Pas op het allerlaatst bekeert hij zich en kan rustig sterven.

De rol van Jedermann is een felbegeerde rol in het Duits-sprekende gebied. Acteurs vechten erom: je moet een klassiek geschoolde acteur zijn: het stuk is op rijm geschreven en vraagt om wijdse gebaren, een stevig stemgeluid (meestal zijn er geen microfoons op de Domplatz) en een sterk fysiek: je rent je te pletter de hele avond over het zeer grote toneel en je moet de rol een keer of 12 – 13 spelen in drie weken tijd. Geloof me, daarna hoef je een tijdje niet meer naar de sportschool!

Toen ik in 1989 bij de Generalprobe mocht zijn (mocht u dit jaar willen gaan: spoed u naar Salzburg en neem een dikke portemonnee mee; de prijzen variëren van € 101,- tot € 216,- per kaartje) speelde Klaus Maria Brandauer de rol van Jedermann voor het laatst; hij deed het tussen 1983 en 1989. Ik zat ademloos te kijken en heb geen last van de hitte of de wespen gehad. Het was net opera, maar dan gesproken.

Componist Frank Martin schreef trouwens in 1974 muziek op de monologen uit Jedermann, voorwaar een fascinerende compositie, maar het is niet wat ik bedoelde. Ik heb het filmpje opgeladen van een soort van trailor uit 2010.

Overigens wordt Jedermann ook uitgevoerd buiten Salzburg: zo was ik in 1990 bij een uitvoering op een boerderij ergens buiten Salzburg, ik weet niet meer waar (schande!) en op YouTube vindt u ook filmpjes van uitvoeringen elders. Hoewel de term ‘allegorisch toneelspel’ wellicht wat oubollig aandoet is Jedermann nergens gedateerd. Wat is er meer actueel dan de rijke graaiers die door moraal en vriendschap ter verantwoording worden geroepen?. Misschien is dat de manier de topgraaiers tot inzicht te brengen: bind ze vast op de eerste rij en dwing ze te kijken naar Jedermann!

Brief aan Woolfie

Zeer geachte heer Mozart, beste Wolfgang, ’Woolfie’,
Ik was er weer eens, in uw geboortestad: Salzburg. Het was dit keer lang geleden. Er was veel veranderd en ook weer niks. Het was er warm, erg warm, hartstikke warm, sommige van onze hedendaagse, digitale thermometers gaven 38 graden Celsius aan, andere 40.

Het treinstation dat er in uw tijd nog niet was, was alweer verbouwd en hartstikke modern geworden; de laatste keer dat ik er was met de trein was het een donker, ongastvrij hol. Nu is het overzichtelijk en licht, een open, uitnodigende toegang tot de stad.

We dronken koffie en aten Sachertorte (een zoete lekkernij van na uw tijd, uit Wenen afkomstig) in de Mirabellgarten, de ‘achtertuin’ van het Landestheater, dat in oktober 2013 zijn 120 jarig bestaan viert. Het Landestheater staat aan de moderne kant van de stad (ik bedoel aan de andere kant van de Salzach, die snel stromende rivier die u wél gekend moet hebben). Terwijl ik dit typ bedenk ik dat die hele hoek er waarschijnlijk nog niet stond in de 18de eeuw. Dus dat was er óók al niet in uw tijd , pfoe, laten we dan maar eens kijken wat er wél was van uw tijd en gauw de brug over steken.

Twee dingen moet ik nog gauw effe vertellen vóórdat we de voetgangersbrug oversteken naar de Altstadt. Het eerste is dat er een nu wereldberoemde school voor musici staat in het moderne gedeelte en dat die school naar u vernoemd is: het Mozarteum, leuk hè?

Het tweede is dat er in het Marionettentheater (dat een paar deuren verder staat als het Landestheater) uw opera ‘Die Zauberflöte’ gespeeld wordt door… poppen! In 1989 klapte ik me daar de handen stuk voor de voorstelling ‘De Barbier van Sevilla’ van een vakgenoot van u die een jaar na uw voortijdige dood is geboren: Gioacchino Rossini. Ik had toen al niet gedacht ooit door een pop zo gegrepen zou worden dat ik er met tranen in de ogen voor zou klappen, maar het gebeurde. U zou de voorstelling moeten zien: klik op het plaatje hieronder en u ziet een paar fragmenten, aandoenlijk hé?! Ik zong ooit de rol van één van die dames in het blauw…

Kom, de brug over… uw geboortehuis in de Getreidegasse was gauw gevonden: het staat er nog: follow the crowd! Het wemelt er van de mensen, vooral van de Aziaten. We gingen er niet in: te duur, te wam, te druk. Wat vroeger een tamelijk achterafstraatje moet zijn geweest is nu een van de duurste en mooiste winkelstraten van Europa en dat komt vooral omdat uw geboortehuis er nog staat. Ik gaf er even toe aan mijn verslaving: colbertjes kopen (het is een hele mooie geworden, voor van de winter: ‘Trachtenlook’, maar ook weer modern, ook dat is gebleven…).

De Dom is ook van uw tijd. Ik was er toen Von Karajan stierf in 1989 en een ober mij snikkend uitlegde waarom de zwarte vanen uit de huizen bij de Dom gerold werden: ”Der Von Karajan ist g’storben”. Naast de Dom ligt een plein – ook al naar u vernoemd – en daar begon onze wandeling naar het kasteel en – erachter langs – terug naar de Festspielhäuser, ook al naar u vernoemd (al mogen ze de gevel waar uw naam op staat wel eens schoonmaken, foei!). Op een warm terras tegenover het Festspielhaus streken we neer voor een pint en wat eten.

Ik hou van Salzburg; de stad betekent veel voor me. Niet alleen omdat u er geboren bent, maar ook omdat ik er ooit studeerde, er mijn ambitie achterliet ooit een beroemde operazangeres te worden en er mij ‘verloofde’. Mijn echtgenoot en ik kusten elkaar andermaal op de plek waar we dachten 21 jaar geleden onze ringen te hebben omgedaan: hij de mijne en ik de zijne…

En ook dit keer gebeurde er In Salzburg iets significants (om dat vreselijke woord dan maar eens te gebruiken). In het goede gezelschap waarin ik verkeerde (mijn echtgenoot en mijn beste vriendin) besloot ik mezelf nu maar eens ‘genezen’ te verklaren van de deuken die ik opliep in Salzburg en daarbuiten voor wat betreft mijn carrière en andermaal uit mijn comfortzone te stappen om te kijken of ik met die kennis over klassieke muziek wat meer kan dan alleen leuke verhalen vertellen aan de keukentafel, daarover misschien later in deze contreien meer… We klonken er met een ‘Radler’ op, een drankje dat van na uw tijd is: bier en citroenlimonade: het enige dat een beetje de dorst lest op zulke warme dagen.
De treinreis terug naar ons pension is een verhaal apart…

Ik groet je, Wolfgang Amadeus Mozart, je betekent veel meer voor me dan al die verhalen die ik over je korte leven vertel en zelfs meer dan de vele, vele noten die je opschreef voor het nageslacht. Dank je wel!
Kus,
Vocalies

PS1 Sorry voor dat kinderachtige ‘Woolfie’ in de aanhef. Milos Forman maakte ooit een film over je en je vrouw Constanze spreekt je daar aan met een ‘ver-Engelsing’ van je voornaam. Ik moest er destijds onbedaarlijk om lachen… en kon het nu niet laten…

PS2 De ‘Von Trappjes’ zijn ook alomtegenwoordig in de stad… ken je ze? Vooral de Aziaten vergapen zich aan de plekken waar ‘The Sound of Music’ werd opgenomen. Klik op het filmpje hieronder en zie dat vooral het tweede deel van ‘Do re mi’ werd gedraaid op de trappen naar het kasteel en het slot speelt zich af in de Mirabellgarten, waar mijn verhaaltje van vandaag begon…

Een sopraan ouwe stijl: Marta M

Een bevriende pianist attendeerde me op de naam Marta Mödl. Ik had nog nooit van haar gehoord. Hij had bij de Deutsche Oper Berlin een tentoonstelling over haar gezien. Ik het internet op natuurlijk. Een goeie sopraan waar ik nog niet van gehoord heb, dat kan niet. De leemte in mijn kennis is inmiddels opgevuld, dank u en dank Ben!

Marta Mödl werd geboren in 1912 in Nürnberg – December 17, 2001, in Stuttgart). Haar specialiteit waren de hoog-dramatische rollen: Isolde, Kundry en Brünnhilde. Ze was beroemd om haar geheel eigen interpretatie en om haar acteertalent en sinds ik de filmpjes gezien heb kan ik dat alleen maar beamen, een intens actrice en een geweldige stem!

Ze ‘piekte’ in de vijftiger jaren van de vorige eeuw en ze heeft een hele lange carrière gehad. Haar hoogtepunt zou geweest zijn met Brunnhilde onder Wilhelm Furtwangler en met Isolde onder Herbert von Karajan.
Ze begon pas op haar 28ste te studeren (ik was ook een latertje dus voelde ik mij onmiddellijk verwant). Ze debuteerde met de rol van Hansel in 1942; daarover vertelt ze heel leuk in het interview. Daarna plande ze zorgvuldig de zwaarte van de rollen en groeide ze door naar het Wagneriaanse repertoire
Wieland Wagner, een van de nazaten van Richard, hoorde haar zingen en haalde haar naar Bayreuth in 1951.

In de zestiger jaren begon het zingen van al die dramatische rollen zijn tol te eisen en ging ze meer mezzo-rollen zingen: Klytemnestra in Elektra, Ruth in een Duitstalige versie van Gilbert and Sullivan’s The Pirates of Penzance en in 1970 zong ze in The Rise and Fall of the City of Mahagonny in Keulen.

Vanaf de zeventiger jaren werden het karakterrollen; de rol van de Gravin in Pique Dame speelde ze nog op haar 87ste! Ze durfde oud en lelijk te zijn en dat bewonder ik zeer in een mens; de ijdelheid voorbij!
In 1998 kwam er een boek over haar: ‘So war mein Weg’. Tot vlak voor haar dood heeft ze gezongen en, al werd het steeds meer ‘spreek-zingen’, de intensiteit bleef.

Ze is nooit getrouwd Marta Mödl. Ze bleef bij haar moeder wonen tot diens dood in 1989. Zelf stierf ze in 2001.

In het filmpje (nou zeg maar ‘film’: het geheel duurt meer dan een uur) een lang interview met Mödl. Heerlijk hoe ze van prachtig Hoch-Deutsch af en toe vervalt in haar streek-tongval ( ik schat ergens midden- tot zuid-Duitsland…) en dat rolletje in dat haar, geweldig; voorwaar een operazangeres oude stijl, maar zonder spatjes. Als u het Duits niet verstaat: scroll effe door het interview heen; het is gelardeerd met de meest prachtige opnamen, die ik los niet vond op YouTube.

Een sopraan ouwe stijl: Marta Mödl

Een bevriende pianist attendeerde me op de naam Marta Mödl. Ik had nog nooit van haar gehoord. Hij had bij de Deutsche Oper Berlin een tentoonstelling over haar gezien. Ik het internet op natuurlijk. Een goeie sopraan waar ik nog niet van gehoord heb, dat kan niet. De leemte in mijn kennis is inmiddels opgevuld, dank u en dank Ben!

Marta Mödl werd geboren in 1912 in Nürnberg – December 17, 2001, in Stuttgart). Haar specialiteit waren de hoog-dramatische rollen: Isolde, Kundry en Brünnhilde. Ze was beroemd om haar geheel eigen interpretatie en om haar acteertalent en sinds ik de filmpjes gezien heb kan ik dat alleen maar beamen, een intens actrice en een geweldige stem!

Ze ‘piekte’ in de vijftiger jaren van de vorige eeuw en ze heeft een hele lange carrière gehad. Haar hoogtepunt zou geweest zijn met Brunnhilde onder Wilhelm Furtwangler en met Isolde onder Herbert von Karajan.
Ze begon pas op haar 28ste te studeren (ik was ook een latertje dus voelde ik mij onmiddellijk verwant). Ze debuteerde met de rol van Hansel in 1942; daarover vertelt ze heel leuk in het interview. Daarna plande ze zorgvuldig de zwaarte van de rollen en groeide ze door naar het Wagneriaanse repertoire.
Wieland Wagner, een van de nazaten van Richard, hoorde haar zingen en haalde haar naar Bayreuth in 1951.

In de zestiger jaren begon het zingen van al die dramatische rollen zijn tol te eisen en ging ze meer mezzo-rollen zingen: Klytemnestra in Elektra, Ruth in een Duitstalige versie van Gilbert and Sullivan’s The Pirates of Penzance en in 1970 zong ze in The Rise and Fall of the City of Mahagonny in Keulen.
Vanaf de zeventiger jaren werden het karakterrollen; de rol van de Gravin in Pique Dame speelde ze nog op haar 87ste! Ze durfde oud en lelijk te zijn en dat bewonder ik zeer in een mens; de ijdelheid voorbij!
In 1998 kwam er een boek over haar: ‘So war mein Weg’. Tot vlak voor haar dood heeft ze gezongen en, al werd het steeds meer ‘spreek-zingen’, de intensiteit bleef.

Ze is nooit getrouwd Marta Mödl. Ze bleef bij haar moeder wonen tot diens dood in 1989. Zelf stierf ze in 2001.

In het filmpje (nou zeg maar ‘film’: het geheel duurt meer dan een uur) een lang interview met Mödl. Heerlijk hoe ze van prachtig Hoch-Deutsch af en toe vervalt in haar streek-tongval (ik schat ergens midden- tot zuid-Duitsland…) en dat rolletje in dat haar, geweldig; voorwaar een operazangeres oude stijl, maar zonder spatjes. Als u het Duits niet verstaat: scroll effe door het interview heen; het is gelardeerd met de meest prachtige opnamen, die ik los niet vond op YouTube.

Een mooi sopraanstukkie…

Ik wilde het met u hebben over een van de mooiste sopraan-‘stukkies’ ooit: het ‘Et incarnates est’ uit Mozart’s Grote Mis in c kleine terts.

