Vier Letzte Lieder

Vandaag, 22 mei in 1950 werden voor het eerst de Vier Letzte Lieder van Richard Strauss gezongen. Ze waren zijn zwanenzang, hij schreef ze in 1948, toen hij 84 was. In 1949 overleed hij. Bij het componeren moet hij geweten hebben dat zijn dood nabij was, want de liederen stralen een sereenheid en kalmte uit die hij tot dan toe niet gehad had.
De première was in Londen en werd gezongen door sopraan Kirsten Flagstad, begeleid door het Philharmonia Orchestra onder leiding van Wilhelm Furtwängler.

Drie van de vier liederen zijn op teksten van Hermann Hesse, het vierde is op een tekst van Joseph von Eichendorff. Dat laatste lied schijnt de aanleiding geweest te zijn voor het componeren van de cyclus. Prachtige dichter die Von Eichendorff, ook Schumann en Schubert gebruikten zijn teksten. Hij maakte prachtige beelden met het ritme van zijn woorden en sommige componisten kunnen die woordritmes uitstekend verklanken … dan onthou je de noten als zanger ook veel makkelijker. Het geheel ‘klopt’ en dan zing je als vanzelf zuiver en de juiste tekst.

Er schijnt nog een vijfde lied te zijn…. of eigenlijk zijn er twee kandidaten om het vijfde lied te zijn: er is een lied met de titel ‘Malven’ en eentje met de titel ‘Nachts’. Die laatste titel komt meer in aanmerking het vijfde te zijn, want dat orkestreerde Strauss; van ‘Malven’ bestaat alleen een versie voor sopraan en piano.

Niet iedereen kan de liederen zingen: je moet een stevige stem hebben en die stem sereen laten klinken, terwijl je toch gas geeft…. Als je dat niet doet kom je namelijk niet door het orkest heen… Da’s niet te onderschatten hoor, sereen zingen en gas geven tegelijk… het geheel wordt gauw te wild. Ik weet zeker dat mijn hoofdvakdocent zijn hoofd geschud zou hebben als ik in mijn conservatoriumtijd met deze liederen aangekomen zou zijn…. veel te wild zong ik in die tijd en de berusting die Strauss gewild heeft, zou ver te zoeken zijn geweest.
Voordeel van ouder worden is dat je je energie beter leert inzetten (en beteugelen). Misschien zou het nu wel gaan, al ga ik het niet uitproberen…

‘Lied voor gevorderden’ dus die Strauss-liederen. Ik heb er een paar opnamen van, eentje met Jessey Norman die je de haren te berge doet rijzen: Norman demonstreert haar enorme ademtechniek en lijkt alleen daarop uit te zijn: ‘luister eens, ik kan wel twee frases achter elkaar zingen en nog hoef ik niet bij te ‘snappenҒ. Maar zit ‘m de essentie niet in. Diezelfde hoofdvakdocent zei altijd, als ik weer eens met Mozart aan het donderjagen was (die is namelijk helemaal niet geïnteresseerd in het fysiek van een ademhalingsapparaat, die schrijft gewoon wat-ie mooi vindt en jij hebt het maar te zingen….): ’Mens, haal nou gewoon adem en zoek een goeie plek om dat te doen, als het maar logisch is en niet vlak vóór een hoge noot of midden in een woord!’ Ik ken zangers van populaire muziek, die er een potje van maken, luister maar eens naar André Hazes (of kan ik u dat niet aandoen?), die kan er echt wat van…
Hij had gelijk, die hoofdvakdocent, je leidt mensen alleen maar naar je nood toe als je benauwd probeert het einde van een frase te ‘halen’. Daar zit ‘m de essentie van de muziek namelijk niet in.

Persoonlijk vind ik de vertolking van Karita Mattila een mooie, die heb ik ook op CD en eens gedraaid in een van mijn Vocalies-podcasten. Het is leuk om de zangeressen met elkaar te vergelijken en je eigen favoriet te kiezen. Je moet wel kunnen motiveren waarom die favoriet je favoriet geworden is…

Zo, nou hebt u niet alleen een klein aanvullend zanglesje gehad, maar ook een klein, piepklein lesje in luisteren naar klassieke muziek.
Ik kopieer hieronder de tekst van het laatste lied, ter filosoferinghe ende vermaak. En wie durft nou nog te beweren dat Duits geen mooie taal is?

Wir sind durch Not und Freude
Gegangen Hand in Hand,
Vom Wandern ruhen wir
Nun überm stillen Land.
Rings sich die Täler neigen,
Es dunkelt schon die Luft,
Zwei Lerchen nur noch steigen
Nachträumend in den Duft.
Tritt her, und laß sie schwirren,
Bald ist es Schlafenszeit,
Daß wir uns nicht verirren
In dieser Einsamkeit.
O weiter, stiller Friede!
So tief im Abendrot.
Wie sind wir wandermüde –
Ist dies etwa der Tod?

In het fimpje Renée Fleming die een prachtige versie zingt. Met dikke complimenten voor de muziekregie, die u in staat stelt nog meer te genieten:
– Kijk hoe de dirigent al in het voorspel naar de zangeres toe dirigeert, alsof hij haar wil doordrenken met de muziek, voordat haar eerste inzet klink…- Luister naar de leeuwerik die in de dwarsfluit zit en later, als-ie verder weg is, in de piccolo’s;
– Luister naar de lange, lange lijnen van de zinnen, die een ijzeren ademhalingstechniek vereisen (die Fleming in huis heeft, chapeau!);
– Hoor hoe even de eerste violist erdoorheen klinkt in een zeer serene passage.
Prachtig, prachtig, prachtig!

Covent Garden

Een bijzondere verjaardag vandaag, het is namelijk de verjaardag van een gebouw: het Royal Opera House Covent Garden, meestal kortweg ‘Covent Garden’ genaamd, werd vandaag in 1865 geopend. Niet dat het er al niet was…

In 1728 nam een impresario, John Rich, The Beggars Opera van John Gay op het repertoire. Dat was zo’n succes dat hij genoeg kapitaal vergaarde om een theater te bouwen. In 1732 al geopend, maar door vuur en ander ongerief een paar keer geheel of gedeeltelijk verwoest, werd het in 1858 op 15 mei weer geopend. In 1990 heeft men een echte stevige reconstructie doorgevoerd en nu is het al twintig jaar rustig, tenminste wat hamergeklop en gezaag betreft: voor de rest bruist het van de activiteiten.

Covent Garden is de thuisbasis voor The Royal Opera, het Royal Ballet en het bijbehorende orkest. In de eerste honderd jaar van haar bestaan was Theatre Royal zoals het toen nog heette, vooral een theater voor toneelstukken.

In 1734 werd het eerste ballet (Pygmalion) er opgevoerd en een jaar later begon men opera’s van Händel uit te voeren. Händel schreef veel van zijn werken speciaal voor Covent Garden.
In 1734 was er de eerste opera te zien: Il pastor fido van Händel. Niet zo’n succes, maar er kwam meer opera: Ariodante (ook van Händel). In 1743 ‘ging’ de Messiah, een groot succes.

Tot aan de brand in 1808 was het druk in The Royal Theatre. Men begon de herbouw in december 1808 en al in september 1809 (!) speelde Shakespeare’s Macbeth er.
Leuke anekdote uit die tijd: de manager John Philip Kemble verhoogde de prijs van de kaartjes om de kosten voor het herbouwen te verminderen. Dat pikte zijn publiek niet en die begonnen uitvoeringen te saboteren door stokken tegen elkaar te slaan, te sissen en boe te roepen en door tijdens de uitvoeringen te dansen in de zaal (lekker stelletje, dat publiek!) Ze hielden dat gedrag meer dan twee maanden vol en uiteindelijk kregen ze hun zin: de prijs van de kaartjes bleef bij het oude bedrag.

In 1856, zoals gezegd brandde het zaakje weer eens af en werd heropend op 15 mei 1858. Meyerbeer’s Les Huguenots was de opera waarmee de opening gestalte kreeg.

Tijdens de tweede wereldoorlog was Covent Garden nog even een danszaal en dreigde dat na de oorlog te blijven, maar na lang onderhandelen kregen muziek-uitgevers Boosey & Hawkes het vruchtgebruik van het gebouw.

De versie van 1865 hield het vol tot in de zestiger jaren van de vorige eeuw. Toen werd er hier en daar al gerenoveerd en uitgebreid. Men kreeg wel in de gaten dat er een grote renovatie nodig was en die startte dus in de negentiger jaren van de vorige eeuw.

En ze gaan met hun tijd mee daar in Covent Garden. Ze hebben een hele leuke overzichtelijke website, waar je ook nog wat kunt leren over klassieke muziek en het puilt er uit van de activiteiten. Hopelijk kan dat zo blijven, ook in de turbulente tijden waarin Groot Brittannië nu verkeert. Het eerste waar zo’n regering op gaat bezuinigen zou wel eens de kunst kunnen zijn…

Hoe dan ook: happy anniversary Covent Garden! (al is het maar de vraag of ze er zelf bij stilstaan!)

Dame Flott

Vandaag in 1947 werd Dame Felicity Lott geboren. Ze is ook wel bekend als ‘Flott’ en daar hou ik van: van iemand die zichzelf genoeg kan relativeren om het niet erg te vinden dat ze ‘Flott’ genoemd wordt. Ik ga er tenminste vanuit dat ze dat niet erg vindt, want het staat op haar eigen website… ‘Flott’ in het Duits betekent net zo iets als elegant, een beetje hetzelfde als ons ‘vlot’. Felicity Lott is Engels, en in het Engels heb ik andere beelden bij de term ‘Flott’ U ook? Als je de foto’s bekijkt lijkt ze een dame die het hart op de tong heeft, of zoals de Engelsen zeggen ‘she speaks her mind’.

Ik voel me een beetje met haar verwant, want iemand dierbaars die er nu niet meer is, heeft onze stemmen ooit gekwalificeerd als op elkaar lijkend en ik wil best op Felicity Lott lijken, vooral als ze haar ‘Flott’ noemen… ook ik heb het hart op de tong en ben bij vriend en vijand bekend als direct (en dan zeggen ze het nog voorzichtig… ahem).
Ze is van alle markten thuis, onze Dame Flott… ze zingt wonderschoon Vaughn Williams (alsof het voor haar geschreven is, zo transparant en klaar van klank) en ik heb een CD van haar van ‘La grande Duchesse de Gerolstein’ (in het Frans gezongen Offenbach) waarop ze stralend van pret (en niet meer jong, maar wat doet dat ertoe?) op de voorkant staat en als je de cd draait hoor je de pret (een soort duivels genoegen) in haar stem terug. Dat is knap, als je dat kan… daarom: gefeliciteerd Dame Flott, en hieronder nog even je CV als eerbetoon…

“Flott” werd geboren in Cheltenham. Op haar vijfde ging ze piano studeren, leerde daarnaasr viool spelen en begon op haar twaalfde met zanglessen . In eerste instantie besloot ze om niet een professionele carrière als zangeres na te streven, ze ging Frans en Latijn studeren. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan en in 1969 ging ze toch in Londen aan de Royal Academy of Music zang studeren. Ze verliet met diploma en prijzen in 1973 die leerschool en maakte haar debuut als Pamina in Mozart’s Die Zauberflöte (ik heb daar eens een Engelse versie van gehoord die je de haren te berge doet rijzen, maar alla, het zij haar vergeven).

Ze had een lange en wat merkwaardige relatie met het Glyndebourne Festival: die wezen haar drie keer af voor het koor, maar boden haar uiteindelijk een solorol aan. Dat was het begin (zoals Glyndebourne dat vaak is) van een internationale carrière: Wenen, Milaan, Parijs, Brussel, München, Hamburg, Dresden, Berlijn, New York en Chicago. Haar rollen: Marschallin in Der Rosenkavalier van Strauss, Gravin Madeleine in Capriccio van Strauss, Arabella, ook van Strauss, de gravin in Le Nozze Di Figaro van Mozart en hier eindig ik het lijstje, anders wordt het te lang…

Ze ging van operette houden (ik ook) en zong de titelrol in Die Lustige Witwe van Lehar; ze zong Rosalinde in Johann Strauss’ Fledermaus (ik ook) en Hélène in Offenbach’s La Belle Hélène (ik ook).
En terwijl zo’n carrière vordert ga je steeds meer lied zingen, omdat je leert met de fijn-penseel te schilderen, in plaats van met de witkwast (dat kan zij beter dan ik) en dus zingt ze de liederen van Vaughn Williams en van Britten zo goed. Ze heeft het geluk dat Graham Johnson al eeuwen haar begeleider is: die kan dat uitstekend en naarmate je langer samenwerkt leer je elkaar beter verstaan. Kortom: een arbeidzaam leven dat hopelijk nog lang in goede gezondheid duurt: dan kan ze nog meer moois zingen.

In het filmpje de aria van de Gravin uit La Grande Duchesse de Gerolstein. Let op de subtiele interactie met de dirigent; Geweldig!

Willy Caron

Willy Caron is dood. Afgelopen week stuurde mijn echtgenoot mij een bijna onbeduidend berichtje uit een regionale krant. Willy Caron is dood. Oeps, dacht ik, Willy Caron, waar ken ik die naam ook al weer van… ? Oh ja, met een van mijn bazen uit het verleden had ik het wel eens over hem. Die baas kwam ook uit Limburg en hield ook van klassieke muziek. We hadden verder weinig raakvlakken en na korte tijd scheidden onze wegen zich weer, maar over Willy Caron konden we het wel eens hebben. De baas floept nog menigmaal mijn gedachten in, om zonderlinge redenen en dan floept Willy Caron mee. En ik glimlach dan.

Ik kende Willy Caron niet persoonlijk. Wist dat het een goeie zanger was, een beetje van de oude stempel en dat-ie nu toch wel boven de zeventig moest zijn. Zijn goeie tijd lag in de tachtiger jaren van de vorige eeuw, samen met de Anneliese Rothenbergers, de René Kollo’s en de Rudolf Schocks. Toen het genre nog in het concertgebouw mocht, pardon, kwam, toen ‘Ein Abend in Wien’op de Duitse televisie nog stilte op straat veroorzaakte, toen operette nog operette was: soms platvloers en banaal gebracht, maar bijna altijd goed gecomponeerd en meeslepend, goed voor een avond zonder zorgen met mooie zang, zonder de zwaarte van opera.

Ik zoek op internet iets over hem op om dit stukje te kunnen onderbouwen en kom verrassend veel tegen: een website waar ik zelfs condoleance-berichten achter kan laten als ik dat wil. Een gezelschap dat de traditie van operette en aanverwante genres verder draagt poseert voor een foto. Het is een hele flinke club, de hoofden grijs (en de jurken lelijk, maar ach, wie maalt daarom…?). Willy Caron blijkt tot vlak voor zijn dood actief te zijn geweest en verdraaid een van zijn stokpaardjes is ook het mijne: ademhaling en zangtechniek!

Hieronder kort zijn levensloop, als een soort eerbetoon.
Willy Caron werd geboren op 15 juni 1934 in Venlo . Hij groeide op in een muzikaal gezin en bespeelde, voordat zijn stem werd ontdekt, al op jeugdige leeftijd diverse instrumenten, dat zullen wel blaasinstrumenten geweest zijn: meer dan de helft van Limburg is lid van een of ander blaasmjuziekgezelschap en er wordt vaak op hoog iveau muziek gemaakt.
In 1964 studeerde hij af aan het Mozarteum in Salzburg en in 1966 aan het conservatorium in Amsterdam. Toen haalde hij prijzen: als je in Italië vergeleken wordt met Caruso, heb je het daar wel gemaakt. Hij zong en zong en zong: in Hamburg, in München, in Salzburg, in Wenen, in Moskou (in het Russisch!)
Hij zat in de verfilming van ‘Le Nozze di Figaro’ was in Keulen zeventien jaar lang verbonden aan de Städtische Oper. Hij schijnt buitengewoon betrouwbaar geweest te zijn qua stem. Die deed het altijd, waarschijnlijk had hij een ijzeren techniek.

In 1998 richtte hij het Willy Caron Muziektheater op en leert hij zijn enthousiaste koor en solisten op een professionele manier zingen in gevarieerde programma’s en optredens.
Ik hoop dat de dames en heren van het Willy Caron Muziektheater doorgaan en meehelpen het operette-genre levend te houden tot het misschien ooit weer eens een bloei-periode gaat kennen. Hopelijk maken u en ik dat nog mee, Willy Caron helaas niet meer.

Ik zocht op You tube naar een filmpje voor u, Caron zingt met overtuiging ‘Ich haij van Limburg’ maar dat vond ik niet zo geschikt voor deze website… Hoewel je hoort dat er een stevig, rechttoe-rechtaan geluid in hem zit. Er is een Robert Stolz medley, maar van de sopraan daarbij krijg ik jeuk, dus dat ga ik u niet aandoen. Misschien verschijnen er binnenkort, naar aanleiding van zijn dood wat meer filmpjes, zou leuk zijn.

Dag van de stem

Gisteren, vrijdag 16 april was het de Dag van de Stem. Een initiatief dat sinds 1999 ieder jaar op 16 april plaats heeft. Die hadden we nog niet, moeten ze gedacht hebben in 1999, een Dag van de Stem. Naast Valentijnsdag, vaderdag, moederdag, secretaressedag, internationale vrouwendag hebben we nu dus een Dag van de Stem.

Mooie gelegenheid het boek van Ineke van Doorn ‘Professioneel zingen voor iedereen’ te bespreken. Het ligt hier al een paar weken, zo niet maanden op mijn bureau en ik blader er af en toe doorheen. Het is een zwaar boek, ook vanwege het besluit de pagina’s glossy te maken en het boek in te binden, niet te plakken. Het is net alsof alles erin staat, tenminste alles over de lichte muziek-tak.

Ik heb me suf zitten piekeren over onderwerpen die ik erin zou missen, maar ik kan niks bedenken waarover Ineke niet geschreven heeft , wat de stem betreft dan. Het boek is een uitstekend naslagwerk voor zangers en zangpedagogen (die heten tegenwoordig trouwens stemcoaches, dat is hipper). Ze behandelt ook een paar onderwerpen die ‘ouwerwetse’ (klassieke?) zangpedagogen niet behandelen: microfoontechniek, optredens, audities…

Het enige dat ik er niet in terug kon vinden was ‘Das gewisse Etwas’, waar ik het in deze rubrieken wel eens over heb: wat maakt een stem nou aangenaam om naar te luisteren, waarom drijft de ene stem je de tranen naar de ogen en doet de andere je de tenen krullen? Het is ook moeilijk te vatten hoe dat komt en ik ga me niet laten verleiden een poging daartoe te wagen, voorbeelden genoeg op radio en televisie.

Je bent het er zelden over eens en het is ook leuke discussiestof: ik mag graag de degens kruisen over de klassieke zangers, daar weet ik wat van. En in zo’n clubje roepen dat je vindt dat Callas vreselijk zingt levert altijd felle voor- en tegenstanders op. Onder het genot van een glas kun je dan nog uren voort.

In de pop- en jazz-wereld kan het volgens hetzelfde principe, ik hou me dan altijd een beetje gedeisd en leer bij; van jazz- en pop weet ik niet zoveel, daar heb ik slechts mijn boerenverstand en goeie smaak in te zetten. Van beide ben ik in ruime mate voorzien, als je boven de vijftig bent durf je dat wel hardop te zeggen/schrijven.

Koop het boek van Ineke vooral als u ‘iets met zingen wil gaan doen’. Een leerling gebruikte lang gelden die term toen ik vroeg waarom hij eigenlijk les wilde, terwijl hij geen spaan talent had, geen taalgevoel en weinig geheugen… ‘ik wil iets met zingen doen’. Ga d’r maar aan staan.

Denk niet dat u kunt zingen nadat u het boek hebt doorgeploegd en alle oefeningen minstens één keer gedaan hebt. Echt zingen is geen optelsom van truucjes. Er komt meer bij kijken: karakter, een gezonde, open psyche, een gezond lijf, humor, relativeringszin, discipline… en zo kan ik een alinea vol schrijven.

In een krantenartikel over haar boek noemt Ineke van Doorn een aantal (pop)zangers met een speciale stem; ik zet ze hieronder op een rijtje, zodat u ze zelf eens kunt googelen:

– Ella Fitzgerald (How high the moon)
– Billy Holiday (Don’t explain)
– Amy Whitehouse (Moody’s Mood for live)
– Janet Jackson (Again) (over hoe het niet moet)
– George Michael (You have been loved)
– Al Jarreau (Take five).

Klassiek lijstje van (een deel van) mijn favorieten in willekeurige volgorde:

– Renata Scotto (vooral haar Madama Butterfly)
– Cecilia Bartoli (coloratuur, coloratuur, coloratuur)
– Joan Sutherland (zingt jammer genoeg niet meer)
– Rolando Villazon
– Nicolai Gedda
– Boris Christoff (al lang dood)
– Bryn Terfell

Ik hou op: ga er maar mee achter You tube zitten als u tijd hebt. Vooral als u tijd hebt want voor je weet ben je uren verder…

Hulde voor Ineke van Doorn en hulde voor het initiatief van de Dag van de Stem, al vond ik er weinig van terug in kranten en op internet. We zouden er meer heisa over moeten maken, onze stem verheffen bijvoorbeeld… maar ach, in deze turbulente tijden van crisis…

Ineke van Doorn, Professioneel zingen voor iedereen
ISBN 978904940035

Wees gegroet

Merkwaardige première vandaag in 1853 en een leuke, want het is koren op mijn molen: de première van het Avé Maria van Bach/Gounod geeft mij de gelegenheid om mijn in jaren opgebouwde gram over het stuk eens lekker op u bot te vieren. Ik vind het een draak van stuk namelijk, het gaat aan alle kanten mank en het is bijna onmogelijk om het goed te zingen. Bovendien is het larmoyant en in de tijd tussen 1853 en nu al vele malen door mensen verkracht. Dus we gaan meneer Gounod postuum eens flink onder handen nemen, wat heeft hem bezield.

Johann Sebastiaan Bach completeerde in 1722 het boek Das Wohltemperierte Klavier (in 1742 kwam er een tweede boek met dezelfde titel, maar volgens mij hebben we het hier over het eerste, uit 1722 dus), vooral voor studie-doeleinden. Kon hij bevroeden dat er in 1853 (bijna anderhalve eeuw later) een goof in Frankrijk een melodie overheen zou schrijven, hij had er wellicht iets anders van gemaakt.

Ik ga het u uitleggen.
Als je als beginnend zanger wat ervaring wil opdoen, zing je nog al eens wat wij hier in het zuiden ‘rouw- en trouwmissen’ noemen: diensten ter gelegenheid van een huwelijk of een uitvaart. Dan komen de kaskrakers langs en van de kaskrakers is het Avé Maria van Bach/Gounod er een van, zo niet de grootste. De meeste mensen weten niet eens dat het door Bach en Gounod geschreven is, maar vragen om het Avé Maria ‘dat aan het einde zo lekker hoog gaat’. En inderdaad: als je het gedrocht in F zingt is de hoogste noot, vlak vóór het einde een a-2 (de wat minder hoog-gestemden onder u kunnen gerust zijn: er bestaan ook versies in E en in D). Ik heb het Avé Maria een paar keer gezongen en probeerde daarna (vaak vruchteloos) mensen te bewegen in de richting van Schubert, Mozart, Verdi (prachtig Avé Maria, uit Otello), Caccini, Tosti, affijn je noemt maar een componist; bijna allemaal schreven ze een (variant op) het Avé Maria en bijna allemaal zijn ze beter gecomponeerd dan de variant van Bach/Gounod.

Het is niet de hoge noot aan het eind die mij een hekel aan het stuk deed krijgen; ik heb een makkelijke hoogte en vanaf g-2 gaat het mij pas echt lekker: tot en met de hoge c is er geen enkel probleem en als rechtgeaarde sopraan hoor je het lekker te vinden om hoge noten te tetteren. Het is het ritme, oftewel de combinatie van twee onmogelijk samen te voegen ritmes die mij (en de begeleidende organist) irriteert. Bach schreef een regelmatig oefening, steeds twee sprongetjes in de linkerhand van de piano (eigenlijk clavecimbel, zo lees ik ergens) en drie in de rechterhand. Gounod schrijft daar een vloeiende lange lijn overheen, die op gezette tijden strijdt met de begeleiding en wat doe je op zo’n punt als intuïtief zanger: je gaat rommelen met het ritme, achter of voor lopen op de begeleiding en het wordt een zootje. Na enig oefenen komt er dan wel weer een moment dat je de kans krijgt even te wachten op je begeleider (meestal andersom trouwens: de begeleider moet maar op jou wachten, je bent tenslotte solist of je bent het niet; why be difficult, when with a little more effort you can be bloody impossible…) zodat het geheel weer even in de pas loopt, maar even later gaat het weer mis en ergens halverwege raak je elkaar voorgoed kwijt als de begeleider er niet een paar tellen bij maakt. Nou weten de meeste begeleiders dat en als ze je welgezind zijn wachten ze ook inderdaad en frummelen er een paar telletjes tussen, maar DAT STAAT ER NIET!!!!! En wat er staat is voor de meeste begeleiders wet en die gaan ze echt niet met voeten treden, al helemaal niet voor zo’n eigenwijze sopraan. Ik heb eens met een begeleider precies proberen te doen wat er stond en we kwamen bijna twee maten na elkaar uit (ik mag eraf wezen wie er het eerste de finish haalde, het is een tijdje geleden).

Dus mijn boodschap aan u: vraag niet om die draak, maar kies een harmonisch en in één keer gecomponeerde versie van een andere goeie componist; mijn advies aan Charles Gounod: frommel de partituur op en smijt hem zo hard je kunt in de prullenbak en mijn advies aan Bach: keer je niet om in je graf als je het gedrocht weer eens lang hoort komen, want dan blijf je aan het draaien.

Geen filmpje dit keer: in alle versies die ik beluisterde wordt het probleem weggemoffeld, meestal door de begeleiding zo wollig te maken dat je het niet kunt horen, of door de zangpartij mee te laten spelen doorstrijkers (die je als b-circuit-zanger nou eenmaal niet tot je beschikking hebt), waardoor het ritme volkomen zoek is. U mag zelf eens surfen en uw oren trainen… wie weet hoort u het. En ik hoor het uiteraard graag als u het met me oneens bent.

Gaan we naar Johannes of naar Matteus?

Dit stukkie komt op de website op palmzondag, passietijd…. Mooie gelegenheid om over de muziek in die tijd te schrijven. Het enige dat er nog over is van het instituut kerk, de muziek, de prachtige muziek. De rest van het instituut staat op instorten; het is zo rot als een mispel. Als ik God was kwam ik effe uit mijn hemel om het hele zaakje er met de zweep uit te jagen en ervoor te zorgen dat alleen de muziek overbleef, zodat we daarmee opnieuw kunnen beginnen. En van die kerkmuziek is Johann Sebastian Bach zo’n beetje de representant: ook dit jaar zie ik op de posters en in de pers weer de namen van studiegenoten die Johannes- of Matteus-passion-tijd hebben. Als je een van de rollen er eenmaal op hebt dan is het nu schnabbeltijd: van Groningen tot Maastricht en van Naarden tot Middelburg: overal wordt de passie gezongen. Bach is niet voor mij en ik vind dat niet erg… doe mij maar opera; die kan je bovendien lekker over het hele jaar spreiden.

