Rialto

Venetie, oktober 2008. Ik ga het verhaal nu toch maar es vertellen. Kort geleden nog eens in enige samenhang aan twee vriendinnen verteld, dus nu kan het wel…

Venetië, oktober 2008 dus…. We komen (mijn 2 hartsvriendinnen en ik) per shuttlebus aan op de Piazzale Roma, de enige plek in Venetië waar bussen en auto’s nog mogen komen. Het is een uur of tien ’s avonds. De Vaporetti staken, dus per boot naar ons hotel vlakbij de Rialto-brug is uitgesloten. Het zal weer es niet… We besluiten te lopen en de vriendin die het beste is in kaartlezen wenkt al ongeduldig, ‘hierlangs…’; ik sta nog te hyperen omdat ik zo blij ben er weer te zijn; ik bewaar goeie herinneringen aan Venetië.

Een half uurtje later rollen we ons hotel binnen, meteen gevonden, hetgeen in Venetië een prestatie op zich is: erg verdwalen kun je er niet, maar meteen je doel bereiken is bijna nooit aan de orde. We gooien onze bagage in het ons toegewezen bezemhok en rammelen de trap weer af: het is een mooie, zwoele oktober-avond en veel te vroeg om naar bed te gaan. We zitten een meter of vijftig van de Rialtobrug af en daar aan het Canal Grande lonken de terrasjes. Langs de zijkant van een restaurant af dalen we in de richting van het water. In het restaurant hoor ik gezang en als vanzelf spits ik mijn oren: is dat niet…? Ja het is: ‘Nessun Dorma’ uit Tosca van grote vriend Giacomo Puccini (en Giacomo met het accent op de eerste lettergreep, vrienden van Radio 4, niet ‘sjakòwmow’). Ik vertraag mijn pas en luister effe echt: de stem is wat ouder, maar heeft ooit heel mooi kunnen zingen en fors ook. De laatste uithaal krijg ik ook nog in het zicht mee: de man staat, met fototoestel op de buik aan de kop van een lange tafel te zingen. Hij haalt de laatste hoge toon met gratie en er volgt luid applaus. Ik hoor felicitaties in het Duits van de tafelheren en trek daar mijn verkeerde conclusie. De vriendinnen hebben hun pas ook ingehouden, op mij wachtend: als die van Geurts klassieke muziek hoort vertraagt ze nou eenmaal haar pas, dat hoort bij haar, ze zijn geduldig…

Ik land naast hen op het terras, spreek mijn eerste drie Italiaanse woorden van die vakantie (‘tre Spritz prego’) en leg uit dat dat zo-even de grote aria uit Tosca was. De vriendinnen knikken: zal wel…

Als we getoast hebben op de vier mooie dagen die voor ons liggen gaat er naast ons een grote man met fototoestel op de buik zitten. Ik kijk: hé, da’s die man van daarnet. Ik maak mijn volgende fout en spreek hem aan: ‘Sie haben wunderschön gesungen, haben Sie studiert?’.
Hij kijkt terug en zijn ogen schieten vuur: ‘Sono Veneziano, e ho mai studiato, mai!’

Mijn hart slaat over, ik en mijn grote mond ook (en mijn eeuwige behoefte om te koketteren met mijn talenknobbel). De vriendinnen kijken me vragend aan: zij verstaan Duits, maar geen Italiaans, maar merken wel dat hij boos is en niet zo’n beetje ook. Tijdens mijn vertaling aan hen heb ik tijd om te schakelen van Duits, via Nederlands, naar Italiaans: ‘Hij is Veneziaan en geen Duitser en het ergste wat je een Italiaan aan kunt doen is hem uitmaken voor Duitser en hij heeft nooit zang gestudeerd… o, ik en mijn grote mond!’ (zij kennen en accepteren mijn zwakheden). Ik wend mij tot en hem en zeg in mijn beste Italiaans: ‘Ik wilde niet onbeleefd zijn, neemt u mij niet kwalijk, ik hoorde Duits spreken en dacht dat u bij het gezelschap hoorde..’ en dan om hem af te leiden van zijn boosheid, ‘dat was toch de grote aria uit Tosca van maestro Puccini, is het niet?’

Hij trapt in de val (mannen!) en bromt ‘si, si, si’
Ik: ‘ik ken de andere aria, Vissi d’Arte, die heb ik wel eens gezongenŒ en ik hummel de eerste paar maten van het recitatief.
Hij haakt aan, nu helemaal ‘om’ en souffleert de rest van het recitatief. Ik denk, nou vooruit dan maar, ga rechtop zitten en zet wat meer geluid. Met hulp van zijn voorzeggen zing ik de hele aria uit, inclusief snik aan het eind. Hij heeft me ongeveer in de goeie toonsoort voorgezongen en dat betekent dat de hoogste noot een bes is en deze bes komt daar dichtbij, Hij knalt over het water aan de andere kant van het Canal Grande tegen de gevel en schrijft daar voor mij persoonlijk historie: een hoge bes, voluit en gelukt, aan het water in Venetie, in zulk gezelschap, wauw!

Pas als de laatste noot is weggestorven zie ik wat het gevolg van de aria is: op de Rialtobrug staan toeristen stil, de ober staat halverwege het terras met een dienblad vol glazen, aan de overkant van het water applaudisseren er mensen en de vriendinnen zitten perplex en ontroerd in hun stoel. De eerst boze ‘collega’ stromen de tranen over de wangen, hij gooit zijn rieten stoeltje aan de kant en komt met gespreide armen op mij af en terwijl ik nog sta na te sidderen (of u het gelooft of niet: ik doe zoiets hoogst, hoogst zelden) word ik geknuffeld en voel ik zijn tranen tegen mijn wang.

Eeuwige roem is mijn deel, in ieder geval voor zolang de avond duurt: mensen komen me een hand geven en ‘mijn’ Veneziaan is niet meer van mijn zijde weg te slaan. De vriendinnen weten weer eens met wie ze ook al weer op stap waren (een loslippige, lyrische, eerste sopraan) -grapje meiden, grapje- en de toon voor de vakantie is gezet: het worden vier perfecte dagen. Bij de herinnering terwijl ik dit typ zit ik nog te glimlachen… dat ik dat durfde…

In het filmpje een opname van Kiri te Kanawa. Vissi d’Arte was al eens eerder onderwerp in deze rubrieken, maar ik wilde u de aria niet onthouden.

Feniks

Vandaag in 1792 werd operahuis La Fenice in Venetië geopend. Dus deze week maar es een stukkie over een gebouw, in plaats van over een mens of een opera-premiere. Een van de beroemdste operagebouwen ter wereld trouwens, en mooi! Ik ben erin geweest, dus ik kan het weten…
Het was natuurlijk een beetje self-fulfilling prophecy: als je een theater La Fenice noemt, loop je het gevaar dat de feniks zichzelf een keer in de as legt, om er vervolgens uit te herrijzen… Dat gebeurde dus, niet één keer, maar meerdere keren.
Maar laten we bij het begin beginnen.

In 1774 brandde het San Benedetto theater, dat meer dan veertig jaar het belangrijkste operatheater van Venetië was, tot de grond toe af. Meteen na de opening van het nieuwe theater kwam er ruzie tussen de eigenaar, de Venier familie, en het bedrijf dat het theater runde. De familie won, en het bedrijf bouwde een eigen operatheater op de Campo San Fantin. In1792 was het theater klaar. Het kreeg de naam La Fenice als herinnering aan het feit dat het bedrijf de slag met de familieVenier had overleefd en het werd ingewijd met een opera van Giovanni Paisiello (I Giochi di Agrigento).

Vanaf het begin van de negentiende eeuw werd La Fenice steeds geliefder in Europa. Rossini liet er twee producties opvoeren, Bellini liet er twee opera’s in première gaan, Donizetti kwam ervoor terug naar Venetië, na een afwezigheid van meer dan zestien jaar.

In december 1836 werd het theater vernield door brand. Het werd spoedig herbouwd naar ontwerp van de broers Meduna. De feniks herrees (strikt genomen voor de eerste keer) uit haar as en La Fenice heropende haar deuren op 26 december 1837.

Giuseppe Verdi’s band met La Fenice begon in 1844, met de uitvoering van Ernani. Hij raakte ook in de ban van het theater want in de daarop volgende dertien jaar vonden er de premières plaats van Attila, Rigoletto, La Traviata en Simon Boccanegra.

Tijdens de eerste wereldoorlog was La Fenice gesloten, maar daarna opende het weer om beroemde zangers, zangeressen en dirigenten aan te trekken. In 1930 organiseerde de Biënnale van Venetië er het Eerste Internationale Festival van Hedendaagse Muziek, met componisten als Stravinsky en Britten en meer recentelijk Berio, Nono en Bussotti die speciaal voor La Fenice composities schreven.

Op 29 januari 1996 werd het theater weer vernield door brand. Het had allemaal zo’n vaart niet hoeven lopen, maar voordat je in Venetië met je blusapparaten bij een brand bent, slaan de vlammen bij wijze van spreken al tot aan de hemel. Er zijn een paar steegjes rond La Fenice zo smal dat je in spreidstand de muren links en rechts bijna raakt. Rij daar maar eens iets van een blusapparaat naar toe. Voordat de jongens ter plaatse waren sloegen de vlammen inderdaad tot aan de hemel. Ik heb er foto’s van gezien en je artistieke hart breekt. Dat ze het zo prachtig hebben herbouwd is bijna ongelooflijk.

Opzet, trouwens? Hoe dan ook, in 2001 veroordeelde de rechtbank in Venetië twee electriciens. Enrico Carella en zijn neef Massimiliano Marchetti zouden de brand gesticht hebben, omdat hun bedrijf zware boetes voor achterstanden in het werk te wachten stond. Carella, eigenaar van het bedrijf, kreeg zeven jaar gevangenisstraf en Marchetti zes jaar. De herbouw duurde lang, heel lang, veel te lang. Toen ik in 2002 in Venetië was stond het gebouw nog in de steigers, bijna klaar, maar we konden er niet in. Op 14 december 2003 gingen de deuren weer open en afgelopen herfst, toen ik met mijn twee vriendinnen in Venetië was konden we er eindelijk in. Een voorstelling bijwonen was ondenkbaar, niet te betalen en allemaal volgeboekt. De vriendinnen namen me, heel lief, mee naar een voorstelling van La Traviata in een van de kerken die Venetië rijk is, ook leuk. En ik probeer altijd, heel kinderachtig even een toon te zingen in de grote zaal van zo’n theater. Er was een repetitie aan de gang, dus dat lukte ook al niet. Dus ik kon mijn lijstje niet uitbreiden met La Fenice. Inmiddels staan er La Scala, Her Majesty’s Theatre (London), Teatro Pergolesi, het Concertgebouw Amsterdam, Teatro San Carlo in Napels op het lijstje. Let wel: daar heb ik in gewoon even een toon geblerd. Als u dus op mijn cv ziet staan ’zong in het huppekee theater’ dan weet u wat een onzin dat is (dan weet u ook meteen hoe zwaar sommige cv’s van sommige amateurzangers wegen, u hebt het niet van mij…).

Op mijn cv moet trouwens de Rialtobrug in Venetië nog bij het rijtje waar ik gezongen heb, maar daarover bericht ik u ooit in een ander stukkie…(als ik het durf).

Anne Sofie von Otter

Nou, omdat ik het beloofd had dan, een stukkie over Anne Sofie von Otter. Eerst maar even zakelijk:
Anne Sofie von Otter werd geboren in Stockholm; ze is dochter van de diplomaat Göran von Otter. Ze groeide op in Bonn, Londen en Stockholm, waar ze haar zangstudies begon. Aansluitend studeerde ze aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen bij Vera Rosza, in het liedklasje van Geoffrey Parsons en in Wenen ook in het liedklasje van Erik Werba. Parsons en Werba behoren tot ’s werelds beste begeleidende pianisten, geloof maar dat je veel leert als je in zo’n liedklasje mag. Absoluut niet badinerend bedoeld dus, de term liedklasje…
In 1980 begon ze samen te werken met pianist Bengt Forsberg, die sindsdien haar vaste begeleider is.

Van 1983 tot 1985 werkte Von Otter aan de opera in Bazel; ze debuteerde als Alcina in de opera Orlando Paladino van Joseph Haydn.
Haar rol van Oktavian (een travestierol) in Der Rosenkavalier van Richard Strauss is op CD (en later op dvd) gezet met ‘onze’ Bernard Haitink als dirigent. Haar wat jongensachtige gestalte en uitstraling maakt haar uitermate geschikt voor travestie-rollen.
De debuten volgen elkaar op: Royal Opera House in Londen, The Met in New York, Berlijn, München, Rome, Milaan…

Op een goeie avond zat ik naar het Glyndebourne Festival te kijken (de BBC verslaat dat uitstekend en ruimt daar gewoon een van de zenders voor in als dat nodig is, kom daar in Nederland maar eens om…) en wie zag ik tot mijn stomme verbazing als sigaarrokende (!) Carmen: juist: Von Otter. Ik viel bijna van mijn stoel. En ze deed het nog geweldig ook.

In Carnegiehal in New York, op 1 mei jl. zong Von Otter, in gezelschap van Daniel Hope, viool, haar ‘maatje’ Bengt Forsberg en cellist Daniel Muller Schott het programma van de CD-opname Theresienstadt (Terezin in het Tsjechisch). Theresienstadt was/is een garnizoensstadje op zo’n 100 kilometer van Praag, in de tweede wereldoorlog door de Duitsers gebruikt om er joden in de stouwen (een eerbiediger woord kan ik er niet voor vinden). Waar er in het begin 7.000 soldaten gelegerd waren, vonden de Duitsers het normaal er 50.000 Joden in op te bergen. Het fort fungeerde als doorgangskamp voor Auschwitz en Birkenau.

Mijn echtgenoot, die soms door afwezigheid van voorkennis buitengewoon ‘zuiver’ kan reageren merkte op, toen Anne Sofie opkwam ‘wat een mooi meisje!’. Ik grinnikte. Von Otter is van 1955 en allang geen ‘meisje’ meer. Toch blijft ze die blonde, jonge uitstraling houden. Dat blonde blijft echter ook tussen haar en het publiek hangen. Ik kan het moeilijk duiden, maar waar ik bij Aznavour, de avond tevoren buitengewoon geëmotioneerd was, bleef de emotie hier volledig uit. Terwijl de avond een buitengewoon emotioneel thema had: alle componisten waar werk van gezongen of gespeeld werd hadden kortere of langere tijd in Theresienstadt gezeten, waren daar gestorven, of vergast in Auschwitz of Birkenau. Slechts een enkeling overleefde het. Bij het laatste liedje ‘Wiegala’ van Ilse Weber vertelde Von Otter dat Ilse Weber dat liedje ook nog gezongen had, slechts minuten vóór zijzelf en de haar toevertrouwde kinderen de gaskamers in gingen. Daar zouden bij ieder mens de tranen in de ogen schieten en dat gebeurde niet. Er haakt iets tussen Von Otter en haar publiek. Bij Carmen was dat niet het geval, daar heeft de regisseur waarschijnlijk de juiste snaar weten te raken. Wat is dat toch? Kunt u het mij vertellen? Voor zo’n avond in Carnegiehal had ik iets anders aangetrokken dan de flatjes en de skinny-jeans en het duidelijk-van-vorig-jaar-colbertje dat ze aanhad. En dat schuifspeldje in het haar hielp ook al niet. Ik werd even beticht van sopranennijd, maar ik kan u naar eer en geweten vertellen dat dat geen rol speelde die avond in Carnegiehal. En zelfs als ze zich wat plechtiger had uitgedost (de haar begeleidende heren waren keurig in drie-delig zwart), ik weet niet of het geholpen had. Jammer hoor, want nogmaals: ze zingt prachtig: zuiver, verstaanbaar, er mankeert niks aan, ik heb er groot respect voor. Het is alleen niet organisch, niet echt… en ik denk dat ‘m daar de kneep zit.

In Vocalies 26, die binnenkort op deze website verschijnt, zitten drie liederen van Weber en eentje van Alfred Kraus. Ze komen van de eerder genoemde CD.

En in het filmpje een opname van Carmen

De ouderdom voorbij

Misschien had u me gemist afgelopen zaterdag, het zou zo maar kunnen (sprak zij hoopvol). Nou dat komt, wij waren in New York. Mijn lief heeft twee jaar lang gespaard om mij mee te kunnen nemen, ter gelegenheid van mijn vijftigste verjaardag (laat ik er maar eens eerlijk over gaan zijn, een van de verworven wijsheden als je vijftig wordt). Wees niet bang, ik ga u niet lastig vallen met vakantie-verhalen. Het gentlemen’s agreement met de hoofdredactie is nog intact: wij vallen onze lezers niet lastig met vakantieverhalen of ze moeten wel heel bijzonder zijn. Dus ik ga u niets vertellen over het weer in New York, over de melting pot die de stad zo sympathiek maakt, over de dure drank, over de heerlijke wandelingen, niets van dat al…

We hadden in het kielzog van deze prachtige week ook drie concerten. Toen ik ze meemaakte, drie heerlijke avonden achter elkaar, dacht ik, ik ga hier een verslagje van schrijven, en ze een beetje met elkaar vergelijken… heb ik toch maar mooi weer een stukkie als ik terug kom. Gaande de weg terug bedacht ik dat ze eigenlijk niet met elkaar te vergelijken zijn en dat ik de drie genres daarmee te kort zou doen. Dus komt het concert dat Anne Sofie von Otter gaf in een ander stukkie misschien aan de beurt en ga ik een van de volgende Vocaliesen openen met muziek uit The Phantom of the opera.

We kwamen terug van een wandeling door de betonnen jungle van New York, bekaf van het lawaai en van alle indrukken die zo’n metropool nou eenmaal afgeeft. We zouden even plat en dan gaan eten… Ik loop op 7th Avenue een poster voorbij en er raakt iets in mijn hart… ik hou mijn pas in, wat me te staan komt op een bijna botsing met een New Yorker (‘sorry ma’am’ mompelt hij en loopt door: de New Yorkers zijn buitengewoon beleefd en leven met de miljoenen toeristen die hun jaarlijks voor de voeten lopen: de toerist heeft altijd gelijk, ook als hij of zij ineens zonder voor jou zichtbare reden de pas inhoudt). Ik zet een paar passen terug en kom uit bij de poster van concerten van Charles Aznavour. Vier geeft hij er (‘only four concerts’ meldt de poster, ‘maar’ vier, godbetert) in het New York City Center, aan 55th street… Mijn lief heeft inmiddels ook de poster gezien en mijn reactie erop en hij verwoordt mijn vraag: ‘zouden daar nog kaarten van zijn?’ ‘Vast niet…’ meent hij onmiddellijk daarop te moeten constateren (hij is een beetje een sombermans, wat dat soort dingen aangaat). Ik reageer met een oer-brabantse wijsheid: ‘as gut nie vroagt wittut zeker nie’). Koers naar 55th street dus en aan het loket in mijn keurigste Engels: ‘Might there be tickets for the concert on May 1st?’. Yes there might, yes there are, yes we can!

En dus zitten we 1 mei om acht uur in de bijna volle, enorme zaal van het City Center en gaat het publiek uit zijn dak en ik in tranen als de kleine, altijd al frêle Aznavour het toneel betreedt. ‘We will do the whole routine in French’ deelt hij zijn idolate publiek kort mee, na het eerste nummer dat sizzelt van energie. Ik had mij lief gewaarschuwd: het kan zijn dat de magie weg is, de man wordt in mei vijfentachtig en niet iedereen is nakend objectief ten opzichte van zichzelf en zijn/haar muze.

Angst ongegrond: de magie is er nog, van het eerste tot en met het laatste moment als hij met een bos lelies (getver…) ten afscheid zwaait aan de rand van de coulissen: alles heeft hij in de hand: de uitstekende band, zijn kleindochter in de backing-vocals, een top-begeleidend pianist en accordeonist, het publiek dat joelt en uit zijn hand eet, èn mij, met mijn emotie, die fel oplaait: wat mauw ik nou met mijn ‘kan ik dit nog wel op mijn leeftijd?’ en ‘o, wat maakt de muze van de muziek het mij toch soms moeilijk’. Als je vijfentachtig wordt en nog zo op het toneel staat: twee uur lang alles uit het hoofd in een moordend tempo, wat zal ik dan zeuren. De tranen lopen me over de wangen en ik probeer de afstand tussen mij en het toneel te overbruggen door mij te concentreren en te proberen alles te verstaan. Ik kom er gelouterd uit.
Merci, chèr maestro Aznavour!

In het filmpje een live-opname van ‘Emmenez moi’ (neem mij mee). Het komt vrij dicht bij de avond van de eerste mei: hopelijk springt wat zijn energie naar u toe: die armen, die perfecte dictie, dat tempo, dat beheersen van de materie, zonder er rigide in te worden. Waar vakmanschap!