Baldassare Galuppi

Als u dit leest op zaterdag 18 oktober (u zit natuurlijk met zijn allen al klaar omdat u weet dat er vandaag een nieuw stukje op de website komt…) zit ik in Venetië. De hoofdredactie heeft zich bereid verklaard het stukje voor me te plaatsen. Ik doe in Venetië vast een heleboel inspiratie op voor volgende stukjes. Het leek me leuk een stukje over Galuppi te schrijven juist op het moment dat ik er ben. Ik zal es uitkijken of ik zijn naam hier of daar op een huis zie staan, pardon, op een Cà, want zo heten de huizen hier.

Baldassare Galuppi (overigens vind ik zijn achternaam klinken alsof er een slok drank verkeerd schiet, maar dat terzijde) werd dus geboren op Burano, een eiland bij Venetië, op 18 oktober 1706. Hij studeerde bij Lotti in Venetië. Tussen 1741 en 1743 was hij regelmatig in Londen, waar hij veel succes had met zijn komische opera’s: Scipione in Cartagine en Sirbace.

In 1748 werd hij benoemd tot assistent-kapelmeester en in 1762 tot kapelmeester van de San Marco in Venetië. In datzelfde jaar kreeg hij ook de leiding van het Conservatorio degli Incurabili.

Blijkbaar kon je in de tijd toch relatief makkelijk van het eiland afkomen (die brug die nu van Mestre naar Venetië loopt zal er wel niet altijd gelegen hebben), want hij was van 1765 tot 1768 gast van Catharina de Tweede in Rusland.

Hij wordt het meeste gewaardeerd om zijn opera buffa’s (de correcte vervoeging is waarschijnlijk: opere buffe, maar wie kan het dan nog volgen?). Vooral de opera’s met teksten van Goldoni hadden veel succes.

Hij schreef ook andere zaken: cantates; oratoria; klaviersonates en kamermuziek.

Over die Goldoni vertelde iemand mij nog een leuk verhaal: die schijnt een stuk geschreven te hebben over een rijke Turk die in Venetië zangers ronselde voor zijn opera, die hij in Turkije beroemd wilde maken. De zangers verdrongen zich om zijn aandacht en vochten elkaar het kot uit in hun streven Goldoni te overtuigen van hun kunnen. Aan het einde van het toneelstuk laat de Turk alle zangers zich verzamelen op de kade aan het San Marcoplein. Iedereen wil vooraan staan dus het is een gedrang van jewelste. De Turk laat ze echter allemaal staan met de woorden: ‘je denkt toch niet dat ik zo’n zootje zangers, die zo lastig en arrogant zijn meeneem naar Turkije…???’

Ik zie de gezichten al voor me van al die omhoogevallen types. Net goed, ik vond het een prachtig verhaal.

In de link een mooi ‘Concerto a quattro’ gecomponeerd door Galuppi. Beetje Vivaldi, beetje Mozart, beet je Bach, effe schudden: Galuppi!
Mooi strak gespeeld trouwens.

Bij de tiende aflevering

Vandaag, zaterdag 11 oktober komt alweer aflevering 10 van Vocalies op de website. Zie de kolom hiernaast. Ik beschouw het als een soort jubileum-uitzending. Het is tenslotte de tiende en toen ik aan dit project begon, had ik niet het flauwste benul van waar ik aan begon, laat staan of en hoe lang ik het vol zou houden.

Maar ik vind het leuk!!!!!
En ik ga ermee door!!!!

Vocalies 10 is lang geworden, erg lang, ruim twee-en-een-half uur (ik wens u veel sterkte). Ik had er een hele discussie over met mijn echtgenoot, in deze kolommen wel eens plagerig ‘de hoofdredactie’ genoemd. Hij vond terecht dat ik mijn format aan het voorbijschieten was. De verleiding is namelijk steeds zo groot, weet u… er is zoveel prachtigs en als je vier delen in een mooi stuk hebt en je hoeft je niet, zoals op radio aan de onartistieke tijds-eenheid van 58 minuten en 23 seconden te houden (ik zweer u dat het me ooit gelukt is, met één oog op de klok en het andere op de technicus de tijd precies, maar dan ook precies vol te lullen…) dan draai je ze toch alle vier?!

Ja, maar, bezwoer de hoofdredacteur, dan ben je toch gauw door je voorraad heen. Ha! en toen had ik hem te pakken! Er is namelijk zoveel dat u en ik in een heel leven niet aan de grenzen zouden raken van wat er is, al zouden we iedere dag om en nabij een uur klassieke muziek samenstellen.
Maar goed, hij had natuurlijk wel gelijk, de hoofdredacteur die ook mijn lief is. Dus vanaf aflevering 11 gaan we weer terug in tijdsduur. Die ligt al klaar en wordt iets langer dan een uur en ook leuk.

Ik zou graag weten wat u ervan vindt. Behalve wat technische feedback (dat ik af en toe eens een naam verkeerd uitspreek, of dat het geluid van mijn spreekstem wat doffig is (ik moet nou eenmaal met beperkte middelen mijn opnamen maken)) hoor ik verder… niets. Ja, van lieve partijdige vrienden en vriendinnen die het allemaal ‘hartstikke leuk, joh’ vinden, maar die het al ‘hartstikke leuk joh’ vinden als ik maar een toonladder zing.

Wees niet bang hoor, ik ga ermee door, want ik vind het leuk en ik maak de afleveringen in de eerste plaats voor mijzelf. En ik kan u verzekeren: het heeft een welhaast therapeutische werking: ik mag draaien van ik mooi vind en zeggen wat ik wil. Nou, wie kan dat nog ongestraft doen tegenwoordig op radio en tv? Natuurlijk houd je je aan de fatsoensnormen; dat is voor mij zo vanzelfsprekend, dat ik me er niet door beperkt voel. Iets waar dj’s op radio en in stadions wel eens last van hebben. En ik heb geleerd dat je veel, heel veel kunt zeggen als je het met humor en zelfspot doet en met respect voor eenieders gezonde mening.

Dat betekent dus: tot de volgende aflevering op internet-radio (zoals ik het maar even gemakshalve noem) en tot het volgende stukkie. En: u weet me hopelijk te vinden voor commentaar!
Uw Vocalies

Carmen en Bach?

Vrijdagmiddag half vijf, Jezus, ik moet nog een stukkie schrijven voor morgen! De hele week over lopen broeien, maar niks concreets. Steeds weer eraf gehaald voor op dat moment belangrijker zaken. Te druk, ofwel met echte concrete zaken, ofwel in mijn hoofd.
Onderwerpen? Oh, genoeg! Op het moment dat ik dit typ is net een bijeenkomst afgelopen met ‘mede-cultuuristen’ (zo noem ik ze maar even omdat ze uit allerlei disciplines komen) over onze gezamenlijke nieuwe liefde: de voorstelling ‘Carmen volgens Carmen’. Als alles goed gaat starten we in januari 2009 (da’s al best vlug hoor!) met repeteren en zijn we tegen de zomer van 2009 klaar voor try outs en na de zomer gaan we draaien. Geloof maar dat ik u daarmee lastig ga vallen, hier op Vocalies.

Nog een onderwerp: ik zag van de week in de plaatselijke krant de zoveelste advertentie voor het gratis bijwonen van een cantate van Bach. Ze (‘ze’ is de Capella Jheronimus Bosch onder leiding van Jeroen Felix) doen dat in het Jheronimus Bosch Art Centre (sorry hoor, ik verzin zulke vehikels van namen niet zelf, ze staan in de krant God betert; Jeroen Bosch zou zich in zijn graf omdraaien als hij ervan af wist) iedere zoveelste zaterdag van de maand (misschien wel iedere zaterdag, kijk effe op hun website: www.bach-cantate.nl).
Vandaag, zaterdag 4 oktober wordt het de cantate met de ietwat cryptische titel ‘Ich glaube lieber Herr; hilf meinem Unglauben’ BWV 109. Ze schrijven er zelf over dat de cantate de innerlijke strijd weergeeft van de menselijke ziel tussen trouw en twijfel. De cantate is gecomponeerd tijdens het eerste jaar dat Bach cantor was van de Thomaskirche in Leipzig. Thomas, was dat niet die ongelovige discipel van Jezus? Sorry ik dwaal af.

Ik vind het een geweldig initiatief. Het is dat ik buitengemeen baldadig word van het luisteren naar cantates van Bach, anders zou u me er vanmiddag om vijf uur gevonden hebben, in het Jheronimus Bosch Art Centre aan het Jeroen Boschplein (mocht u willen gaan: het is het pleintje aan het einde van de Hinthamerstraat, vanuit het station gezien rechts), volgens mij is het de ouwe Jacobskerk, opgekocht door een projectontwikkelaar met vooruitziende blik die momenteel ruziet met de buurt, omdat hij plompverloren een hek om het parkeerterreintje vóór de kerk heeft gezet.

Als ik u was ging ik luisteren, om daarna een pint te pakken in mijn favoriete kroeg(je), het Bonte Palet (niet allemaal tegelijk, want het is het kleinste café van Den Bosch, als niet van Brabant). Doe Diederik en Ivo de groeten van me en zeg vooral dat Vocalies u gestuurd heeft. En daarna weer te gaan eten bij een van de ik-weet-niet-hoeveel restaurants die Den Bosch rijk is (het mag ook mijn favoriete Chinees worden in de Karrenstraat; Kakama. Doe de groeten aan Appie Ma, die al zo’n dertig jaar restaurants runt in Den Bosch en als geen ander het vak van gastheer verstaat. Hij spreekt een charmant soort Nederlands, dat zowel een zwaar Chinees, als een zwaar Brabants accent heeft, dat kan!) . En om vervolgens een beetje rozig en teutig weer af te zakken naar uw eigen woonstee, die lang niet zo leuk kan zijn als Den Bosch, pardon ’s-Hertogenbosch.

Zo, als afsluitertje de Habanera uit Carmen en een filmpje van You Tube van Peter Ustinov waarin hij een cantate van Bach parodieert. Hij vertegenwoordigt precies, maar dan ook precies het baldadige gevoel dat ik krijg als ik naar over-serieuze cantates van Bach luister . Begrijp me goed: ik hou van Bach en ik ben ervan overtuigd dat Peter Ustinov er ook van hield!

Voor Carmen klikt u op deze clip van Jennifer Larmore. Geweldig! Haar Frans is om te janken (l’èèèmoer in plaats van l’aaaamour) maar het is prachtig en origineel opgenomen. Nadere berichten over het project Carmen volgens Carmen volgen in de loop van 2009!

IVC

Het IVC heerst in Den Bosch. Da’s geen gevaarlijk virus hoor, maar toch wel een soort van virus. Het IVC staat voor het Internationaal VocalistenConcours. Morgen, zondag 28 september is het slotconcert en dat is allang dik uitverkocht, dus als u er naar toe wil moet ik u teleurstellen. Waarom er dan nog over schrijven, zo vroeg de hoofdredactie. Nou, zei ik, omdat ik op de eerste plaats eigenwijs ben, dus als ik ergens over wil schrijven dan doe ik dat ook, maar ook omdat je als rechtgeaard zangerd er niet níet over kunt schrijven (toch?).

Het IVC leek de afgelopen jaren een beetje ingekakt, maar de laatste paar jaar leeft het weer wat op. Vooral omdat voormalig mezzo-sopraan Annet Andriessen er voorzitster van is. Zij vindt dat het ‘internationaal’ inderdaad weer internationaal moet worden, met deelnemers uit alle hoeken en gaten van de wereld. Het leek een beetje een ‘provinciaals’ concours te worden en dan bedoel ik provinciaals in overdrachtelijke zin: het werd incrowderig, vooral Nederlandse zangers deden mee en winnen betekende niet dat je automatisch een internationale carrière te wachten stond. Dat is dus veranderd en dat is goed.

Ik ben niet zo’n fan van concoursen. Ik kan het niet, eraan meedoen bedoel ik, (inmiddels ben ik er trouwens (gelukkig) kilometers te oud voor, dus het hoeft niet meer ook, da’s wel weer een lekker uitgangspunt om moeilijk te doen over concoursen); ik ben er te faalangstig voor en ik kan niet in twee minuten heel mijn hebben en houwen op de vleugel leggen, ongehinderd door wat ik van de situatie vind. Ik was voor het eerst op het IVC met mijn toenmalige zanglerares in 1984 en keek er mijn ogen uit. Allemaal gestresste mensen die fladderig heen en weer renden, onduidelijke inzinggeluiden uit benauwde kamertjes en veel, heel veel bobo’s die gewichtig rondliepen.

Inmiddels zijn we 24 jaar verder en ben ik minder snel onder de indruk, maar ik blijf zéér gemengde gevoelen houden ten opzichte van concoursen. Ik snap de we de beste zangers en zangeressen moeten hebben om de prachtige muziek te vertolken die er in al die eeuwen vóór ons geschreven is. Maar of we ze op deze manier vinden is maar de vraag. Want veel van die mensen zijn erg goed, maar ook erg kwetsbaar en aan concoursen meedoen is niet de manier om je kwetsbaarheid om te zetten in goeie zangprestaties. Zorgvuldig opleiden en sterk en zachtaardig maken lijkt me een betere weg, maar hoe daartoe te komen, daarvoor heb ik niet één twee drie de beste oplossing. Want tegenwoordig moet je je bewijzen vóórdat je een podium op mag.

Er valt veel te genieten tijdens het IVC en tijden het Elisabethconcours in België en tijdens het Singer of the world-concours in Wales of daaromtrent, begrijp me goed, maar ik zie toch vooral zenuwen en angst en minder liefde voor het vak en sex-appeal en voordrachtskunst.

Maar het is goed dat het IVC weer meetelt in klassiek Nederland. Dat wel!

Pomp and circumstance

Ooit naar de Proms gekeken? En dan bedoel ik de Promsconcerten op de BBC die altijd ergens in de zomer zijn en die afgesloten worden met een groot concert (met geintjes) in de Royal Albert Hall in Londen. Er is altijd een leuke, op dat moment bekende zangerd of zangeres en/of instrumentalist en het publiek mag meezingen, deinen, serpentines gooien en zich bijzonder uitdossen. Laat dat maar aan Engelsen over: zich bijzonder uitdossen. Ik kijk altijd mijn ogen uit.
Op het eind is er altijd een speech van de dirigent (waar-ie volgens mij erg tegen op ziet, wie hij ook is) en dan komt de mars waar heel Europa zich altijd op verheugt, want je kan er zo leuk op door de knieën: The Pomp and Circumstance Military March, opus 39, nummer 1 (da’s de volledige titel). Het standbeeld van dirigent Sir Henry Wood, dat tijdens The Proms centraal in de Hall staat, lijkt zich altijd op te richten als de aanzet gegeven wordt.

Vandaag in 1930 (20 september) was de premiere van de vijfde mars, gedirigeerd door Sir Henry Wood. De titel van de marsen zou afkomstig zijn uit de derde acte van Shakespeare’s Othello, waarin de oorlog verheerlijkt wordt én van een gedicht van Lord de Tabley. Ik vraag het mij af, want 4 van de 5 marsen zijn gecomponeerd vóór de eerste wereldoorlog en volgens mij was Elgar niet zo krijgslustig. Volgens mij was het meer om de draak te steken met oorlog en vooral om duidelijk te maken dat het pedante paraderen (mooi alliteratie hè?) in schrille tegenstelling is tot de ellende van het slagveld. Ik denk dat Elgar dat nou juist wel door had.

Of het door de knieën gaan van het publiek op de maat van de muziek nou juist ook de draak steekt met dat pedante paraderen weet ik niet. Ik moet er altijd om lachen. Die hele proms-happening is er trouwens toch een naar mijn hart: eindelijk doen we eens gewoon over klassieke muziek. Wekenlang zijn er door heel Engeland concerten met klassieke of aanverwante muziek. En op de laatste avond gaat de golf van muziek en verbroedering door heel het United Kingdom. Ooit dat jongenssopraantje ‘O Danny boy’ horen zingen in Ierland en het droog gehouden? Dan bent u een bikkel!
En als je in Nederland al eens ‘Land of Hope and Glory’ zingt, het einde van mars nummer 1, dan verbroedert dat ook.
Kortom: in de link de gelegenheid om even mee te deinen. U kunt ze ook allemaal eens achter elkaar draaien, maar dan wordt het wel wat veel van het goeie, misschien krijgt u dan toch de neiging om te gaan paraderen en dat moeten we niet hebben.

Ouwe Italiaan

Weet u nog dat we het in deze kolommen al eens hadden over ouwe Italianen? U weet wel die Italiaanse componisten in de jaren van ongeveer 1650 tot pak ‘m beet 1800, die zulke mooie ouwe ariaatjes schreven, die op hun beurt zo prachtig kunnen dienen als voorstudies voor het grote opera-werk.
Francesco Durante, Italiaans componist, theoreticus en muziekpedagoog is er een van. Vandaag, 13 september zoveel jaar geleden stierf hij in Napels, 68 jaar oud. Sommige bronnen vermelden trouwens 30 september als sterfdag, dat u dat maar weet, dan hoeft u niet in de gordijnen te klimmen.
Hij schreef een van de mooiste ouwe Italiaanse aria’s ooit: ‘Vergin tutt’Amor’. Er zit een prachtige piano-begeleiding onder, met dikke vette accoorden, die al vooruit wijzen naar de klassieke en romantische periode uit de muziekgeschiedenis. Daarom hulde voor die goeie ouwe Francesco in deze rubriek.

Om het beeld maar even compleet te maken:
Hij werd geboren in Frattamaggiore bij Napels op 31 maart 1684. Hij studeerde aan het Conservatorium in Napels en was vermoedelijk rond 1700 leerling van Giuseppe Ottavio Pitoni in Rome. Korte tijd gaf hij les aan hetzelfde conservatorium waar-ie aan studeerde en ging later lesgeven aan het conservatorium in Loreto (trouwens ooit in Loreto geweest? Er staat een werkelijk grotesk enorme kathedraal, die over het geboortehuis van Maria is gebouwd. Volgens een legende zou het geboortehuis van Maria door engelen van Nazareth naar Loreto zijn getransporteerd, ja ja?)

Zijspoor, terug naar het hoofdspoor: Durante was een van de belangrijkste componisten van zijn tijd. Hij componeerde kerkmuziek (missen, psalmen en motetten), oratoria en muziek voor klavecimbel. Het is merkwaardig dat hij geen opera geschreven heeft (kan natuurlijk verloren zijn gegaan: 1684 is lang geleden, wat je niet allemaal kunt kwijtraken in die tussentijd?), want al zijn liederen zijn een beetje opera-achtig, een van de redenen waarom ik ze zo graag zing. Ik las wel ergens dat hij drie keer getrouwd was; misschien gaf hem dat genoeg ‘opera’.

Durante werd vooral bekend als leraar, minder bekend als componist. Hij schijnt erg streng en op de letter geweest te zijn voor zijn leerlingen. Zijn muziek ?klopt? en studeert mede daarom makkelijk in. Het spreekwoord ?those who can, do, and those who can?t, teach? is dus absoluut niet op hem van toepassing.
In Wenen ligt in de keizerlijke muziekbibliotheek een deel van zijn originele manuscripten.

Op zoek naar een mooie opname op You tube schrok ik van de middelmatigheid waarmee de aria gezongen werd. Dat had Durante niet verdiend, dus heb ik geen link opgenomen: u mag zelf zoeken.

Berichten uit de klassieke samenleving

Nou, sorry hoor, dat ik me vandaag pas meld…. Drie heerlijke wandeldagen gehad en effe mijn mond gehouden, nou ja, zangtechnisch gesproken dan, gekletst heb ik genoeg in die drie dagen, maar dan met een hele speciale vriendin… en mijn echtgenoot (zijdelings… hij liet ons vrouwen lekker kwetteren) al lopend door de Vulkaaneiffel (en de regen…). Het was heerlijk. Ik heb twee berichtjes voor u: een uit het heden en een uit het verleden.

In Bayreuth komt het weer goed: twee achterkleindochters van Wagner gaan er het door hem opgerichte theater leiden. Zij zijn halfzusjes (de precieze familie-achtergronden zijn mij ook niet bekend, die mag u zelf uitzoeken en schrik niet: de Wagnertjes zijn geen lieverdjes) en achterkleindochters van de grote Richard, u weet wel die van Der Ring des Nibelungen en zo…
Ze werden verkozen boven een achterkleinzoon, die weer geen broer van de zusjes is, maar een neef of zo (ja ja, zou mijn vader zeggen, en die moest oom zeggen tegen de Bummelse Meulen…) en boven Gerard Mortier, de wereldberoemde intendant die overal voor hoge kwaliteit opera zorgt en voor polemiek. Nou zullen de zusjes Wagner heus Mortier niet nodig hebben voor polemiek, die komt er toch wel wat ik u brom. Oef, wat ben ik blij dat ik daar niet werk, in Bayreuth.

Wist u dat Mozart en Haydn vrienden waren? (boem, zonder bruggetje zo in het verleden) Ze hebben elkaar een paar keer ontmoet. Haydn was er vóór, tijdens en na Mozart. Toen hij in 1791 in Londen was hoorde hij dat Mozart gestorven was en toen moet hij gezegd hebben: ’s werelds grootste componist is gestorven (of woorden van die strekking, ik was er niet bij). Ze boden nogal eens tegen elkaar op in die tijd: Mozart claimde dat hij een muziekstuk zo moeilijk kon maken dat Haydn het niet zou kunnen spelen. Het kwam tot een weddenschap: bij de eerstvolgende gelegenheid dat ze elkaar weer zagen was het stuk klaar. Haydn begon welgemoed te spelen en ja hoor, hij liep ergens in het midden vast bij een noot die zo lastig op de piano lag, dat hij hem niet kon raken, niet met alle tien vingers die hij tot zijn beschikking had. Hij erkende zijn nederlaag en schoof het stuk door naar ‘Woolfie’. Die begon te spelen en bij de lastige noot aangekomen, speelde hij die wel… met zijn neus. Als u weet om welk stuk het gaat: laat het me weten!

Volgende week weer een echt stukkie én een nieuwe aflevering van Vocalies.

Berberian

Op Stroomopwaarts.com kwam een reactie op een stukje dat ik schreef (hoera!). Het was ook een verzoek om iets te schrijven over Cathy Berberian en voila, een onderwerp voor een volgend weblog over klassieke muziek. Eerst maar iets over haarzelf.

Catherine Anahid Berberian werd geboren in Attleboro, Massachusetts op 4 juli 1925. Ze stierf in Rome in 1983, veel te vroeg, want ze had nog van alles moeten en kunnen zingen. Eigenlijk was ze geen zangeres, maar vocalist, want ze kon heel veel met haar stem, zo niet alles wat een stem redelijkerwijs aankan.

Ze was een tijdje getrouwd met componist Luciano Berio, die stukken voor haar schreef, net als andere avantgarde-componisten: Sylvano Bussotti, John Cage (die trouwens prachtige liederen schreef, zeer zingbaar), Hans Werner Henze en Igor Stravinsky. Toch niet de minste jongens, zou je zeggen.

Toen ik in 2004 een programma mocht samenstellen met als thema De menselijke stem moest Cathy van de partij zijn. We draaiden toen, als ik me goed herinner ?Stripsody?, waarmee ze bij het grote publiek bekend werd. In Nederland hebben we ook zo?n stemkunstenares, Greetje Bijma. Die kan ook (bijna) alles met haar stem.

Grote delen van de kundigheden van Berberian en Bijma snap ik en waardeer ik. Ik heb, ik denk net als zij en net als iedere geboren zanger (let op niet ik zeg niet : ?iedere goeie zanger?), een niet te stuiten drang om te proberen accenten te imiteren, geluiden na te doen, in discussie te raken met vogels (wat met merels soms lukt!) terug te mauwen tegen mijn poezen (vreselijke kletsmeiers, maar waar ze het over hebben?), uit een hondenjank af te leiden wat de hond bezighoudt, aan ‘s mensens stem hun psychische nood of pijn te horen en alle akoestieken uit te proberen.

Dat komt niet voort uit geldingsdrang en zelfs niet uit ijdelheid, maar uit een belangstelling voor wat die stem kan en teweeg kan brengen en de fascinatie voor het menselijk geluid. Die drang moet Berberian gehad hebben en uit Greetje Bijma?s performances valt af te leiden dat zij die drang ook heeft (je denkt soms als je haar bezig ziet en bezig hoort dat ze knettergek is . . en dat zullen mensen soms van mij ook wel denken; overigens houd ik het liever op prettig gestoord).

