Belcanto Summerschool

‘Het mocht wat’, brom ik humeurig als ik in de miezerige herfstregen richting Toonzaal fiets, ‘Belcanto Summerschool’ het is nondepatatten herfst?!? Het enige Onderweg kom ik wat ouderen tegen, al dan niet met rollator en ik grinnik in mijzelf. Ik durf te wedden dat zij net als ik onderweg zijn naar de Toonzaal in Den Bosch. ‘Liedknarren’ noemden wij ze in mijn conservatoriumtijd, ze leken maar niet uit te sterven: bij alle masterclasses en altijd grote kenners van namen en repertoire en overal een mening over. Ik sneerde wel eens toen, dat het gesjeesde solisten waren. Nu maak ikzelf onderdeel uit van de gestage stoet naar de Toonzaal?.

Tot mijn verbazing is het druk, tamelijk druk, zo druk dat ik me afvraag of iedereen er wel in zal passen. De Toonzaal is de oude synagoge in Den Bosch, een snoepie van een kerkje met daaraan vastgebouwd de faciliteiten om het ook als theaterzaal te kunnen gebruiken: barretje, toiletten, garderobe en een een klein kantoortje waar een meissie probeert mijn kaartje uit de computer te toveren.

Vóór mij in de rij een oude sjieke dame die de tijd neemt, het universum draait om haar en ze lijkt er geen notie van te hebben dat er na haar nog een mens of twintig ook een kaartje willen. Ze wil van alles over de zangers en de zaal weten van het meissie, dat er nerveus van wordt en op de meeste vragen geen antwoord heeft. In mijn opvoering zit respect voor en geduld met ouderen ingebakken, maar ik word ook in mijn nek gehijgd door een yuppige grootverdiener achter mij en ik grijp in: ‘weet u wat’ zeg ik tegen de dame, ‘hier zijn de folders en die gaat u maar even alvast in de zaal zitten lezen, dan kunt u alvast een plaatsje zoeken’.

Ze is geërgerd, maar capituleert. Het meissie kijkt me dankbaar aan en de rij slinkt zodanig snel dat ik nog net vóór half acht de zaal in loop, Mevrouw Annet Andriessen staat als het boegbeeld van het IVC bij de deur. De yuppige grootverdiener strijkt recht achter mij neer en knipoogt nog even dankbaar, tenminste zo wens ik dat te interpreteren. Ik heb nog tijd om om mij heen te kijken; de Masterclass begint ruim een kwartier te laat.

Op de eerste twee rijen zitten de zangers die deze week aan de masterclass hebben deelgenomen, die zijn jong; er zit wat gemêleerd publiek qua leeftijd, duidelijk uit de hogere sociale lagen van de bevolking, de rest is bejaard tot hoogbejaard. Er wordt met valse luidruchtigheid begroet en met namen gesmeten, in de lucht gekust en overdreven gezwaaid, handkussen vliegen over en weer. Ik trek mij wat terug en koester mijn volstrekte anonimiteit. Niemand weet, niemand weet dat ik… Vocaliesje heet…

Het is het onderdeel van de klassieke muziek dat mij altijd wrevelig maakte, dat gedoe eromheen dat volgens mij de muze vertekent en geen recht doet. Het is me nooit gelukt deel uit te gaan maken van die klasse (gesteld trouwens dat ik dat gewild zou hebben…) en het is een van de redenen waarom mijn carrière maar niet van de grond kwam: het is niet genoeg om alleen een stem te hebben, je moet ook netwerken en je conformeren aan die laag en dat is me nooit gelukt. U mag me er nu om prijzen maar het is natuurlijk ook dom dat ik het niet minstens geprobeerd heb…

Als de eerste noten van de eerste kandidate klinken slaat mijn stemming om: ze zingt al heel prachtig, deze Anna Traub, uit La Favorita van Gaetano Donizetti ‘O mio Fernando’. David Perry heeft aanwijzingen, terechte en met humor en liefde gebracht. Het wordt er beter van.

Langzaam kom ik weer in de juiste ‘mood’ want ik weet dat de muze levert als het moet: hier gaat het om, niet om dat gedoe; dit is Belcanto zoals het gelukkig nog steeds gezongen en gekoesterd wordt. Een tikkie hysterisch, van elke dagelijkse werkelijkheid ontdaan en bestand tegen alle tijden en politieke ellende.

Alle kandidaten zijn al verder gevorderd, behalve misschien de enige Nederlandse vrouwelijke deelneemster, die buitengewoon nerveus is en een prachtige stem heeft, maar ons niet meeneemt; dat doen alle anderen wel, al zit ik af en toe te grinniken om zoveel wildheid en enthousiasme.

Ze doseren zo overdadig dat ik me afvraag of ze het zouden overleven om vijf avonden per week op te treden, maar alla het zijn jonge honden en ik heb het tenslotte ook geleerd. Nelly Miricioiu is geweldig, ze heeft een fanatiek pleidooi voor vooral de zangers waarin ze hen aanspoort zich toch vooral te realiseren dat het nodig is niet alleen op je stem te letten, maar ook op alles daaromheen. Ze zingt zelf nog wonderschoon en makkelijk en is niet vreemd van aandachttrekkerij, maar zij heeft het natuurlijk wel gehaald en gesnopen dat ‘alles eromheen’ wel degelijk belangrijk is. Ze houdt van haar vak en kan lesgeven: petje af (‘chapeau’ zou de rest van het aanwezige publiek zeggen).

In de pauze drink ik een eenzaam pilsje, tussen alle rode wijn (witte is ordinair zegt iemand naast mij), koffie en cognac in. Ik ken er werkelijk niemand en luister geamuseerd naar de praat (en praatjes) van de begeleidende pianisten en de bezoekers en zangers die door elkaar heen buitelen en zich uitputten in netwerken. Dat hoef ik lekker niet meer en die constatering is inmiddels ontdaan van alle bitterheid en heimwee. Als ik het later mijn echtgenoot vertel kijkt hij me sceptisch aan. Ik doe niet eens meer een poging hem te overtuigen.

Ik heb een prachtige avond gehad en bij de tekst waarmee twee jonge mensen de avond besluiten kan ik me alleen maar aansluiten, maar dan heb ik de muze voor ogen, niet een geliefde…
‘Tornami a dir che m’ami / keer je naar me toe om te zeggen dat je van me houdt
Di mi che mio tu sei / zeg me dat je de mijne bent…’

Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *