Gregoriaans

Het begon allemaal met het Gregoriaans. Nou eigenlijk begon het veel eerder, toen de holbewoners bij het vuur hun verhalen en liederen aan elkaar doorgaven, maar voor mijn gevoel is het Gregoriaans eigenlijk de eerste muziek.

De noten werden fatsoenlijk opgeschreven, zodat de broeders in het zuiden van de culturele wereld hetzelfde konden zingen als in het noorden, oosten en westen (en ja er waren natuurlijk meningsverschillen tussen de ordes, maar ‘im grossen Ganzen’, lag de notatie eindelijk eens vast).

Ik zie me nog staan op het koor van de St. Gertudiskerk in Maarheeze, met z’n allen de derde mis (of de achtste, daar mag ik vanaf wezen) zingen, uit het grote boek met de vierkante noten op de vier lijnen. Eigenlijk kon ik noten lezen vóórdat ik letters kon lezen.

Vooral dankzij mijn vader die de noten opschreef zodat ik hetzelfde deuntje iedere keer weer kon spelen, op mijn valse Adler blokfluit (ik heb hem nog). Daar begon het en mijn respect voor de Gregoriaanse koorzang is gebleven. Het heeft een bijna therapeutische werking.

Mijn vader zingt nog steeds in een van de weinige Gregoriaanse koren die er zijn in de lage landen. Ik schrijf expres lage landen, want het koor repeteert in de Achelse Kluis in België. ‘Ons pap’ overschrijdt iedere woensdagavond de grens van Nederland naar België om er te gaan repeteren.

Het koor bestaat 40 jaar en viert dat in het komende pinksterweekeinde met een festivalletje in de Kluis. Mijn vader schreef onderstaand stukkie in het programmaboekje dat tijdens het festival wordt uitgereikt. Mocht u in de buurt van de Achelse Kluis zijn, ga er eens even binnen, u zult er gelouterd weer uit komen en… ze tappen er een goeie, eigen gebrouwen pint bier.

“De Mariazaal in de Achelse Kluis is de plek waar meestal onze repetities plaatsvinden. Om precies zeven uur zit iedereen op vier rijen stoelen, ieder op zijn eigen plek. De voorzangers op de eerste rij, zoals dat hoort. Altijd wordt eerst de Heilige Geest aangeroepen met het Veni Creator Spiritus. Alle zeven coupletten in beurtzang.

Als iemand (en dat komt niet vaak voor) wat later is, blijft hij in de gang wachten tot het einde om daarna ook zijn plaats in te nemen. Dat wachten hoeft niet maar hij doet het wel. Uit piëteit? Of discipline? Nee, helemaal niet. Ik geloof dat de sfeer het met zich mee brengt.
We beginnen met een stemoefening waarbij het toontreffen de verjaardagen van de zangers ook nog aandacht krijgen.

De Latijnse uitspraak ondervindt geen probleem aangezien we op dat gebied een paar deskundigen hebben. Door onze dirigent wordt uitvoerig de tekst uitgelegd, zo ook de toonsoorten. Wat voor ons een vlaggetje en een wybertje is, is voor hem een porrectus en een punctum inclinatum.
Voor opvatting van de zang wordt geput uit de nalatenschap van Pater Michael die onze eerste dirigent was.

Een moeilijk stuk dat de meesten nog nooit gezien hebben wordt, nadat we een en ander eerst op noten zingen na een kwartier in zijn geheel al heel aardig ten gehore gebracht. Volledige concentratie is wel vereist. Onderlinge nieuwtjes worden dus bewaard voor de koffiepauze.

Ook als er dan niet gezongen wordt, heerst er een goede harmonie onder de meer dan dertig zangers van twee nationaliteiten die er ook vele kilometers voor over hebben om te komen repeteren.

Na de pauze wordt er weer serieus verder gezongen waarbij een enkele ludieke opmerking nog net geoorloofd is. Het is dan ook gewijde muziek waar we mee bezig zijn.
Kenners van het Gregoriaans weten in welgekozen woorden duidelijk te maken dat deze zang de devotie bevordert, innerlijke rust veroorzaakt en het contact met de hemel bewerkstelligt.

Een gezang of lied met Nederlandse tekst kan daar niet aan tippen. Ook niet die brief met die vlieger van André Hazes.

Tegen negen uur sluiten we altijd met ‘In Manus Tuas….’ (in Uw handen, Heer beveel ik mijn geest). Dat gebed wordt altijd verhoord want om kwart over negen is de Achelse Kluis weer in diepe rust.”

Hier is een linkje naar een filmpje op you tube van gezang van de monniken van Santo Domingo de Silos (dat u niet denkt dat u mijn vader hoort).

Santo Domingo de Silos

Pianisten

Er zijn pianisten en pianisten. Ik heb er niet zoveel verstand van. Over het algemeen kan piano me niet zo boeien. De Mondscheinsonate van Beethoven, ja, die is mooi . . . En veel van Chopin vind ik ook nog wel het aanhoren waard. Maar zodra een piano met een orkest gaat samenspelen is de klank voor mijn oren uit zijn voegen en word ik ibbel. En Bach’s muziek op piano maakt me nerveus omdat mijn geest steeds maar probeert een melodie te volgen en Bach kan meerdere melodieën door elkaar schrijven.

U vindt me arrogant? Ach dat bedoel ik niet te zijn. Ik word heel nederig in de buurt van pianisten. Ze hebben me mijn hele zingend leven terzijde gestaan en ik heb geleerd dat je van ze moet houden, anders kun je niet met ze zingen. Nou hebben de meeste pianisten een tamelijk hoge aaibaarheidsfactor. Tenminste, als ze het in zich verenigd hebben zowel solo als begeleidend te kunnen spelen.

Solo-pianisten zijn vaak sociaal gestoorde maniakken. Dat solistisch en begeleidend in één komt niet zo vaak voor. Sommige pianisten zeggen dat het wel zo is, maar dan ga je met ze aan het werk en dan blijken zìj het tempo te bepalen in plaats van jij en dan blijken ze snel te vergeten dat een zanger hier en daar ook nog moet ademen en dat-ie geholpen dient te worden aan het einde van een moeilijke frase. Wegwezen dus, als zanger.

Het enige dat op de pianisten waar ik mee heb mogen werken (let u op dat bescheiden ‘mogen’?) aan te merken was, is dat ze vaak niet streng genoeg voor me waren. Met uitzondering van eentje, deden ze altijd hun best deze eigengereide sopraan van dienst te zijn. Hetgeen soms tot gevolg had dat ik hardnekkig foute noten bleef zingen, omdat er niemand was die me erop wees… Maar ik ben stapelgek op mijn Piet, Lex, Kees, Hans, Carl, Guy, Eelco, David, Marie-Thérèse, Jan (de volgorde is willekeurig, heren en dame) en de namen van degenen die me ontschoten zijn.

Waarom schreef ik dit ook weer? Oh ja, het jonge Chinese pianowonder Lang Lang en de Nederlandse bariton Ernst Daniël Smid doen op 2 mei mee met het concert dat wordt georganiseerd voor het 90-jarig bestaan van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Ernst Daniël Smid is de gastheer op het verjaardagsfeestje.

Ik houd van het Rotterdams Fiel omdat ze werkgever waren van een van de aardigste bazen ooit die ik had. Helaas overleden, al weer bijna 4 jaar geleden. Lang Lang was ooit de gast op het beroemde Prinsengrachtconcert en bracht klassieke muziek weer wat dichterbij de ‘gewone mensch’ (zou hij ook kunnen begeleiden?) en Ernst Daniel Smid vind ik een groot zanger, leuke man en uitstekend presentator: hij doet net als Lang Lang wat ik zo schromelijk vind ontbreken aan Radio 4 en klassieke programma’s in het algemeen: de muziek dichterbij brengen.

Affijn, hier zijn twee linkjes van Lang Lang.

Eentje waar hij ook lekker gek de muziek dichter bij het gewone leven brengt (hoewel, zijn video-games het gewone leven?)

En eentje waar hij het eerste pianoconcert van Tsjaikovski speelt, ik ben er niet zo weg van, maar het is lekkere muziek en hij speelt het 2 mei ook.

Don Carlo

Een luistertip vandaag en een kort stukje, want de hoofdredactie piept (zachtjes) dat mijn stukkies te lang zijn, soms. Ik heb wel eens wat meer woorden nodig dan strikt noodzakelijk. Misschien zit daar wel het bruggetje naar het stukkie van vandaag, want ook in opera gebruiken componisten meer woorden dan nodig, nog veel meer dan ik soms.. Zo ook Giuseppe Verdi, al spant hij niet de kroon.

Don Carlo is misschien niet de bekendste opera van Verdi, wel eentje waar een bijzonder interessante rol inzit voor een bas. De lage stemmen worden in opera meestal niet zo goed bedeeld; in Don Carlo wordt dat in de rol van Filippo, oftewel Phillips de Tweede van Spanje (de opera is historisch geplaatst, zoals veel van Verdi’s drama’s) een beetje goedgemaakt. ‘ Ella giammai m’amo’ (ze heeft nooit van me gehouden) is echt een van de mooiste bas-aria’s ooit; als-ie op het laatst (wel effe volhouden, de hele aria duurt geloof ik iets van acht minuten) zingt ‘amor per me non ha’ (liefde heeft ze niet voor mij), hou ik het niet droog.

Niet iedere bas kan het zingen: je dient je emotie in te houden tot op het allerlaatst, anders haal je de laatste hoge noot niet. Een eenzame man, die Philips, met grote taken en idealen, maar oud en levensmoe. Zijn jonge vrouw Elisabetta is hem trouw, maar houdt niet van hem en wordt gekweld door heimwee en door haar geheim gehouden liefde voor notabene Filippo’s zoon, Carlo.

In een aantal versies wordt de solo van Fillipo gevolgd door een vinnig duet tussen hem en de grootinquisiteur waarin Verdi buitengewoon geraffineerd de conflicten tussen kerk en staat tevoorschijn laar komen door de kerkvertegenwoordiger (de grootinquisiteur) steeds veel hoger (uit de hoogte?) te laten zingen dan de lage baspartij, de staat. Als je effe doorluistert een prachtig stuk opera. Veel plezier.

Ik voeg wat linkjes bij; eentje zonder beeld van de bas Nicolai Ghiaurov (getrouwd met sopraan Mirella Freni en al een tijdje dood). Hij maakt er wel een erg drama van, maar de stem is werkelijk prachtig.

De opname met Yevgeni Nesterenko is erg wollig, maar wel in scène. Ik meen Abbado te herkennen als dirigent en dan zit je wel goed met Verdi. Let eens op het ‘opera-slotapplaus’, waarop Nesterenko niet echt reageert (dat mag ook niet), maar wel zichtbaar aangedaan is.

Knap verslavend dat You tube trouwens: ook de versie van Boris Christoff is interessant; zijn Italiaans is hemeltergend slecht, maar zijn pianissimo op het eind is weer zo ontroerend dat je hem veel vergeeft. En de cellist die de intro zo kraaienvals speelt moet klappen hebben.

En hierna hou ik echt op: een oude opname van het eerder genoemde duet tussen Fillipo en de Groot Inquisiteur. Ik kan hem niet insluiten, maar als u hier klikt kunt u hem horen

Die Fledermaus

5 april 1874: de premiere van Die Fledermaus in Wenen.
Johann Strauss was Jacques Offenbach te vlug af. Offenbach liep namelijk rond met plannen om op basis van het toneelstuk van Heilhac en Halévy een operette te schrijven. Het kwam er maar niet van en dus was Strauss ‘m voor.

Het is een van de leukste operettes ooit, al is-ie wel eens het slachtoffer van platte lol en slechte orkesten. De muziek zit gepokt en gemazeld in elkaar. Ik heb zelden een rol gezongen (Rosalinde) die zo logisch voelde en zo makkelijk zong. De aria ‘Klänge der Heimat’ lijkt wel voor mij geschreven.

Er zit niet zo heel veel koor in, reden waarom de Fledermaus niet heel vaak wordt uitgevoerd: amateurkoren worden vervelend als ze niet genoeg te doen hebben…. (ja hoor: bedoeld als prikje…!).

Het was ook de eerste keer dat een tenor aan mijn borsten mocht zitten zonder daarvoor een dreun te krijgen. Leo van der Plas (want die was het) kweet zich tijdens het ‘Uhrduett’ met verve van zijn taak en liet mijn en zijn integriteit daarbij in tact.

Het werd een heerlijke productie, waarbij ik in nieuwe kostuums mocht optreden, speciaal voor mij gemaakt en voor het eerst een visagist/kapper tot mijn beschikking had (nou ja, ‘mijn’ beschikking: hij schminkte alle solisten).

De plot? Och, niet heel interessant: huwelijksperikelen, drank, een weddenschap, verkleedpartijen… even schudden en je hebt een van mijn lievelingsoperettes.

Volgens mij zingt Kiri Te Kanawa een deel in het Hongaars… de vertolking is de beste van een rijtje slechte op Youtube. Het is allemaal niet erg gelijk, maar wie maalt daarom met zo’n prachtvrouw en zo’n prachtige enscenering… Let ook eens op de (kale) travestierol van Prins Orlofsky: een heerlijke rol voor een mezzo!

Repetities

Koorrepetities kunnen nogal eens verschillen is mijn ervaring.

Bij het projectkoor, dat zondags repeteert, van tien tot twee in een ‘zaalgelegenheid’ met tap. Om 10.25 uur: in rookwolken en de lucht van verschraald bier: ‘Dames en heren kom nou! Het is al minstens kwart over tiehien! We moeten nog zoveel doehoen. En we zouden niet roken in de ruimte waar gezongen wordt en MAG DIE ACHTERGRONDMUZIEK AF???!!! En waarom zijn er maar twee van de zeventien bassen? Oh, op de camping dit weekend…’

Bij het Brabantkoor, dat ook bij elkaar komt en hele zaterdagen en zondagen repeteert, van tien tot vijf. Om 10.02 uur: ‘Dames en heren, wat heerlijk dat u er weer allemaal bent. Welkom bij dit Mozart Requiem. Het wordt een prachtige serie concerten. Ik wilde om te beginnen er maar even gewoon doorheen slaan… twee, drie, vier…’

Bij het projectkoor halverwege de repetitie: ‘Nee, we pauzeren vandaag maar een kwartiertje in plaats van een half uur, jullie waren al zo laat bij het begin. Sopranen, jullie kijken niet, zodra jullie beginnen te lopen kijken jullie niet meer en je kunt mij toch echt vanaf overal op het toneel zien, als je maar wil. En het is toch echt ‘D`e`e`e is de prins, hoeoeoeoe komt hij hier? in plaats van ‘Dé is de priiiins hoe komt hij hier?’

Bij het Brabantkoor, vlak voor de grote middagpauze: ‘We maken dit deeltje nog even af, dan is dat maar klaar voor vandaag… Tenoren, het zou de goede afloop van het stuk bevorderen als u allemaal in maat 44 een Es zong in plaats van sommigen een E. Doen we het overigens niet voor over…

Bij het projectkoor om twee uur: ‘Kunnen we niet nog even doorgaan, we begonnen al zo laat… O, u moet met de kinderen naar oma, het bos in, de hei op, of terug naar uw luie zondag. Tsja… dank voor uw aandacht en tot volgende week EN DAN BEGIINNEN WE ECHT OP TIJD!!!’

Bij het Brabantkoor heeft de dirigent in zijn eentje vanaf tien uur de repetitie geleid en om vijf voor vijf zegt hij: ‘Kijk dames en heren, het is in maat 14 erg ongelijk. Let op, ik doe es een dansje in plaats van zwaaien, dan zingt u wel gelijk…’ en hij huppelt het koor met zijn houtigere, maar charmante motoriek in een ruk door naar het einde van de moeilijke fuga, inderdaad nu wel gelijk. Om tien over vijf spoedt ieder zich voldaan – ook de dirigent – huiswaarts.

Er waren tijden dat ik zaterdags in het ene koor, als koorlid en zondags in het andere koor, als solist zong. Kunt u zich voorstellen dat ik af en toe schakelmoeilijkheden had?

Rolando Villazon

Eindredacteur AVRO-klassiek bij bureau: ‘Heb jij tijd om naar Amsterdam te gaan en Rolando Villazon te interviewen voor een stukkie op onze website?’ Slik, mijn hart zakt naar de bodem van mijn maag. Rolando Villazon? Dat is toch….? Hij knikt: een aanstormende tenor, met de potentie tot de top vijf van de wereld te gaan horen. Er kan niemand anders en ik weet toch wat van vocaal? Nou dan?

Mijn vocale opleiding zorgt ervoor dat ik zonder trilling in mijn stem vraag: ‘Wanneer? waar?’ Antwoord: ‘Vanmiddag in het gebouw van de Stopera in Amsterdam, je weet wel, bij het Waterlooplein. Wees hem genadig.’

En dus sta ik die middag bij de balie van de artiesteningang. Ik moet eerlijk toegeven: het geeft me een satanisch genoegen ontkennend te kunnen antwoorden op de vraag of ik auditie kom doen. Die frustrerende tijd ligt gelukkig achter mij. Maar ik kom wel voor Rolando Villazon en of ze ergens een kamertje hebben? Liefst met stopcontact voor mijn bescheiden bandrecordertje . . .?

Ik mag in de kamer van de chef-dirigent. Natuurlijk zit ik net onder het bureau mijn stekker in het stopcontact te doen toen hij binnenkomt: klein van stuk, wat ondeugenderig. Mijn ongelukkige pose breekt meteen het ijs. Heel veel gekker kun je er niet bijstaan en niks menselijks is Villazon vreemd.

Het wordt een prettig gesprek. Hij, Villazon, heeft de tijd van zijn leven: een prachtige rol in Don Carlo van Verdi in Amsterdam in de lente, wat wil je meer? Iedere avond na de voorstelling op pad met vrienden; als je jong bent kun je doorzakken en toch de volgende dag weer zingen… Ik vraag en vraag en vraag en hij vertelt en vertelt en vertelt.

Als ik zeg dat ik een hekel heb aan moderne opera-enscenering gaat hij meteen proberen of hij de tenor-aria uit La Traviata zou kunnen zingen terwijl hij zogenaamd een tennisbal serveert, precies op de manier waarop ik het op tv heb gezien. We hebben lol.

Nadat de bandrecorder uit is speel ik mijn laatste troef. Een collega heeft me geadviseerd: vraag hem eens of hij zijn mister Bean imitatie wil doen. Hij lijkt op Rowan Atkinson en hij is meesterlijk. Mijn woorden zijn niet koud of de onderkaak schiet in de bekende overbite en de motoriek werd schokkerig en onhandig. Hij herschikt de papieren op het bureau van de chefdirigent en ik schater. Een top-tien moment in mijn klassieke leven.

Villazon is binnenkort in Nederland: op 28 maart en 2 april zingt hij in het Muziektheater (in hetzelfde theater waar hij dus ooit door die beroemde sopraan geïnterviewd werd).

Klik hieronder voor een link naar You Tube, waar Villazon de mooiste aria voor tenor ooit geschreven zingt: ‘E lucevan le stelle’ (vrij vertaald: ‘Wat zijn de sterren aan het schitteren’)uit de opera Tosca van Giacomo Puccini.

Lustigen Weiber

8 maart: wereldpremiere van ‘Die lustigen Weiber von Windsor’. Een van de leukste komische opera’s ooit, geschreven voor Otto Nicolai, een relatief onbekend opera-componist. Hij dirigeerde de premiere zelf, op 8 maart 1849 (hoewel sommige bronnen 9 maart vermelden, maar dan heb ik geen gastcolumn).

De opera is gebaseerd op een verhaal van William Shakespeare en gaat, hoe kan het anders, over huwelijkstrouw (of het ontbreken daaraan). Giuseppe Verdi, een van mijn lievelingscomponisten, gebruikte hetzelfde verhaal als basis voor zijn laatste opera ‘Falstaff’ (de naam van een van de ontrouwe echtgenoten). Verdi was hoogbejaard toen hij de opera schreef, het was zijn laatste. Het slotkwartet ‘Tutto nel mondo `e burla’ (alles in de wereld is een grap) geldt als een van de moeilijkste kwartetten ooit geschreven; ik zou het graag eens zingen. . . Aan niets merk je dat Verdi een oude man was: het klinkt allemaal even fris en oorspronkelijk en hilarisch.

Wat ik wel gezongen heb is de aria ‘Nun eilt herbei’ uit ‘Die lustigen Weiber’. Heerlijk ding: je mag je ongebreideld kwaad maken en je kunt alle registers open trekken. Lekker schelden op de mannen en lekker slechte plannetjes beramen. Je moet wel begeleiding hebben die het kan spelen, want de tempo-wisselingen zijn enorm en je moet natuurlijk wel de vrijheid krijgen om echt uit te pakken.

Op YouTube vond ik twee filmpjes met deze aria. Sopraan Julie Bermel heeft beter door hoe het werkt dan Alexa Cortes (en let eens op de tempo-verschillen!). Er is natuurlijk veel geruis en gerommel, maar het geeft wel een indruk.

Wellicht heb ik u kunnen verleiden beide opera’s eens te beluisteren en liever nog: te bekijken; veel opera-repertoire komt uit op DvD tegenwoordig. Veel plezier.

Het zitvlak

Repetitie met een projectkoor. Allemaal geroutineerde zangers, dus ze zullen wel weten wat ze zangtechnisch doen, denk je dan. Allemaal een opleiding op niveau gehad in muziek (al is dat niet altijd zang geweest, maar vaak AMV, piano, schoolmuziek of noem nog maar een aantal conservatorium-studierichtingen op).

Toch loopt het niet altijd even geroutineerd: mijn makke is bijvoorbeeld dat ik, als ik de noten nog niet goed ken, mijn strottenhoofd (da?s dat ding in je keel waar je stembanden in hangen) te hoog instel en dus de stembanden te veel basisspanning geef en dus na een dag een hese spreekstem heb (in mijn directe omgeving ook wel eens omschreven als een ‘geil’ stemgeluid.) Het is meestal na een dag over en als de noten zitten kan ik ongestoord dagen achter elkaar zingen, dus het komt wel goed, dank u.

De mevrouw naast mij in de achterste rij van de sopranen had hoorbaar moeite met het loopje omhoog van hoge (echte sopraan-)tonen. Ik zei er wijselijk niks van totdat ze zich bij me meldde: “Ik heb toch zo?n moeite met dat loopje daar; ik haal het niet, terwijl ik de hoogste noot op zich makkelijk kan zingen.”

Haar toon is dusdanig vragend dat ik besluit een van mijn pedagogentruucs in de strijd te gooien:
“Misschien helpt het als u uw zitvlak tegen de stoel drukt terwijl u het loopje naar boven zingt,” zeg ik

Verbijstering is mijn deel. Zitvlak tegen de stoel? Maar we waren toch aan het zingen?

Ik leg uit. Contact met je zitvlak tegen de stoel maakt dat er een soort contrabeweging komt: de toon gaat omhoog en de spanning in de buik neemt toe en dat haalt de spanning op de keel weg, hetgeen de stembanden meer vrijheid geeft om te ‘spelen’. (Bent u er nog?)
De verbijstering bij mijn buurvrouw neemt toe. “Hoe weet ik nou of mijn zitvlak contact heeft met de stoel?”

Ik word onrustig, want tegen een wildvreemde (bij projectkoren heb je steeds een andere buurvrouw) dien je decente woorden te gebruiken en kun je moeilijk zeggen ‘douw je kont tegen de stoel’. Dus: “Bij de houten stoel waar we op zitten kun je toch voelen dat je zitbeenderen de stoel raken?”

Ze schudt haar hoofd, zitbeenderen?

Ik leg het uit: Als je laag inademt, plat je middenrif af, drukt de organen in je onderbuik samen en doet derhalve je schaambeenderen wijken. “Hebt u ooit kinderen gehad?” vraag ik.
Ze knikt: drie.

En dan maak ik de kardinale fout: ik kom te dichtbij als ik zeg “nou, als er een kind langs moet, wijken je schaambeenderen ook, dat gevoel kunt u zich toch wel herinneren?”

Ze wendt zich gloeiend blozend af en ik kan mezelf wel slaan. Het laatste wat ik wil is haar in verlegenheid brengen.

Na de pauze zit de mevrouw in kwestie drie stoelen verder, met veilig tussen ons in twee nieuwe buurvrouwen.