Ik ben geen avant-garde zangeres, Peter (die reageerde op Stroomopwaarts). Ik kan het niet zingen, omdat ik te ?tonaal? opgevoed ben , een luie lezer ben en aartsconservatief van geest. Maar er valt vast veel moois te beleven bij de hedendaags klassieken. Ik beleef klassieke muziek uitsluitend voor mijn lol (vooral nu ik er niet meer mijn brood mee hoef te verdienen en niet meer politiek correct hoef te zeggen dat hedendaags klassiek ?best interessant? is). Die lol wil ik delen, van de daken schreeuwen en er mensen mee binnen hengelen, binnen de klassieke muziek bedoel ik dan.

Maar respect heb ik wel voor ze: voor die medestudent die moeiteloos kon treffen en waanzinnig snel van toonsoort naar toonsoort kon schakelen, voor de Cathy Berberian?s van onze tijd, voor iedereen die componeert of pogingen daartoe doet, zelfs al ontaardt het vaak in klereherrie. Daarom hier een linkje naar Cathy: Sequenza III, geschreven door Luciano Berio.

Festivals

Het is zomer, dus we worden weer om onze oren geslagen met Festivals. In Salzburg, het Holland Festival zal een dezer dagen wel weer de kop op steken (of is het al geweest?), de Uitmarkt in Amsterdam, Lowlands (gun die pop-jongens nou ook eens wat) de Boulevard in Den Bosch (waar ik zelf ooit eens hoop te staan, tegen die tijd zal ik u waarschuwen).

Mijn echtgenoot en ik stropen de Boulevard in Den Bosch elk jaar met toenemend plezier af. Ik mis er altijd de klassieke muziek, maar ik kan gelukkig ook gegrepen worden door andere kunstvormen, dus ik geniet toch wel. Mijn echtgenoot ontwikkelde een neus voor leuke voorstellingen en ik laat mij ieder jaar verrassen.

Afgelopen donderdag bijvoorbeeld, kwam ik toch nog een beetje aan mijn (muziek)trekken met de voorstelling ‘Tsjechov bij de bushalte’. Mijn ouwe grote baas bij de AVRO zat naast me en was geloof ik ook geamuseerd (als AVRO-baas sla je je nou eenmaal niet op de knieën van plezier . . .).

Aan het einde van het stuk trok een carnavalesk uitgedoste koperblaasband door het veld en luidde zo hilarisch het einde van het stuk in. De blazers zaten bij ons in de pendelbus terug en ze wisten de overvolle bus nog aan het zingen te krijgen ook. Op zulke moment voel ik mij bevoorrecht in Den Bosch te wonen: wie zegt het me na: op een mooie zomeravond met een bus vol leuke mensen en je arm om je lief heen door het buitengebied van Den Bosch rijden en met de band meebrullen: ‘Tanze mit mir in den Morgen’. Goed, klassiek is het niet, maar leuk wel . . .

In de Volkskrant van deze week een uitgebreid verslag van de Festspiele in Salzburg, waar mijn idool Rolando Villazon de sterren van de hemel zingt. Ze mauwen daar nu weer dat ze Gerard Mortier, de vorige intendant, missen, die in het verleden altijd voor polemiek zorgde. Meer bepaald mauwde de recensent in de Volkskrant daarover. Ik las het stuk nog eens en dacht: wat zijn jullie toch verwend: gaat het eindelijk eens goed (‘Meer dood dan liefde in Salzburg’) verlangen jullie terug naar de tijd dat Mortier iedereen woest wist te krijgen. Mocht ik er maar eens een paar jaar intendant zijn.

Samenvattend: er is veel leuks te beleven op al die festivals. En het leukste is het als je je er volledig in onder kunt dompelen. Volgend jaar proberen we een paar dagen vrij te nemen en gaan we gewoon hele avonden in het theater hangen.

En ooit, als ik nog es rijk word . . . ga ik met mijn lief naar zo’n sjiek festival als Salzburg, of Bregenz of Bayreuth. Strak pak aan (ik ben geen type voor avondjurken), hoge hakken. Mijn lief op zijn best aangekleed en dan op de mooiste plaatsen in het theater zitten en naderhand intelligent verkondigen dat je toch meer van polemiek houdt . . .

Geniet er nog maar even van, vóór u het weet moet u weer in het gareel en klopt de herfst aan.

En in het linkje: Gerhard Wendland met ‘Tanze mit mir in den Morgen’, kunt u ook lekker effe ongegeneerd meebrullen . . . (het is wel heel erg…, ik heb u gewaarschuwd!)

Paljas

Vandaag, maar dan in 1919 overleed Ruggiero Leoncavallo. Operacomponist. Niet zo heel bekend en niet bepaald een veelschrijver, maar wel de schrijver van de opera die vooral bij leken heel bekend is: I Pagliacci, oftewel De Clowns (De Paljassen, maar da’s zo’n lelijk Nederlands). Vooral de aria Vesti la giubba is bekend, u weet wel, met die snik erin (nou ja snik, eigenlijk snikken).

Eigenlijk is het nogal een larmoyante aria. Ik heb er amateurs zowel als professionals bij horen schmieren dat het een aard had, maar iets heeft-ie, die aria. Meestal raakt-ie me, hoe schmierderig ook. Eigenlijk is het gewoon een in Italiaans opera-sausje verpakte smartlap. Ik heb zitten piekeren over die titel ‘Vesti la giubba’. Er is slechts een vrije vertaling van te geven: doe je kostuum aan, zet je masker op…

Hieronder even iets over Leoncavallo en over de opera I Pagliacci.
Ruggero Leoncavallo werd geboren in Napels en studeerde daar ook aan het conservatorium. Zijn eerste pogingen als operacomponist hadden geen succes. Hij zwierf een tijdje door Frankrijk, Egypte, Engeland en Duitsland. Pas in 1892 had hij succes met de korte opera I Pagliacci. De première ervan vond plaats in Milaan, onder Toscanini, en was een doorslaand succes. De Italianen zijn gek op de opera.

Leoncavallo moet een beminnelijk persoon geweest zijn; ik las ergens dat Puccini van hem gezegd heeft dat hij het hoofd van een leeuw en het hart van een kind had.
Na I Pagliacci volgden nog een paar opera’s, maar die hielden geen repertoire. Ik ken ze ook niet (alsof dat wat zegt…): La Bohème, Zaza, Roland en Maia. Leoncavollo schreef ook operettes (Malbrule en Are you there), orkest-, piano- en koorwerken en liederen. Hij overleed in 1919 in Montecatini.
De plot van I Pagliacci… Nou ja plot… Veel jaloezie, haat, liefde, kortom: alles wat de veristische opera in die tijd had. Het ging gelukkig over ‘gewone’ mensen. Aan het einde, na slechts twee actes en ongeveer een uur, heeft Canio het laatste, dramatische woord: “La commedia è finita!” Onduidelijk blijft en dat vind ik nou juist zo interessant, of hij het tegen het publiek heeft, tegen zijn vrouw die hem bedrogen heeft en die hij vermoord heeft, of in het algemeen…

Ik vond een behoorlijke vertaling op internet, bij onze vrienden van Wikipedia…

Acteren! Terwijl ik buiten zinnen ben, Ik weet niet meer wat ik zeg, of wat ik doe!
En toch is het nodig… om het werk te doen. Bah! Ben je dan geen man? Je bent Pagliaccio!
Doe je kostuum aan, poeder je gezicht. De mensen betalen om hier te zijn en ze willen lachen.
En als Harlequin je Colombina zal stelen, lach dan, Pagliaccio, zodat het volk zal juichen!
Zet je nood en tranen om in humor, je pijn en tobben in grappige gezichten – Ah!
Lach, Pagliaccio, met je gebroken liefde! Lach met de zorgen die je hart vergiftigen!

En natuurlijk twee linkjes op You tube. Er zijn pagina’s en pagina’s vol met allerlei interpretaties. Luister er maar niet al te lang naar, want je wordt er volgens mij wat baldadig van… dat gejaaank…

Mario del Monaco (vond ik de mooiste)

Van Placido Domingo staat er een heel stel filmpjes op. De filmpjes bestrijken zijn hele carrière en dat levert weer prachtig vergelijkend warenonderzoek op: hoe ontwikkelt de snik zich?
Placido Domingo in 1998