Een mythe ontkracht?

Onderzoekers van de Technische Universiteit Eindhoven (uit mijn stadsie dus…) hebben de mythe ontkracht dat de Griekse theaters een akoestiek-tot-en-met-de-laatste-rijen zouden hebben.
Ik sloeg het Eindhovens Dagblad open en op pagina drie grijnzen mij twee voldane koppies tegemoet van de onderzoekers: nee, je kunt niet tot en met de laatste rij een speld op het toneel horen vallen en nee, een stem-met-gewoon-volume is niet op de achterste rij verstaanbaar.

Ik mopper het artikel door: ze zullen het wel niet met een vol theater nog een keer gemeten hebben en waarom hebben ze mij niet meegenomen, ik zou ze wel eens laten horen wat akoestiek-tot-en-met-de-laatste-rij is en wat nou: stem-met-gewoon-volume, je wordt toch als zanger/acteur verondersteld wat meer gas te geven dan wanneer je een gesprek met iemand hebt, of ben ik gek…?
Maar mythe en meten-is-weten zijn natuurlijk heel verschillende dingen. En verstaan en horen zijn ook twee heel verschillende dingen, net als luisteren en gehoorzamen.

Ik was in een grijs verleden in het theater in Taormina en zat op een van de achterste rijen (vooral óm en rond te kijken trouwens, want het uitzicht is daar fenomenaal) . Op en voor het toneel waren medewerkers bezig op te ruimen; er lagen steigerpijpen en planken. Al snel trok het geluid daar, vóór, mijn aandacht, weg van het uitzicht. Ik ben veel auditiever ingesteld dan de meeste mensen: beeld intrigeert mij zeer, maar geluid nog veel meer en ik ben gezegend met uitstekende oren. Ik kon ieder woord van de werkers daar beneden verstaan en de lichte klònkjes waarmee de pijpen tegen elkaar kletterden of neergelegd werden kwamen boven allemaal aan.

Toen de mannen klaar waren ben ik naar beneden gelopen en op de plek gaan staan waar zij zo-even gestaan hadden. Mijn oren spitsten zich (als u erbij was geweest had u ze wellicht zelfs zíen spitsten… grapje). Er gebeurt met een zanger als hij/zij in een akoestisch goede ruimte staat iets bijzonders, misschien is dat wel onderdeel van ‘Das Gewisse Etwas’ waar ik het in mijn stukkies over vocale klassieke muziek wel eens over heb. Er begint ergens in je iets te trillen. Het heeft niks met pedant of aandacht-trekkerij te maken, maar je krijgt de onweerstaanbare drang geluid te maken, óp te zingen, je levenslust, of verdriet, of opwinding te uiten. Dat is wat ten grondslag ligt aan een zanger (en dan bedoel ik een èchte zanger – in alle genres trouwens – niet zo modieus halfbakken tiepje dat zonder microfoon niks kan) en ook dat is een mythe en een mysterie en niet in metingen te vatten.

Ik heb geleerd (de conventie, weet u…) die trillingen te registreren, maar er niks mee te doen. En nu ik niet meer actief zing, is het makkelijker er niet aan toe te geven, maar ze zijn er nog wel: als ik een kerk inloop en de galm van mijn voetstappen hoor, in hallen van stadhuizen (de hal van het gemeentehuis in het Brabantse Gemert (waar ik ooit werkte) had een puike akoestiek; hoe het nu is weet ik niet) en sommige theaters klinken al vanaf het moment dat je de eerste stap achter op het toneel zet (het minitheatertje in Jesi bijvoorbeeld).
Ik kon het toen niet laten en jubelde een toonladder en hoorde mijn stem aantikken in alle rondingen van het theater. Een mythe was het…

Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *