Van dood, van leven en een sprookje

Er is een nieuwe podcast, zie hiernaast!

Voordat we overgaan tot min of meer de ‘orde van de week’ op deze plek – namelijk het behandelen van muziek van dooie componisten – even twee korte berichten, eentje van dood en eentje van leven.

Eerst maar die van dood. U wist het natuurlijk al: Claudio Abbado is deze week op 80-jarige leeftijd overleden. Er is alles over geschreven, dus ik hou het bij het uitspreken van mijn waardering voor zijn vasthoudendheid (hij verloor de strijd tegen kanker nu pas…..) en zijn hoffelijkheid. Addio Claudio.

En eentje van leven: een collega attendeerde mij op Kim Spierenburg (what’s in a name…), een 20-jarige violiste die ondanks een auto-immuunziekte violiste werd en nog niet de minste ook. Zie hier de link.

Vandaag (op 25 januari) 1817 ging in Rome Gioacchino Rossini’s ‘La Cenerentola’ in première. Volledige titel ‘La Cenerentola, ossia La bontà in trionfo’, oftewel: ‘Assepoester, of de triomf van de goedheid’). Het verhaaltje hoeven we dus niet te vertellen: het is het sprookje Assepoester, met een lichte variant: geen toverfee, geen muizen die paarden worden om de glazen koets te trekken, maar wel een prins en een eenvoudig meisje dat klem zit in een liefdeloze ‘stief-situatie’.

Rossini was nog jong toen hij zijn Assepoester componeerde: vijfentwintig. Hij had het jaar ervoor veel succes gehad met ‘Il Barbiere di Sevilla’ en hij had voor het componeren van ‘La Cenerentola’ maar drie weken nodig. Wanneer en of hij tijdens die drie weken geslapen en gegeten heeft vermelden de annalen niet, maar aangezien Rossini ook van het goede leven was, zal dat wel geen probleem geweest zijn. Het was hier niet zo dat het werk afgeraffeld is: de meest subtiele solo’s en ensembles die hij ooit gecomponeerd heeft zitten in deze opera. De ouverture had zo’n succes dat-ie tegenwoordig nog vaak ‘los’ gespeeld wordt. Rossini heeft bovendien tijd kunnen besparen door een stuk van de ouverturen van ‘La Gazzetta’ te gebruiken, evenals een stuk van een aria uit ‘Il Barbiere’ en… hij gebruikte een ‘medecomponist’: Luca Agolini, die de secco recitatieven schreef en drie aria’s.

Bij de première schijnt de opera niet helemaal goed ontvangen te zijn, maar algauw werd het een doorslaand succes, zowel in Italië als daarbuiten: Lissabon in 1819, Londen in 1820 en New York (!) in 1826. In het begin evenaarde het succes van Assepoester dat van de Barbier, maar op een gegeven moment raakte het stemtype van coloratuur contralto uit de mode en de opera helaas ook.

Vanaf 1960 kwam ere en nieuwe generatie mezzo’s en alten in zwang en ging het weer bergopwaarts met de opera.

De bekendste aria uit de sprankelende opera is ongetwijfeld ‘Nacqui all’affanno… Non piu mesta’, gezongen door Cenerentola (Angelina in de opera), Dat is ook een echt scoorstuk. Als je het eenmaal in de strot hebt, gaat het er nooit meer uit en je kunt er lekker op acteren. Als ik ze bezig zie, die coloratuur-mezzo’s, ben ik altijd jaloers. Ik kan de aria een heel eind meezingen, maar als ze gaan ‘toerlezjoeren’ (zo hoorde ik ooit een Vlaamse dame in de Koninklijke opera in Antwerpen het zingen van coloraturen noemen) ben ik weg… dat zit niet in mijn stembanden…

Er is volgens mij geen betere Angelina/Cenerentola in onze tijd dan Cecilia Bartoli.
Ik word altijd zo heerlijk meegnomen door haar: dat volstrekt oprechte, open gezicht, dat plezier in het stemgeven, dat ‘zingen van geluk’ dat ze doet, is onweerstaanbaar. Ik vind het soms wel heel veel coloraturen; het haalt de vaart uit de aria, maar ach, wat geeft het: ik luister ademloos.

De commentaren op het filmpje met Callas op YouTube staat vol met discussies over of Callas nou wel of niet uit ‘nood’ mezzo geworden is, of het al was… We zullen het nooit weten, want ze is er niet meer. Ik ben geen Callas-fan, maar deze aria zingt ze verdienstelijk, al zet ze het allemaal wel erg zwaar aan: je hoeft geen Assepoester te zingen alsof het om Norma gaat, maar alla, het zal wel mijn kift zijn! En ze heeft een beetje tegen dat het om een oudere opname gaat en dat de mode toen anders was. En die laatste toon laat duidelijk en dramatisch horen dat het vibrato naar beneden slaat, dat zou niet moeten.

Linkje naar Callas:

Een verjaardag in de Algarve… en Fado

Een weekje in Portugal geweest. Heerlijk gehad. Het is er stil om deze tijd van het jaar. Stil op de weg, stil aan de stranden, stil in de restaurants en winkels. Veel Portugezen zijn zelf op vakantie en wat er in de loop van de laatste decennia uit de rest van Europa in Portugal is geland en er is gebleven, gaat om deze tijd van het jaar ook nog even naar huis, familie opzoeken. Ergens in februari, als de dagen lengen en de zon weer lang genoeg schijnt om het vocht uit de huizen te jagen (aan verwarming doen ze niet in de Algarve, niet nodig voor die paar maanden) komt het toerisme weer op gang en is iedereen weer op zijn post.

Maar de prachtige, steile kliffen aan de zuid- en westkust van Portugal bleven en de sinaasappel-, mandarijnen- en citroenenbomen droegen vrucht, evenals de vijgenbomen, Johannesbroodbomen (nooit van gehoord, maar hij bestaat, de Johannesbroodboom, de vrucht schijnt naar chocolade te smaken), hazelnootstruiken, en weetikveelwatvoorbomennogmeer stonden óf in de bloesem, of droegen vrucht en de bloemetjes bleven er niet bij achter. Wij genoten. Het weer was óf goed, of niet-zo-slecht-of-het-deerde-ons-niet en we sjouwden door het land en de kurkeiken- of parasoldennenbossen.

En wat is dan de bijdrage voor een blog over vocale klassieke muziek zult u vragen…. Nou op die vraag is slechts één antwoord mogelijk en dat weer u eigenlijk ook al: de Fado. Ook in het winterseizoen zijn er Fado-zangers en zangeressen thuis en houden de plaatselijke restaurants die wél open zijn hun wekelijkse Fado-avondjes en stoken voor die gelegenheid de tent enigszins warm met houtkachels. Zo ook op de dinsdagavond van mijn verjaardag. Ja, dank u, 55 alweer, het gaat nog steeds goed, het lijf wordt ‘gewoon’ ouder en de geest verbaast zich daarover en over het leven en over hoe weinig ik nog eigenlijk weet en dus zal het nog wel een paar jaar zo verder gaan, vooraleer de échte ouderdom toeslaat….

Mooiste manier – voor mij – om je verjaardag te vieren: niet thuis en met twee lieve mensen die me dierbaar zijn gaan eten; als daar dan nog muziek bij komt is mijn dag goed. We aten ‘vis-cataplan’, een Algarviaanse schotel, klaargemaakt in een grote koperen pan, loeiheet en erg lekker, met kruimige aardappeltjes en lekkere al-dente groenten, besprenkeld met een lichte landwijn, een feestmaal….

In de hoek van het restaurant zat een dramatisch geklede en opgemaakte mevrouw met ravenzwart haar (uit een potje zei mijn vriendin, want haar kennersoog had gezien dat de middenscheiding dringend bijgewerkt moest worden) en dito bril, geflankeerd door drie middelbare heren die met gitaren in de weer waren alsof het hun kleinkinderen waren: op schoot werden de instrumenten zachtjes gestemd en als er niet gespeeld werd, ging er liefdevol een vilten doekje (tegen het vocht, waarschijnlijk) over de snaren. Terwijl wij de graten uit de vis pulkten en lekker zaten te smikkelen, opende de restaurant-eigenaar de avond. Eerst in het Portugees (waarvan je de drie eerste woorden verstaat en vervolgens vruchteloos bezig bent te proberen het einde van het ene woord van het begin van het volgende woord te onderscheiden) en daarna in gebrekkig Engels kondigde hij de mevrouw aan. Die kwam naar voren, legde haar bril af (had ze niet nodig, want ze deed tijdens het zingen haar ogen dicht) en begon zonder enige aankondiging te zingen. Ze stond vlakbij me en blies me bij tijd en wijlen bijna van mijn stoel.

Fado-zingen is eigenlijk ‘belten’ avant la lettre: je zingt vooral op het middenregister van de stem en laat af en toe de stem naar het kopregister overslaan, voor het dramatisch effect. Als je dat als techniekje goed ontwikkelt kun je het doen zonder stem-problemen te krijgen. In dit geval was het geoefend: ze wist precies wat ze deed, of in ieder geval had ze het lang genoeg gedaan om zonder enige moeite een enorm geluid te produceren en ons te doordringen van de drama’s des levens.

U merkt misschien aan mijn licht-ironische toon dat Fado, niet echt my cup of tea is… Voor mij is het een beetje over de top. Ik heb echter wel degelijk genoten! Voor zover ik het kon beoordelen werd het goed gedaan en de mevrouw had veel succes…

Nog even over Fado: het is het Portugese levenslied, een in Portugal zeer gewaardeerde zangkunst die vroeger in armoedige kroegen werd gezongen. In de loop van de twintigste eeuw werd Fado een erkende zangkunst die ook vaak uitgevoerd wordt in de betere uitgaansgelegenheden. Fado geeft stem aan de gemoederen van het leven. Amália Rodrigues wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste en invloedrijkste Fadozangeressen ooit.

De stijl is ontstaan begin negentiende eeuw in de arme wijken van Lissabon; Alfama, Bairro Alto, en Mouraria. Fado, afgeleid van het Latijnse fatum, betekent zoveel als het noodlot, vertaald in muziek. Er is waarschijnlijk geen andere muzieksoort op aarde waarin melancholie en fatalisme zo worden gecultiveerd.
In het begin van de negentig van de vorige eeuw werd Fado opnieuw populair met een nieuwe generatie: Mafalda Arnauth, Cristina Branco en Mariza.
In het filmpje een Fado van Cristina Branco. Omdat haar stem niet zo zwaar is, lijkt het allemaal wat minder zwaar aangezet en dat vind ik mooier, maar dat is een kwestie van smaak. Kijk en surf vooral zelf: er zijn prachtige opnamen en vreselijke… net de Fado en het leven zelf…

Twee eenakters van Rachmaninov

Vandaag al mijn stukkie en vandaag ook al een nieuwe podcast!

Vandaag in 1906 (onze jaartelling, niet de Russische; dat verschilde toen nog) ging Rachmaninov’s eenakter ‘The Miserly Knight’ in première, samen met een andere eenakter van dezelfde componist: ‘Francesca da Rimini’.
Ik ben niet zo into de Russische componisten en dat is eigenlijk volkomen onterecht, want er is me toch een mooie muziek geschreven door die mannen…. En ben es effe praktisch Vocalies: het is een illusie te veronderstellen dat mensen het Italiaans wel verstaan en het Russisch niet. Bij alle tonen boven C-2 is het sowieso moeilijk de tekst te verstaan. Ik heb af en toe eens in een partituurboek gekeken en heb ooit wat Italiaans gestudeerd, dat maakt het iets makkelijker, maar ik maak net zo gretig gebruik van de boventiteling in theaters en de ondertiteling op TV als u, wat ik u brom….

Dus laten we ons eens buigen over ‘The Miserly Knight’. Het libretto is gebaseerd op een drama geschreven door Alexander Pushkin met dezelfde naam. De première werd gedirigeerd door de componist zelf, in het Bolshoi Theater in Moskou. In eerste instantie wilden ze Feodor Chaliapin voor de rol van de baron, maar die trok zich terug uit de productie. Artistieke meningsverschillen, zo meldt Wikipedia.

Het plot kan kort: Albert is een jonge ridder die een luizenleventje leeft, tot hij diep in de schulden raakt. Zijn vader, steenrijk, weigert zijn zoon nog verder te ondersteunen. Dat maakt het voor Albert moeilijk zich te ‘bewegen’ binnen de society en dus probeert hij geld te lenen van buiten de familie.
Hij komt een geldschieter tegen, maar die wil hem niks lenen, behalve: gif om zijn vader te vermoorden en zo alles te erven. Geschokt gaat Albert weg.

In de tussentijd heeft papa, de baron, genoeg fortuin vergaard om ook een zesde en zevende kist met goud te kunnen vullen…. En daarover verheugt papa zich (de Engelsen hebben daar een leuk en bijna onvertaalbaar woord voor ‘to gloat’….. ‘glunderen’ dekt de lading niet, weet u een betere vertaling?). Hij zit wel een beetje over de toekomst in: als hij voortijdig sterft zal zijn zoon alles erven en weer uitgeven aan losbolligheid.

Albert is bij de graaf gaan vragen om geld en die, op zijn beurt, vraagt weer een onderhoud aan met Albert’s vader. Tijdens dat onderhoud zegt de graaf dat de baron zijn zoon moet ondersteunen. Die beschuldigt Albert ervan van hem te willen stelen….. Daarop komt Albert (die zich verstopt had) tevoorschijn en verwijt zijn vader hem van diefstal te beschuldigen.

De vader daagt de zoon uit voor een duel en Albert accepteert. Vóór het tot vechten komt, is de baron zo gestrest door de situatie dat hij een fatale hartaanval krijgt. Zijn laatste verzoek vóór hij sterft is niet om zijn zoon, maar om de sleutels van zijn goudkisten.

Wat een arme man, vindt u niet?

In het filmpje een briljant gespeelde ouverture en prachtig ‘vol geacteerd’…. Zo kun je tegenwoordig opera ook spannend maken, met alle technische middelen die we hebben. En lekker ondertiteld…. dan weet je per woord wat er gezongen wordt… smaakt naar meer! En dat is dan ook genoeg te vinden op YouTube. Ook ’Francesca da Rimini’ is er te vinden…. Zoeken!

Jesi en Pergola in één naam: Pergolesi

Allereerst een goed 2014 gewenst. Dat het brengen mag wat uzelf er het meeste van wil hebben en los daarvan: gezondheid en muziek, voor mij twee voorwaarden voor geluk en ik denk voor meer mensen.

Bent u ook zo blij dat de feestdagen achter de rug zijn? Ikke wel: lekker de orde van de dag en een opgaande lijn naar de lente, in plaats van de neergaande aan het einde van het jaar. Vanaf nu worden de dagen weer langer…

Vandaag in 1710 werd Giovanni Battista Pergolesi geboren, u weet wel: het meest bekend vanwege zijn Stabat Mater, maar ook violist en organist.
Hij werd maar zesentwintig, stierf voortijdig aan tuberculose. Ik was ooit in het theatertje dat naar hem vernoemd is in Jesi, een snoepie met een prachtig gobelin achterdoek op het toneel en een beeldschone akoestiek. Zijn naam schijnt trouwens een samentrekking te zijn van de stadjes Pergola en Jesi (grappig!).

Pergolesi studeerde in Jesi muziek bij Francesco Santini voordat hij in 1725 naar Napels trok om daar onder andere bij Gaetano Greco te studeren. Hij werkte vooral aan de Napolitaanse hoven.

Hij was een van de belangrijkste vroege componisten van opera buffa (komische opera). Zijn opera seria ‘Il prigioner superbo’ (kent u misschien niet!) bevatte de populaire buffa-tweeakter-intermezzo, ‘La Serva Padrona’ (kent u waarschijnlijk wel!).

Grappig detail:
Toen het stuk in 1752 werd opgevoerd in Parijs, vormde het de aanleiding voor de zogenaamde querelle des bouffons (ruzie van de komieken) tussen aanhangers van de serieuze Franse opera van componisten als Lully en Rameau en aanhangers van nieuwe Italiaanse komische opera.

Zoals ik al schreef: Pergolesi is waarschijnlijk het meest bekend vanwege zijn Stabat Mater.
Het werk was meteen populair en bleef dat ook tot in onze dagen. Hij schreef het in opdracht voor de Confraternità dei Cavalieri di San Luigi di Palazzo. Het is tevens zijn zwanenzang. Toen hij eraan begon was zijn ziekte in het laatste stadium. Misschien is het daarom wel zo’n prachtig stuk geworden, werkelijk ieder deel is ‘raak’!

In het filmpje een wat langzame opname van het begin met Philippe Jaroussky en Julia Lezhneva. Prachtig…