Ik moet u eerlijk bekennen dat ik het nog nooit (o schande!) heb kunnen opbrengen om een van de passies, de Johannes of de Matteus uit te zitten. Ooit héééél lang geleden zong ik met het parochiekoor de koorwerken uit de Johannespassie en ik verveelde me stuk tijdens de repetities in de weken voorafgaand aan Pasen. Doe mij maar de muziek van vlak voor kerst: die is heel wat verwachtingsvoller en hoopvoller en positiever dan de muziek van de vastentijd.

Laten we de Johannes en de Matteus eens (kort; ik beoog geen volledigheid: u mag zelf surfen op internet) op een rijtje zetten, misschien vergemakkelijkt het uw keuze naar welke u toegaat, als al. Mensen beweren dat Bach vitaminen voor de geest bevat en dat zal best zo zijn, al wordt mijn geest er alleen maar ibbel van. Je hebt zo vier liefhebbers van Bach aan tafel, maar het is even makkelijk om 4 Bach-haters te verzamelen. Ik haal mijn vitaminen bij andere componisten: Mozart, Verdi, Puccini, Schubert…

Bach schreef zijn Johannespassie in 1724 voor de Thomaskerk in Leipzig; hij werd afwisselend dar en in de Nicolakerk uitgevoerd. Bach sleutelde er nogal wat aan, pas in 1749 was pas de uiteindelijke versie klaar. De Johannes is persoonlijker, directer (en korter!) dan de Matteus, daarom wat geliefder bij het publiek (de Matteus-die-hards natuurlijk daargelaten, die zijn nooit voor iets anders dan hun eigen Matteus te porren).

De Matteus (of Mattheus, wat u wilt) werd gecomponeerd in 1728/1729, dus na de Johannes (tenminste dat wordt algemeen aangenomen) en is een stuk langer en beschouwelijker dan de Johannes (zit maar eens drie-en-een-half uur op keiharde kerkstoelen in een koude kerk of nog geen twee uur….). Ook aan de Matteus werd nog een tijdje gesleuteld. De versie uit 1736 is de meest gezongen versie.

Dat de teksten uit het evangelie volgens respectievelijk Johannes en Matteus komen hoef ik u niet te vertellen. Je zou een beetje kort door de bocht kunnen zeggen dat de Johannes spannender en makkelijker toegankelijk is dan de Matteus die veel vertellender is (de rol van de evangelist, die het verhaal vanaf enige afstand bekijkt).

Jan Rot maakte een vertaling (hij noemt het zelf een ‘hertaling’ slim…) van de Matteus een paar jaar geleden, waarvan een klavieruittreksel hier op de plank ligt. Af en toe ten hemelschreiend slecht, af en toe briljant, voegt het volgens mij niks toe aan de Matteus; de illusie dat mensen Nederlands gezongen beter zouden verstaan dan Duits is volgens mij inderdaad een illusie en ik hou er niet van een werk te zingen in een andere taal dan het gecomponeerd is, het gaat uit zijn voegen, zelfs als je het goed vertaalt.

Ik zal ook dit jaar mijn neus niet in enige kerk laten zien om de passie te beluisteren, ik heb het effe gehad met het instituut. Maar ik heb wel een filmpje voor u met wat kortgeleden uitgeroepen schijnt te zijn tot de mooiste aria ooit: ‘Erbarme dich’ uit, juist…. de Matteuspassion. Hier wonderschoon gezongen door countertenor Andres Scholl. Daar haal ik nou wel vitaminen uit; ik hoop u ook.

Herrie in de tent?

Toen ik afgelopen week naar een aflevering van De Wereld Draait Door zat te kijken (trouwe lezers weten dat dat één van mijn lievelings-programma’s is) was er een item op over slagwerk. In diezelfde show zat trouwens ook een item over harp, maar daar heb ik het nou even niet over.

Ik dacht terug aan de tijd dat ik overwoog naar een conservatorium te gaan, het zal tussen 1980 en 1985 geweest zijn. Ik ging hier en daar eens in de keuken kijken en kwam in Arnhem, min of meer toevallig in de slagwerk-demo-les terecht.

Ik had tot dan toe gedacht dat ‘drummers’ altijd een beetje de domme jongens van de band waren. Geef ze twee stokken en ze rommelen verder wel aan… al is dat dan soms wat lawaaierig. Ik kon met goed fatsoen het lokaal niet meer uit, dus schoof ik een beetje geïrriteerd aan bij de houten stoeltjes. Nou daar heb ik mijn lesje geleerd. Goeiemorgen, wat is dat een gecompliceerd vak.

Het schijnt zo te zijn dat organisten het grootste deel van hun hersens gebruiken als ze volop aan het spelen zijn: ze hebben dan immers handen en voeten nodig en bij de moordende polyfone muziek van Bach en zijn companen moet je ook nog eens sommige melodieën harder laten klinken dan andere. Slagwerkers komen direct daarna, of zijn gelijkgeschakeld, wat die hersenhelften betreft.

Mijn mond viel open: al zou ik vijfentwintig jaar studeren, dat zou ik nooit kunnen. Al bij mijn piano-spel valt het op dat ik blijkbaar niet in staat ben mijn twee hersenhelften te scheiden: ik kan niet links luid en rechts zachtjes spelen of andersom, altijd doet de linkerhand met de rechter mee, om nog maar te zwijgen van het onvermogen meer noten tegelijk te lezen en om te zetten in muziek.

Ik had zeven jaar (!) les van niet de minste docenten en aan het einde van die zeven jaar gaf de commissie me zuchtend een 6-; ik zou het nooit leren; het zou maar het beste zijn als ik lesgaf met een pianist erbij. Dat probleem is voor een groot deel op te lossen door bandjes, CD-tjes en karaoke-ellende, maar als je klassiek les geeft en echt wil peuteren en interpreteren moet er een pianist bij en die dien je te betalen, want voor eerlijk werk hoort eerlijk geld.

Toen en daar verdween mijn vooroordeel over slagwerkers voor altijd. Ik verliet met het schaamrood op de kaken na de les het lokaal en heb daarna nooit meer denigrerend over ze gesproken, integendeel.

En woensdagavond jl. werd die beslissing nog eens bevestigd: er zaten zeven slagwerkers van zeven bekende bands aan tafel bij Matthijs. Vrijgevochten jongens, allemaal, maar spelen meneer de dokter, spelen… ze doen iets voor Soedan geloof ik met hun stokken, maar dat zal me allemaal worst wezen. Slagwerk is heerlijk, vooral als je thuis in je stoel zelf bij de volume-knop mag zitten en je er zelf voor kunt zorgen dat niet je lever en je nieren in de war raken en je ribbenkast rammelend een goed heenkomen zoekt. Je moet het gewoon niet te hard zetten, da’s alles. En ik zat te genieten van het loei-strak gespeelde eindstukkie: allemaal helden die jongens!

Ook de slagwerkjongens van grote orkesten zijn helden. Ik heb u vast wel eens verteld dat ik in een koor meezong en we Mahler’s Derde deden, waar een dubbele slagwerksectie inzit. De eerst drie kwartier heb je als koor niks te doen en ik vond dat in dit geval niet erg: ik zat een meter achter de slagwerksectie en heb me al die tijd vergaapt aan het enorme vakmanschap en de discipline waarmee de man of vijf, zes zich van hun taak kwijtte en tussendoor nog tijd had om onderling subtiele grapjes te maken ook.

Het meest dramatische moment was wel dat de in de finale van de symfonie er een enorme bekkenslag diende te volgen. Die slag was niet met zomaar een bekken, nee speciaal daarvoor had men de grote bekkens van stal gehaald, die jongens van een centimeter of vijfenzeventig doorsnee. De slagwerker die de eer te beurt viel stond ijverig mee te tellen en ik hield alvast mijn hand een beetje bij mijn oor, omdat ik wist dat er een enorme dreun zou komen; ik stond er vlakbij. De dreun kwam niet… hij miste ‘m! Ik zag de paarse vlekken opkruipen in zijn nek en de blik van de dirigent was bijna dodelijk. Wat had ik een medelijden met de man… ik had ‘m zo in mijn armen willen sluiten om hem te troosten. Hopelijk heeft die misser hem geen problemen veroorzaakt: het was de luidste misser in een orkest ooit…

In het filmpje een hilarische combinatie van voetbal, reclame, vriendschap en klassieke muziek… het gaat wel niet over het stukkie hierboven, maar het was te leuk om u te onthouden. U moet wel even doorbijten, want het duurt even voordat de clou in zicht komt.

De ideale Carmen?

Ik ga in dit stukkie een aan u gedane belofte breken. Ik had u beloofd u niet meer door te zullen zagen over Carmen over Carmen, mijn muzikale ‘kindje’ van deze tijd (zie eerdere stukkies). Ik kom op die belofte terug, want ik zag dat vandaag in 1949 Julia Migenes geboren is. En dat is een te mooie gelegenheid om voorbij te laten gaan.

Julia Migenes is namelijk de ideale Carmen en mijn grote voorbeeld in die rol. Ze is rank, licht getint, heeft een bos ontembare krullen, zingt direct en met een iets donkerbruine stem en kan dansen als een volleerd Flamengo-danseres. Ik heb na haar geen betere Carmen gezien, hoewel er mezzo’s zijn die er dicht bij kwamen, in sommige aria’s. Migenes speelt echter geen Carmen: ze zet een knop om en wordt het. De film waarin ze met tegenspeler Placido Domingo zingt is weergaloos. Hij ligt hier op de plank als VHS-video en is dus onbruikbaar, maar ik sprokkelde op you-tube alle belangrijke scènes bij elkaar en heb dus zo goed als de hele film nog eens gezien.

Ik ben een heel ander type mens, zowel qua stem als qua uitstraling. Ik ben bovendien niet ‘dansant’ hoewel mijn regisseuse annex dansjuf nog een aardig eind gekomen is (en dat zegt heel veel over haar kwaliteiten en minder over de mijne). Dan kun je Migenes als voorbeeld hebben, maar je kunt het niet kopiëren (en da’s maar goed ook); je kunt er wel je eigen draai aan geven en dat heb ik gedaan. Ik had bovendien ook een aantal houterige, ‘Jacoba’s hooggesloten’, koelkasten Carmen zien en horen zingen en wist dus ook goed hoe ik het niet wilde. Dat kan ook heel handig zijn.

Daarom als dank (niet dat ze het ooit kan lezen, dit stukkie…) en als eerbetoon even de levensloop van Julia Migenes.
Julia Migenes werd dus geboren op 13 maart 1949; in New York in een gezin van Griekse, ierse en Puertoricaanse afkomsten.
Ze zong haar eerste opera-rol al heel jong: namelijk als het zoontje van Madama Butterfly in Puccini’s gelijknamige opera. Toen Leonard Bernstein zijn oog op haar liet vallen ging het snel: ze kwam op televisie in de concert-serie ‘Young People’s Concerts’

In 1964 stond ze op Broadway in de originele cast van Fiddler on the Roof en ze speelde Maria in West Side Story. In de laat zestiger jaren ging ze werken aan de Wiener Volksoper
In de zeventiger jaren verhuisde naar München en werd daar bekend met het zingen van opera en operette. In die tijd was ze zeer regelmatig op TV. Een schoonheid is ze niet te noemen, maar ze heeft heel veel , ècht heel veel ‘das gewisse Etwas’(daar tamboereer ik altijd nogal op: een artiest moet dat hebben, dan komt het met de rest ook wel goed….)
Ze zong ook aan The Met: in Alban Berg’s Lulu. Toen ze zong in Genève zag filmregisseur Francesco Rosi haar en hij castte haar voor Carmen (de film); ze won er een Grammy mee (en terecht!).

En nu wordt het een lijstje: ze maakte meer dan 20 CD’s; werd genomineerd voor de César Award, voor beste actrice. Haar one woman show, Diva on the Verge is op DvD verschenen; ze speelde gastrollen in talrijke TV-series en trad op in de operafilm van ‘La Voix Humaine’. Ze dans als een godin en heeft een sterke, seksueel geladen (maar nooit over de top) uitstraling. Ze is vandaag 61 geworden en heeft nog niks van haar glans verloren, in tegendeel.

Ik aarzelde wat ik van haar zou opnemen, Carmen’s slotscène, doet haar stem niet echt recht en andere aria’s uit Carmen zag u al eens in deze contreien. Ik kwam haar heerlijke rechttoe-recht-ane vertolking/vertaling van een aria uit Lucia die Lammermoor tegen (uit haar One Woman show ‘Diva on the Verge’). Ga de DvD kopen want dat belooft een hele leuke te zijn!

Eileen Farrell

Zo af en toe lees ik ook nog eens boeken over klassieke muziek. Bij het zoeken naar iets anders kwam ik het boek ‘Can’t help singing’ tegen van en over de sopraan Eileen Farrell. Ik dacht: mooie aanleiding om eens iets te doen wat ik op Vocalies nog nooit gedaan heb: een boekbespreking.

Sopraan Eileen Farrell (1920-2002) was een van de groten van de vorige eeuw, maar was gewoon lekker aan het werk terwijl de andere diva’s voor roddel en achterklap zorgden en daardoor is ze minder bekend. Ik dacht mezelf eens een plezier te doen en kocht het boek. Het is in het Engels, maar het leest als een trein. En al lezend steeg mijn respect voor deze heerlijke no-nonsense sopraan, die behalve uitstekend opera en lied, ook heel goed pop en jazz zong.

Je hebt wel eens van die uitstapjes van klassieke zangers naar pop (of andersom, zoals ik laatst al eens schreef) en meestal gaan je tenen krullen, maar bij Farrell was dat (in ieder geval bij mij) niet het geval; ze zet gewoon een ander knopje aan en laat het knopje voor timing en goeie smaak aan. Geweldig. Daarom even een kort biografietje en de tip: lees het boek: het loopt als een trein, is met de nodige humor en relativiteitszin geschreven en je pikt er hier en daar nog interessante tips uit over zangtechniek, zoals op blz. 56, waar ze een aardige beschrijving van ademsteun heeft opgenomen. Ik kan me uit mijn zingend leven herinneren dat je soms enorm kon worstelen, zowel als leerling als als pedagoog, met een technisch probleem, en dan komt er een andere pedagoog en die zegt hetzelfde, maar net op een andere manier en huppekee, het kwartje valt… Kennudat?
Zo ook bij Farrell, ik lag in bed terwijl ik het las en deed even na wat ik dacht dat zij bedoelde en floep de adem schoot op zijn plaats (en bleef daar ook en da’s de kunst bij ademsteun: laag inademen en de adem laag houden).

Haar ijzeren discipline en techniek stelde haar in staat tot op zeer hoge leeftijd door te zingen, in alle genres. Er is een ontroerend filmpje op You tube, waar ze begeleid door Leonard Bernstein (jawel, de grote meester himself!) een prachtige song uit ‘On the town’ zingt; je hoort haar leeftijd niet. En haar verhalen over The Met en de mensen die ze daar ontmoet zijn hilarisch en soms dodelijk analytisch. Het meest significante verhaal (sorry, vreselijk woord…) was wel haar ontmoeting met Maria Callas. Ze zag La Callas zitten in een restaurant, kende haar nauwelijks, maar merkte op dat Maria er wel heel verloren bijzat. Dus riskeerde ze een arrogante snauw van de diva en ging toch maar even een handje geven. Callas was duidelijk opgelucht aanspraak te hebben en ze praatten een half uurtje, waarop Eileen terug moest naar de gast met wie ze binnen gekomen was. Toen ze het restaurant later verliet zat Callas er nog… alleen…

Lekker no-nonsense getrouwd met een New Yorkse politieman en twee kinderen koos ze er uiteindelijk voor niet meer aan The Met te werken omdat ze niet de slechte sfeer kon (iets waar The Met tegenwoordig nog steeds berucht om is…). Mevrouw Farrell was dan liever thuis bij haar man en kinderen en deed liever iets leuks met de vrienden als op het toneel staan van The Met. Lekker puh… ik hou daar wel van…
Kortom: ik sloot Eileen Farrell, unbekannterweise in mijn hart nadat ik de laatste pagina gelezen had en ik weet bijna zeker dat u dat ook zult doen als u besluit het boek te lezen.

‘Can’t help Singing’,The life of Eileen Farrell, door Eileen Farrell en Brian Kellow
ISBN-nummer: I55553-406-6

Ik heb nog een boek liggen ‘Professioneel zingen voor iedereen’. Dat is me toch een pil! Daar heb ik dus nog even tijd voor nodig, maar in de nabije toekomst kom ik daar ook nog op terug.

In het filmpje de opname van Farrell waar ik het eerder in dit stukkie over had…