Therapeutische muziek. Ik zat vorige week in de auto toen het gedraaid werd. Ik vond het bijna jammer dat ik midden op de snelweg zat en de auto niet even stil kon zetten en ik nam me ter plaatse voor als ik thuis was het stuk op te zoeken en nog een keer te draaien; ik kwam gelouterd uit het drukke verkeer op de A2. Tijdens de vergadering waar ik naar onderweg was vergat ik het weer en werd ik weer opgenomen in de maalstroom die Leven heet. Het weekend was vol van andere muziek (variërend van de opera Tosca tot de hit van (een niet helemaal nuchtere) Bonnie StClaire ‘Dokter Bernard’. Voor het geval het u ontgaan was: beide stukken waren te horen in Tilburg. Het één in de Stadsschouwburg en het ander ergens in de stad.

Dus raakte het ‘Et incarnatus est’ weer op de achtergrond tot het maandagochtend weer in mijn geest floepte, gelukkig. Ik kan wat dat betreft blindelings op mijn geest vertrouwen: een eenmaal gesignaleerd muziek stuk waarbij ik de oren gespitst heb komt altijd terug…

Mozart schreef aan zijn vader ergens vroeg in 1783 dat hij een mis wilde schrijven waarin hij zijn toenmalige verloofde Constanze als zijn vrouw naar Wenen wilde brengen. Het werd deze mis, waarin zijn vrouw bij de première in Salzburg op 26 oktober 1783 de solo’s zong. Inmiddels woonde het paar al in Wenen, maar ze waren effies op bezoek in Salzburg, bij de zus van Mozart (net mensen met zussen en broers en zo, die componisten…)

Bij de première waren alleen het Kyrie, Gloria en Sanctus klaar en het is nooit helemaal afgekomen; na de aria ‘Et incarnatus est’ is de rest van het Credo blanco en het hele Agnus Dei ontbreekt. Maar mooi, de rest, mooi!
Er zijn een aantal componisten na Mozart die het werk hebben afgemaakt maar dat is voor dit stukkie niet belangrijk; ik loop met u door de aria.

De tekst:
Et incarnatus est de Spiritu Sancto
Hij heeft het vlees aangenomen door de heilige Geest
ex Maria Virgine. Et homo factus est.
uit de Maagd Maria en is mens geworden.

In het filmpje een opname met sopraan Arleen Auger, gedirigeerd door een van mijn favoriete dirigenten, Leonard Bernstein (‘Lenny’ voor vrienden…).

Het voorspel is al meteen raak, prachtig die tweestemmigheid in de blazers en kijk hoe Bernstein niet alleen met de stok maar ook met de ogen zijn musici de inzetten aangeeft. D’r is nog geen noot gezongen en ik zit al in vervoering. En die mooie lange lijnen en prachtige melodieën, zijn tijd ver vooruit is ‘Woolfie’ hier….Hoe gemakkelijk ‘glijdt’ de stem van Auger hier de muziek binnen. Zo getimed, zo zonder gedoe, zonder flauwekul. Hoeft ook niet, de muziek doet alles. Je hoeft niet te sperren met je mond in de hoogte, als je techniek maar goed is…. Hoor hoe mooi ze samenwerkt met de blazers, Ze zingt ze eens voor, zij spelen haar eens voor. Mozart heeft dit geschreven voor iemand waar hij dol op was, zoveel wordt duidelijk. De camera ‘vangt’ ook mooi de drie hoofdrol-blazers: fluit, hobo en fagot. En die ademhalingstechniek van Auger, fabelachtig!

Let op de coda: op de eerste plaats zie hoe ver Bernstein vóór is op het orkest en volstrekt logisch: da’s dirigeren jongens, niet achter het orkest aan, maar zelf het initiatief en daar zit de kunde van een dirigent. Daar kunnen ze bij het AVRO-vehikel Maestro meer beter eens naar kijken voor dat ze weer een seizoen van die dommigheid gaan etaleren…

Eerst zet de hobo in, dan de sopraan, een terts hoger. Dan komt de hobo weer met een inzet, weer wat hoger alsof hij in wil halen. Dat gaan ze ‘vlechten’, en zuiver, zo zuiver…
En die brede grijns op het gezicht van Bernstein; zo tevreden… Soms is klassieke muziek ook leuk om naar te kijken.
Je maakt mij niet wijs dat niet iedereen met een beetje hart en smaak in zijn donder dit niet mooi vindt, nogmaals: therapeutische muziek.

Ik vond een opname met Gardiner (dirigent) en Barbara Bonney, sopraan met oude instrumenten begeleid. Doe mij maar de combinatie Bernstein – Auger, in het voorspel is het met die oude instrumenten voor mijn oren al tegen de toon. En Bernstein’s tempo bevalt mij ook veel beter.

En er is een mooie met Miah Persson, waar je mooi kunt zien hoe haar borsten de jurk vullen als ze inademt (of ben ik nou banaal….?)

Drie sopranen in de dop

De Wereld Draait Door deed in zijn (of is het haar?) laatste week mij nog even een plezier met vocale klassieke muziek. Op dinsdag zaten er ineens drie pronte sopranen bij Matthijs aan tafel; ze gaan meedoen aan het Belvedère-concours. Een concours dat als regel in Wenen plaats vindt, maar nu ineens naar Amsterdam verplaatst is.

Tussen 29 juni en 6 juli kunt u daar veel moois horen. De finale is in de Stopera en wordt begeleid door een heus orkest (dat schijnt in Wenen nooit gekund te hebben, hetgeen uitermate vreemd is).

Overigens heet het concours officieel: 32nd International Hans Gabor Belvedere Singing Competition 2013. Een hele mond vol, je zou er zo een zangoefening van kunnen maken.

Wat ik een beetje apart vind is dat er niet een (maar dan ook niet één) zanger in de jury zit. Het zijn allemaal intendanten of aanverwante artikelen. De tijden veranderen… Tegenwoordig moet je je in de kijker spelen van intendanten en theaterdirecteuren wil je kans maken op een carrière.

Er is straks ook nauwelijks prijzengeld te winnen, het gaat vooral om werk winnen. De kans om op te treden aan de grote operatheaters. De druk op zangers wordt almaar groter… En ook mijn sympathie verlegt zich: ik heb groot respect voor mensen die om kunnen gaan met die druk van presteren, soms meer respect voor die kwaliteit dan voor de mooie stem… Foei, Vocalies!

De drie dames sopranen die in DWDD zongen zullen er wel komen, al vond ik ze nog niet alle drie even ‘klaar’ om de grote zangwereld in te stappen.

Maartje Rammeloo was (hoewel wat ingehouden, laat het los meid, laat het los!) nog het meest overtuigend met een stukkie uit de aria ‘Il mes semble parfois’ uit Iwan IV van George Bizet. Ik had nog nooit van de opera gehoord, dus ik heb ‘m eens opgezocht. Het gaat om een vijf-akter, die een bizarre geschiedenis heeft gehad.

Omdat Bizet de opera niet uitgevoerd kreeg besloot hij delen ervan te gebruiken in een latere werken. Ik kom later eens op dit werk terug, het werd pas in 1951 echt uitgevoerd.

Priscilla van der Feen wist zich sprekend beter te presenteren dan zingend, een van de loopjes in haar aria uit Mozart’s Mitridate vloog uit de bocht en ook de zenuwen waren niet onder controle. Dat resulteert dan weer in maniertjes en da’s weer slecht voor het image van opera.

En Petra Stoute zong zo’n klein stukkie uit Romeo en Julia dat ik er niet uit af kon leiden of het wat zou worden.

Maar ach, het zijn jonge blommen en ze hebben nog even, het zal wel goed komen. Hopelijk genieten ze ook een beetje van het concours en het zingen, da’s meestal de beste remedie tot goed zingen: zo los zijn van je techniek en de noten dat er ruimte over is om ervan te genieten. Dat wens ik ze toe. Het is mij nooit gelukt…

Op de website van DWDD vindt u vast nog wel het filmpje voor dit item.

Zegetocht met de mooiste aria’s ooit

Puccini’s opera Tosca is aan een zegetocht door Nederland begonnen. Die begon in Eindhoven afgelopen zaterdag en eindigt in het Concertgebouw in Amsterdam met een concertante uitvoering op 1 juli. Ik schrijf er nu maar alvast over, dan kunt u tijdig kaarten reserveren.

Het zit zo: de subsidie-ellende heeft ook bij Opera Zuid toegeslagen. Met ingang van het volgend seizoen doen ze nog maar twee opera-producties per seizoen en voor het koor zijn ze bij deze Tosca aangewezen op de betere amateurkoren in de stad waar ze de opera uitvoeren.

Een bewerkelijk idee, maar hopelijk gaat het allemaal lukken, want het is voor amateur-zangers een uitgelezen moment om eens bij een live-opera te zijn. Je moet er wel wat voor over hebben natuurlijk: de drie koorstukken die in Tosca zitten moet je uit het hoofd mee kunnen zingen en je hebt een paar regie-aanwijzingen op te volgen.

Hieronder kort het verhaal van Tosca. Ik ken het uit mijn hoofd, want Tosca hoort bij mijn lievelingsopera?s, maar ik heb voor dit stukkie de site van Opera-zuid even geplunderd; omdat dit plot op hun site staat zal het het dichtste bij hun uitvoering komen.

Ik las ergens dat de regisseur er nog een bijrol (de markiezin Attavanti) bij verzonnen heeft, die niet echt kant of wal raakt, als ik de recensent moet geloven, maar dat merkt u vanzelf als u gaat kijken.

U hebt geluk trouwens, want in Tosca zit zowel de mooiste tenor-aria als de mooiste sopraan-aria ooit, respectievelijk ?E lucevan le stelle? en ?Vissi d?arte?. (De tenor heeft trouwens nog een mooie aria ?Recondita armonia?) Het wereldberoemde Te Deum aan het einde van de eerste acte (schrik niet: het kan zijn dat Opera Zuid besluit dat er nog net geld genoeg was om de voorgeschreven kanonschoten te laten klinken) is kort, maar echt geweldig.

En ik ben heel benieuwd wat ze met de slotscène gaan doen. In het origineel springt Tosca van het dak van Castel Sant’Angelo (in Rome; het staat er nog, ik ben er een paar keer geweest en heb voorzichtig over die rand gekeken: als je daarvan afspringt val je zeker dood).

Die sprong in het zwarte diepe heeft menig sopraan de stuipen op het lijf gejaagd en een beroemde sopraan is in The Met ooit naast het vangnet gesprongen en heeft daarbij alle botten gebroken die ze te breken had…

Rome zucht onder de gewelddadige hand van de politiechef Scarpia. De voormalige consul van de stad, Cesare Angelotti, houdt zich voor hem schuil in een kapel, waar de schilder Mario Cavaradossi werkt aan een schilderij van de Madonna. Zijn geliefde, de gevierde operazangeres Floria Tosca, zoekt hem daar op, en ontdekt per toeval Angelotti’s schuilplaats. De schilder bezweert haar zijn vriend niet te verraden.

Scarpia heeft zijn zinnen gezet op Tosca. Hij neemt Cavaradossi gevangen en martelt hem om hem Angelotti’s schuilplaats te ontfutselen. Cavaradossi weet vol te houden, maar wanneer Tosca haar geliefde hoort kermen onder de mishandelingen, slaat ze door en vertelt Scarpia alles.

Scarpia belooft haar Cavaradossi te sparen, als zij voor één uur de zijne zal zijn. Cavaradossi zal dan slechts voor de schijn geëxecuteerd worden, om Scarpia voor gezichtsverlies te behoeden. Tosca stemt met zijn voorstel in, maar wanneer Scarpia zijn beloning opeist, steekt zij hem met een dolk neer.

Cavaradossi wacht het executiepeloton op de Engelenburcht. Tosca ziet de voltrekking met een gerust hart tegemoet – het is immers maar schijn? Maar wanneer Cavaradossi na de geweersalvo’s levenloos op de grond blijft liggen, wordt Tosca duidelijk dat Scarpia haar gruwelijk verraden heeft: haar geliefde is dood.

Wanneer de wachters komen om haar te arresteren voor de moord op Scarpia, ziet zij nog maar één uitweg. Ze springt van de burchtmuur, een zekere dood tegemoet.

In het filmpje het Te Deum aan het einde van de eerste acte, met in de rol van Scarpia de specialist in het zingen van slechterikken: Bryn Terfel. Geweldig! Het is een zware rol voor een bariton; hij moet met zijn timbre, dat veel minder penetrantie heeft dan dat van sopranen en tenoren zien dóór te prikken door vol orkest en koor. En Terfel heeft geen grote stem, maar wel: techniek!

Het lukt hem en volkomen geloofwaardig. Grappig is ook de tegenstelling tussen zijn tamelijk geile tekst (hij heeft het over Tosca’s ‘spasmen van liefde’ als ze in zijn armen zal liggen; nou u en ik weten donders goed wat daarmee bedoeld wordt) en de religieuze tekst van het koor: “Lof zij de heer, aan wie hemel en aarde toebehoort”.

Er is ook een geweldige opname met Raimondi, maar die is wat traditioneler. Affijn, zelf maar weer surfen!

Wagner, de Nazi’s en de Rheinoper

Het wordt operaliefhebbers in Düsseldorf niet gemakkelijk gemaakt. Ze kregen vorige week een première voorgeschoteld van Tannhäuser van Richard Wagner die zo gruwelijk was dat sommige mensen er letterlijk van over hun nek gingen.
Prompt trok de directie van de Rheinoper de productie terug. De regisseur was niet te vermurwen: zoals hij het gedacht had moest het en niet anders. Nou was er aan zijn versie waarschijnlijk ook niet te sleutelen zonder die helemaal af te breken. Zijn benadering van de opera was zo radicaal anders dan die van de componist dat er niks aan bij te stellen viel: het was slikken of stikken.

Ik zat hoofdschuddend het artikel in de Volkskrant te lezen. Ze leren het ook nooit, dacht ik, die eigenwijze draken van regisseurs. Ik ben niet de meest vooruitstrevende zangeres, maar ik kan goed tegen nieuwe richtingen, mits ze verantwoord zijn en recht doen aan de productie.

Die arme Richard Wagner heeft de nazi-ellende aan zijn kont hangen (niet helemaal onterecht hoor) en komt daar maar niet vanaf. Hij had gemengde gevoelens over Joden (en voortdurend schulden bij de Joodse bankiers, dat dan weer wel). Zijn tweede echtgenote Cosima was echter veel hardvochtiger over Joden. Adolf Hitler hield van Wagner’s muziek. Daar kan die arme Richard ook al niks aan doen. De nazaten van Wagner staan niet bekend als erg vrijdenkend, maar ik heb ergens gelezen dat ze wel hun grootmoeder het huis uit hebben gezet omdat die steeds maar lovend over Hitler bleef spreken.

Ik wil niet bagatelliseren, maar misschien moeten we eens ophouden Wagner’s muziek constant te willen koppelen aan anti-semitisme en zijn muziek als een op zichzelf staand fenomeen zien. Als je dat doet wordt de enscenering van regisseur Kosminksi nog belachelijker en het feit dat hij geen water bij de wijn wilde doen minstens even extreem als Wagner’s denkbeelden, zo niet extremer. En de jongens van de directie van de Rheinoper hadden dit debacle natuurlijk al maanden van te voren moeten zien aankomen. Het getuigt van een grenzeloze naïviteit dat deze enscenering zelfs maar de première haalde. Het zal me een geld gekost hebben, dit debacle, om van de schade aan de reputatie van de Rheinoper nog maar te zwijgen. Ze gaan de opera wel doen, maar alleen niet-scenische uitvoeringen.

Tannhäuser gaat over de keuze tussen de zinnelijke en de verstandelijke liefde. Wil je er een nazi-spektakelstuk van maken, dan moet je ver verwijderd raken van de oorspronkelijke compositie.
Belangrijkste thema is de rebellie van Tannhäuser, die zich eigenlijk wil overgeven aan zinnelijke lust, maar dat niet echt kan door zijn religieus ingestelde verstand. De zinnelijke liefde waar hij bij Venus genoeg van krijgt, mist hij bij Elisabeth. Als hij zich tijdens een zangtoernooi op de Wartburg tot een lofzang op de zinnelijkheid laat inspireren, wekt hij de woede van de andere aanwezigen, waartegen alleen Elisabeth hem kan beschermen. Op een pelgrimstocht zal hij boete doen, maar verlossing vindt hij pas als hem in zijn doodsnood nog eenmaal de naam van zijn redster wordt genoemd.

Daarover ging het nou volgens mij helemaal niet daar in Düsseldorf…

In het filmpje de aria van Elisabeth ‘Allmächt’ge Jungfrau! Hor mein Flehen’. Na wat heen en weer zoeken toch gekozen voor de opname met Cheryl Studer uit 1990. Een genadeloos kaal toneel en werkelijk niks om je mee bezig te houden tijdens het zingen van die lange, lange lijnen vormt een opgave van jewelste. Ik hoorde sopranen die mijn nekharen overeind joegen met hun vibrato en gedoe en Studer hoeft dat allemaal niet. Ik had liever wat meer close-ups gehad: de cameravoering is al even sober als de rest van het toneel. Maar het is prachtig zuiver en gesteund (let op haar ademhaling!) en uitstekend verstaanbaar (als Amerikaanse zo’n mooi Duits zingen is niet makkelijk). Er is niks op aan te merken eigenlijk, maar ik kan me ook levendig voorstellen dat Tannhäuser voor de zinnelijke liefde gaat; zoveel reinheid en rechtschapenheid kan een man ook afschrikken…

Père Lachaise en een leeg graf

Dit rondje Père Lachaise had u nog van me tegoed. Het wordt een muziek-rondje; het kerkhof is te groot om alle beroemdheden die er liggen te ‘behandelen’. Ik beperk me daarom tot degenen die er liggen die iets met klassieke, of vocale muziek te maken hebben.

De eerste is meteen al een giller. Gioacchino Rosini. Hij ligt er namelijk niet…. Hebben wij naar een lege crypte staan kijken. Ik lachte me een kriek toen ik het (naderhand) las… Zoiets bizars maak je met klassieke muziek mee… Maar goed, even heel kort over zijn leven: Hij werd geboren in 1792 in Pesaro en had zijn eerste successen met zijn opera Tancredi in 1813. In 1824 vestigde hij zich in Parijs.

De laatste dertig (!) jaar van zijn leven componeerde hij nog nauwelijks. Zijn zwanenzang was de wonderschone Petit Messe Solennelle, waarvan sommige bronnen vermelden dat hij die puur voor zijn plezier componeerde en andere dat hij ‘m componeerde om verzekerd te zijn van een plek in de hemel… zucht…

Ik was een aantal jaren geleden in zijn huis in Pesaro en kon me herinneren daar een foto te hebben gezien (kon men in 1868 al fotograferen of zou het een schilderij geweest zijn?) waarin er mannen met zakdoeken voor hun neus rond een lijkkist stonden. Die foto flitste door mijn herinnering toe ik op Père Lachaise stond.

Ik weet niet meer of de foto kort na zijn dood genomen is, of bij de herbegrafenis, negentien jaar na zijn dood. Ik kan ‘m ook niet meer terugvinden op internet. Hoe dan ook: Rossini ligt in de Basilica di Santa Croce in Florence. Samen met vriend Bellini, van wie ook een lege tombe staat op Père Lachaise

George Bizet’s graf ziet er al net zo verwaarloosd uit als dat van zijn componistenbroer Rossini. Twee gedachten bestormden mij toen ik bij zijn zerk stond. De eerste was: wat bezielt mensen toch dat ze zich laten begraven met een zerk op hun graf? Willen ze herdacht worden? Er komt na enige tijd geen hond meer om die graven bij te houden: getuige een kerkhof van 47 voetbalvelden groot, waarvan negentig procent van de graven zwaar onderkomen is… Doe mij maar een crematie.

De tweede gedachte was: geef me eens een borstel, dan poets ik het graf van de componist van mijn lievelingsopera (Carmen) even schoon. Tegenstrijdige gedachten dus, daar op Père Lachaise…

George Bizet werd geboren in Parijs in 1838, hij studeerde aan het Conservatoire national supérieur de musique van Parijs. Op zijn negentiende won hij de Prix de Rome. Hij is vooral bekend door zijn opera’s, maar schreef ook symfonieën en liederen.

Zijn bekendste symfonie is zijn eerste, de Symfonie in C uit 1855. Een van zijn weinige directe successen was de opera ‘Les pêcheurs de perles’, vooral bekend om het duet voor tenor en bariton, ‘Au fond du temple saint’ (door collega’s ooit oneerbiedig vertaald als ‘ik vond in de tempel een cent’, foei!).

Zijn bekendste werk is de opera Carmen (1875). Bizet maakte het succes van Carmen niet meer mee. Kort na de première overleed hij op 36-jarige leeftijd.

En nu zouden we naar het graf van Callas kunnen lopen, of naar dat van Jim Morrison; geen klassieke muzikant, maar een hopeloos aan de drugs verslaafde en naar mijn mening zwaar overschatte zanger van popgroep The Doors.

We kunnen naar Chopin, of naar Enescu, of naar een van de andere componisten die er begraven liggen (een heleboel!) maar ook dat doen we niet, we lopen, uiteindelijk op aanwijzing van een gids, naar het graf van Édith Piaf. Via haar graf vinden we later ook de uitgang van de begraafplaats en lopen de wijk in waar Piaf geboren en opgegroeid is.

Édith Piaf werd in Parijs geboren als dochter van een Italiaans-Berberse kroegzangeres en een Franse acrobaat. Ze werd door haar grootmoeder, bordeelhoudster, opgevoed. Haar debuut als zangeres maakte ze rond haar vijftiende. Het drama begon vroeg in haar leven: op haar zeventiende werd ze al moeder; het kind stierf na twee jaar aan een hersenvliesontsteking.
Nachtclubeigenaar Louis Leplée gaf haar de bijnaam ‘La Môme Piaf’ (Het Meisje Mus).

De bokser Marcel Cerdan was dé liefde van Piaf, ze werd zijn maîtresse. In 1949 overleed Cerdan door een vliegtuigongeluk. Misschien is ze over die klap nooit heen gekomen, want echt gelukkig werd ze niet meer (zo ze dat al ooit geweest was….) Ze was kort getrouwd met de zanger Jacques Pills en in 1962 trouwde ze met Theophanis Lamboukas, een 20 jaar jongere zanger en acteur.

Piaf stierf op 10 oktober 1963. Jean Cocteau, haar grote vriend, werd binnen enkele uren na het horen van het nieuws door een hartaanval getroffen en stierf. Haar begrafenis trok honderdduizenden mensen naar de straten van Parijs en de ceremonie bij de begraafplaats werd bezocht door meer dan veertigduizend fans.

Charles Aznavour, die vaak met haar zong merkte op dat de begrafenis van Piaf het enige moment was na de Tweede Wereldoorlog dat het hele verkeer van Parijs stillag.

In het filmpje haar lied ‘Le droit d’aimer’. Er was nogal wat kritiek op haar laatste huwelijk, de nieuwe echtgenoot was twintig jaar jonger dan Piaf en er werd – naar – gefluisterd dat hij haar voor haar geld zou hebben getrouwd.

Je hart breekt als je dat kleine vrouwtje ziet, krom gegroeid door de reuma en aan het einde van haar krachten, maar mijn hemel, wat een charisma, wat een innerlijke kracht. Ze staat in haar recht die kleine mus. Het is lang niet altijd zuiver, maar dat deert hier niet. Zoek vooral zelf op YouTube, er is veel te genieten