We zingen te weinig!

Waar zijn de tijden dat op de lagere school alle kinderen minstens een kwartier per dag naast hun schoolbankjes staan en lekker zingen? Ik geef u op een briefje dat er heel wat minder ad-hd en aanverwante artikelen hun middelbare schooltijd ingaan en dat allerlei stress-related-diezziezezz ook veel minder kans krijgen.

Toen ik in de zesde klas zat (ja, ja kinderen, dat was vóór de tijd dat we ‘groepen’ hadden) zongen wij (we hoefden er trouwens niet voor naast de bankjes te gaan hoor, het was geen strafkamp meer sinds de nonnen de leiding hadden overgedaan aan een profane ‘leider’, meester Van der Linden) en we zongen moeiteloos tweestemmig en canons. We hadden de boekjes van Valerius Gedenck-klank en ‘Kun je nog zingen, zing dan mee’ en nog zo’n klein donkerrood boekje met een stoffen kaft, dat eigenlijk mijn lievelingsboekje was, maar waar ik de titel niet meer van weet.

Welk kind kan er nog liedjes uit het hoofd, anders dan die krijs-ellende van ‘kindeje voor kindeje’
Wij zongen liedjes als:
Hannes loopt op klompen, zimpe, zampe, zompen.
Door de plassen, dat het spat. Broek en kousen worden nat.
Moeder roept, Hannes laat dat hoor, Hannes trapt maar dapper door.
Hij laat zich niet lompen.

Ja, duh, zou een kind van deze tijd zeggen, klompen? Broek en kousen? Wèsdè??? Nee, dan tegenwoordig:

Ik heb zo waaa-waaa-waaa-waanzinnig gedroomd.
Ik was zo mooi, mooi, mooi.
‘t Was echt niet gewoon.
Iedereen riep: Hieperdepiep!
Daarna werd ik gekust en gekroond.
Waaa-waaa-waaa-waanzinnig, maar heerlijk gedroomd.

Typisch liedjes voor kinderen uit de managers-cultuur en dan die schelle gggooise stemmetjes erbij, Vreselijk!

Uw Vocalies heeft ooit gescoord met een liedje dat niemand kende. Wij waren in Salzburg aan de masterclass zang bezig en daar hoort drank bij natuurlijk, zonder drank genen klank, wat u! Een van ons had de Augustiner Bräugarten ontdekt. Hij loodste ons mee. Ons, dat waren een stuk of twintig, vijfentwintig zangers uit alle hoeken van de wereld. Een meerderheid overigens uit de Scandinavische landen. Die hebben een uitgebreide cultuur aan volksliederen, maar dat wist ik toen nog niet. Aardige mensen en goed Engels sprekend, dus je kon het ook nog eens ergens over hebben, in tegenstelling tot praten met Aziaten: dat lukte ten enenmale niet, hoe vriendelijk en creatief je ook probeerde.

Affijn, wij naar de Biergarten. En daar onder de bomen vond iemand (ik weet niet meer wie) dat we maar es een liedje uit ons eigen land moesten zingen in plaats van al die pretentieuze opera-aria’s en moeilijke liederen. Samen met een meisje uit Den Bosch was ik de enige Nederlandse bij de cursus. Het meisje uit Den Bosch kwam niet van oorsprong uit Den Bosch, anders had ze wel een grotere mond gehad en bij een verzoek om een liedje uit Nederland haalde ze verlegen de schouders op. Volgens mij is het daar ook nooit van een carrière gekomen: je moet je manifesteren, anders kom je er niet… Het enige lied dat we allebei kenden was ‘Tulpen uit Amsterdam’ en dat ontlokte verontwaardigd gesnuif aan de Scandinaviërs: blijkbaar was de melodie afkomstig van een van hun volksliederen.

Een van de tenoren ging staan, tikte op een tafeltje als was het een lessenaar en gaf een majeur-accoord aan (opletten hè, ik leg niet alles uit…) en daar klonk door de tuin een vierstemmige versie van ‘Tulpen uit Amsterdam’ die zanger/presentator Herman Emmink in de verste verte niet benaderd heeft, ooit, al was het nog zo’n aardig man. Het ene na het andere volkslied passeerde de revue. De tuin, vol met toeristen, werd steeds stiller en de muzak op de luidsprekers ging uit. Na het spontane concert van de Scandinaviërs en het terechte applaus daarvoor, gingen de blikken andermaal in de richting van mijn Bossche collega en mij. Zij haalde weer haar schouders op… ik zocht in mijn herinnering en vond wat: mijn vader leerde mij vroeger andere liedjes dan die we op school leerden. Kent u ‘De Gansjes’? Niemand???? Eenmaal, andermaal…. Ik ben in mijn hele leven één persoon tegengekomen die het liedje ook kende: de moeder van een vriendin. Affijn: zie hieronder. Ik kan u melden dat ik toen met het zingen van dat liedje minstens evenveel succes had als zou het een opera-aria geweest zijn. Het bevat bovendien een levenswijsheid van de bovenste plank: brommen is goed voor de dommen en zingen is zo gek nog niet.

Drie gansjes die kuierden blij in de wei.
En riepen van gakkerdegak.
Toen kwam er een boertje op klompen voorbij,
die bromde, toe, hou je gemak!
De gansjes die riepen: We zijn er zo blij!
De lucht is zo blauw en zo groen is de wei,
en hoe je nu ook mag praten,
We kunnen het zingen niet laten!
Toen werd er dat boertje toch vreselijk boos!
Hij zei, Wel sapperdekriek!
Noemen jullie dat zingen? Het is me wat moois,
Och, och, wat een fijne muziek!
De gansjes die lachten het boertje wat uit
En riepen: Wij geven voor ‘t zingen geen duit?
Maar het is toch nog beter dan brommen
Want brommen is goed voor de dommen!

Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *