Anna Russell

Retorische vraag: ooit van Anna Russell gehoord? Een van mijn stijl-iconen en dat meen ik, ook nadat u onderstaand stukkie gelezen hebt.

Ze stierf op 18 oktober 2006, en ik hoorde pas in januari in 2007 dat ze dood was. Toen schreef ik al een eerbetoon voor haar en dat wil ik hier graag verkort herhalen.

Anna Claudia Russell-Brown werd geboren op 27 December 1911 in London, hoewel sommige bronnen zeggen dat ze in London Ontario geboren zou zijn. Haar moeder was van Canadese komaf.

Ze kreeg haar opleiding aan de St. Felix School in Southwold, aan Harrogate College en in Brussel en Parijs. Later studeerde ze aan de Royal Academy of Music. Ze stond kort op de (opera)planken; onder andere in een hilarisch/desastreus verlopen optreden in Cavalleria Rusticana, waar ze een decorstuk omver trok. Deze gebeurtenis zou ze later in haar one-woman-shows gebruiken.

Na de dood van haar vader keerde ze in 1939 met haar familie terug naar Toronto. Daar was ze af en toe op een lokaal radiostation te horen als entertainer. Al in 1940 kreeg ze meer en meer succes en trad ze op als concertzangeres, maar dan met een klassiek-komisch getint programma.

Dirigent Sir Ernest MacMillan gaf haar in 1944 het laatste duwtje naar een internationale carrière als ‘musical cartoonist’. Toen ging het snel: New York debuut in 1948 en toeren met haar one womanshow in seizoen 1952 en 1953 door Noord Amerika, Groot Brittanië, Australië en de rest van de Engels sprekende wereld. Broadway met diezelfde show in 1953, New York, San Fransisco, een rol in een fim…

Haar carrière stoomde door met steeds nieuwe hoogtepunten op klassiek-komisch gebied tot ze in de laat zestiger jaren zich terugtrok uit het actieve muziekleven. Ze woonde in een rusthuis in Unionville, Ontario, in een straat die naar haar vernoemd was. In haar laatste jaren verhuisde ze naar Australië, waar ze bij haar geadopteerde dochter woonde. Ze stierf daar op 18 oktober 2006.

Ik hoorde Anna Russell voor het eerst ergens tussen 1985 en 1990, toen ik solozang studeerde. Ze trad toen al lang niet meer op. Na een groepsles draaide mijn hoofdvakdocent een LP van haar. Hoewel hij de opname ontelbare keren moet hebben gehoord viel hij andermaal bijna van zijn leskruk van het lachen.

Ik was daar in eerste instantie wat verbaasd over: mijn hoofdvakdocent stond niet bekend om een extravert gevoel voor humor. Later snapte ik het: hij had Russell nodig. Nodig om na uitputtende lessen met de meest uiteenlopende grote en minder grote ego’s het ’vak’ te kunnen relativeren om nieuwe energie op te doen voor de volgende ronde.

In mijn muzikale leven spelen twee fenomenen een grote rol: het lied ‘An die Musik’ van Franz Schubert en Anna Russell: beiden broodnodig om inderdaad nieuwe energie op te doen en om te kunnen relativeren.

Thanks mrs. Russell, many thanks!

Klik op de rode regel hieronder en u komt bij Anna Rusell in de zaal!

Ze legt uit hoe je een beroemde zanger(es) wordt

Voor ‘An die Musik’ van Franz Schubert door Dietrich Fischer Dieskau klikt u op onderstaand filmpje

Oscar Hammerstein II

Op 12 juli 1895 werd hij geboren, voor mij is hij de koning der musicalschrijvers. Hij schreef de musical der musicals, de musical die bijna klassieke muziek werd, de musical die mij jaarlijks rond kerst de tranen naar de ogen drijft; de musical waarvan ik de hoofdrol zonder mankeren onmiddellijk uit het hoofd kan meezingen, als u mij er ’s nachts wakker voor zou maken (gesteld dat u dat zou durven), de musical waarbij ik bij de kerkhof-scène (ondanks het feit dat ik ‘m meer dan dertig keer gezien heb) me toch steeds afvraag of het wel echt goed af zal lopen.

Ik heb het over The Sound of Music en zijn schrijver: Oscar Hammerstein de Tweede. Die titel ‘de tweede’ gaf hij zichzelf mee, om verwarring met zijn grootvader, de impressario, te voorkomen,

Oscar Greeley Clendenning Hammerstein werd geboren in New York City. Laurence Hart werkte samen met Richard Rodgers, maar Hart keek te lang en te diep in het glaasje en Rodgers zocht partnerschap met Hammerstein.

Samen waren ze een tijdlang zeer succesvol. In de veertiger- en vijftiger jaren van de vorige eeuw schreven ze een aantal tophits voor Broadway, waaronder Oklahoma, South Pacific en The king and I.
Hammerstein zat ook samen met Jerome Kern achter wat zo’n beetje beschouwd kan worden als de eerste echte musical ooit, ‘Showboat’ uit 1927, waar het wondermooie en emotionele ‘Ol’man river’ in zit. Hij kon goed samenwerken met anderen!

Hammerstein II stierf op 23 augustus 1960, op zijn 65ste, aan kanker. Het verhaal gaat dat het laatste nummer dat hij schreef ‘Edelweiss’ was uit The Sound of Music. Ik ben natuurlijk ongeneeslijk sentimenteel te noemen, maar als ik Christopher Plummer dat hoor zingen (was-ie het trouwens wel echt, want zo’n zanger was het volgens mij niet), dan hou ik het niet droog . . .

.

Ol man river

Edelweiss

Valery Gergiev

Toen ik eind vorig jaar ging solliciteren schreef ik in mijn brieven dat ik niet meer piepjong was. Bij de man die nu mijn baas is ontlokte dat tijdens het sollicitatiegesprek een hoofdschudden. Hij vond leeftijd minder relevant en nam me aan (hopelijk om nog een paar andere redenen dan alleen om het feit dat ik niet meer piep ben?).

Hij hoeft geen boodschap te hebben aan mijn klassieke opleiding, want bij hem doe ik een ander vak: dat van secretaresse. Maar hij legt wel een warme belangstelling aan de dag voor mijn klassieke opleiding en bezigheden. Dat stel ik zeer op prijs. Zo duwde hij me een paar weken geleden een artikeltje over operazangeres Tania Kross onder de neus, met als titel ‘Eigenlijk piek je rond je vijftigste jaar’. Zijn blik was veelbetekenend, tekst hoefde er niet bij.

Eergisteren scheurde hij weer rigoureus een paar pagina’s uit Elsevier. (Dat misschien iemand anders in het bedrijf prijs stelt op een heel exemplaar van Elsevier komt niet bij hem op.) Dit keer ging het over de Russische dirigent Valery Gergiev. ‘Ha!’ riep ik geamuseerd en half vertederd, ‘die ken ik!’ Nou steeg ik twee trappen in zijn achting: Gergiev kennen? Ik ga u eerlijk bekennen dat ik Gergiev wel ken, maar hij mij niet En ik ken hem vanwege zijn sonore spreekstem, niet vanwege zijn gebaar.

Bijna vier jaar geleden stierf mijn toenmalige baas bij de AVRO, Kees Hillen. Hij was, voordat hij bij de AVRO werkte, tien jaar directeur van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Tropenjaren. Vooral omdat gedurende die tien jaren Valery Gergiev voornaamste gastdirigent was bij het Rotterdams Fiel. En als je met Gergiev mag werken, betekent dat een inzet van 200 procent en een hoop trammelant oplossen. Kees deed dat tien jaar lang met verve.

Tijdens de crematie was het Rotterdams Fiel op tournee, mèt Gergiev, in een of ander verweg land, ik geloof China of Japan. Maar ze wilden, en Gergiev vooral, hun eer betonen aan de onvergetelijke Kees. En dus hadden ze een cd gestuurd, uit Verweggistan, met een gesproken inleiding van Gergiev en een speciaal voor Kees gespeeld stuk. De tranen liepen niet alleen mij, maar het merendeel van de aanwezigen over de wangen tijdens het spelen van de muziek. Ik sloot voor eeuwig Gergiev in mijn hart. Hij weet dat niet, maar het zal hem geen kwaad brengen.

Op het stationnetje in Vught las ik het artikel over Gergiev. Hij verlaat het Rotterdams Fiel om in zijn geliefde Sint Petersburg in het Mariinsky Theater mooie dingen te gaan doen. Dag Valery, en dank voor de mooie klanken. Lezen, dat artikeltje!

PS: Wat speelde het Rotterdam Philharmonisch Orkest: La Valse van Maurice Ravel, live, voor Kees.

Net het leven zelf

Dinsdag zijn we naar Rossini’s opera ‘De barbier van Sevilla’ op de Parade in Den Bosch geweest. Het was leuk, maar volgende keer pakken we het anders aan. Dan gaan we ’s middags al om een uur of vier met klapstoeltjes en een flesje witte wijn en broodjes zalm op de Parade klaar zitten, want dat had half Den Bosch dinsdag ook gedaan, jeminee, wat een macht volk.

Omdat we dus ver weg stonden, hielden we het alleen het eerste bedrijf vol (dat was nog anderhalf uur!) en ontging ons een aantal grappen op het podium, maar dat nam niet weg dat de grappen om ons heen extra duidelijk doorkwamen. De luidste grap was wel een brandweerauto die er met gillende sirenes langs moest omdat er brand uitbrak in een Grieks restaurant in ’s wereld bekendste eetstraat in Den Bosch, de Korte Putstraat. Ze denken groot in Den Bosch, dat merkt u wel. Nou hou ik toch al niet van Grieks, dus behalve de herrie van de brandweerauto deerde de fik mij niet.

Er was een meneer (nou ja, meneer) de aanminnig tegen mijn echtgenoot aan ging hangen en in onvervalst plat Brabants zei ‘zo kunde toch niks zien, mee al die minse die dur veur stoan’. Mijn echtgenoot had niet veel commentaar, hij wilde minstens de opera hóren. De man (volgens mij niet meer helemaal nuchter) besloot daarop zijn scootertje, dat tussen de toeschouwers geparkeerd stond, maar te pakken en weg te gaan, maar het had nog heel wat voeten in aarde vóórdat een en ander tussen de zittende toeschouwers uitgeparkeerd was….. zijn vuile spijkerbroek zakte aan de achterkant zo laag dat wij via de bilnaad vrij uitzicht hadden op de binnenlandse gebiedsdelen, za’k maar zeggen. Mijn mij vreemde buurman en ik zagen het tegelijkertijd, hetgeen tussen ons toch weer een band schiep…
Een mevrouw met een teckel achter ons had grote moeite haar kleine vriend stil te krijgen; die vond het namelijk niet goed dat er zomaar een scooter onder zijn snuit gestart werd en kefte de hele eerste acte bij mekaar.
De zangers leek het allemaal niet te deren en dirigent Bollon ook niet, hij dirigeerde onder het gillende sirenegeluid tenminste onverstoorbaar verder, hoogstens iets hoekiger dan voorheen.
Om te weten wat u allemaal gemist hebt hieronder iets over Rossini en iets over de opera zelf. Mijn echtgenoot stelt genereus een foto ter beschikking, dan kunt u zich iets beter in de avond verplaatsen. Ik kon het aan het einde alleen maar eens zijn met mijn echtgenoot die verzuchtte: ‘hè, heerlijk, opera is net het leven zelf’

Gioacchino Rossini leefde van 1792 tot 1868. Zijn componistenleven was eigenlijk aanmerkelijk korter want hij presteerde het de laatste 37 jaar van leven nauwelijks een noot op papier te zetten.
Vóórdat hij stopte met componeren was hij echter buitengemeen productief: hij schreef in 20 jaar maar liefst 40 opera’s, da’s toch gemiddeld twee per jaar. De analen vermelden dat hij vanaf 1850 problemen kreeg met zijn gezondheid, maar die problemen moeten eigenlijk al veel eerder zijn ontstaan: Rossini stond om zijn schranspartijen minstens even bekend als om zijn componeren: hij was enorm zwaarlijvig en een anekdote vermeldt dat hij liever een stuk bladmuziek opnieuw schreef, dan dat hij bukte om het van de grond te rapen, als het gevallen was…

De Barbier van Sevilla is misschien wel de beste opera die Rossini schreef. Een beetje jammer is het dat alle top-aria’s in de eerste acte zitten: Una voce poco fa (van Rosina) en het Largo al factotum della citta (van Figaro: wereldberoemd) en de roddelaria (van Don Basilio): allemaal in het eerste uur. Hoewel de opera vaart houdt moet je jezelf in het tweede bedrijf af en toe bij de kladden pakken om erbij te blijven: misschien ook wel door de voortdurende aaneenschakeling van hoogtepunten.

De graaf van Almaviva brengt een serenade aan Rosina. Zij woont in bij de veel oudere dokter Bartolo, die met haar wil trouwen. Ze wil graag met de graaf vluchten, maar Bartolo houdt haar voortdurend in de gaten. Figaro, de kapper, wordt ingeschakeld. Hij verzint wat streken en uiteindelijk lukt het de vuile plannen van Bartolo te omzeilen en het ideale koppel te formeren: de mooie Rosina en de knappe en rijke graaf Almaviva.

Op een onbewoond eiland

Joost Zwagerman heeft het voor elkaar. Een dezer dagen komt zijn boek uit met daarin de keuzes van een aantal BN-ers: welke popmuziek nemen zij mee naar een onbewoond eiland. De Volkskrant wijdde er een leuk artikel aan en de week zat tout-muziekminnend-Nederland-dat-er-wat-toe-doet bij Matthijs aan tafel in DWDD om een uurtje ‘lekker over muziek te praten’ (ik citeer Matthijs).

Ik zou Zwagerman’s klassieke evenknie wel willen schrijven. Bij de gedachte alleen al dat ik popmuziek mee zou moeten nemen naar een onbewoond eiland gaan mij de nekharen overeind staan. Jakkie bah, dan maar geen muziek. De deuntjes die in mijn hoofd hangen zijn meer dan voldoende om mijn pop-verlangen te bedienen.

Nee, we nemen klassiek mee, toch? En wat, of nog leuker: wie gaan we vragen daar iets over te zeggen? Maak es een lijstje. Niks leuker dan lijstjes maken om je af te leiden van dagelijks leed.

Nou ik eraan denk: dat is ook wat de heilige muze op zijn minst gebracht heeft (behalve frustratie, gevoel van onvermogen en angst). Met muziek bezig zijn betekende in ieder geval dat alle andere zaken onbeduidend werden en ver naar de achtergrond schoven. Daardoor kwam er soms een heel ander licht op dagelijkse problemen te schijnen. Er even niet aan denken kan immers heel andere invalshoeken brengen.

Ik daag u uit en geef mijn lijstje, tenminste één van mijn lijstjes, ik zou er talloze kunnen maken.

Eerst, met wie zou ik willen praten? Niet met de omhooggevallen types die onze recensie-pagina’s in de kranten over het algemeen bevolken en ook niet met zelfgenoegzame orkestleden, of dirigenten, of zangers. Es kijken: met Daniel Lohues, die zomaar in een interviewtje in VARA’s tv-magazine zegt dat hij Bach en Beethoven bij zijn goden heeft staan.

Met oud AVRO-collega Hans van den Boom die nog steeds lekker ongegeneerd kijkt naar alles wat klassieke muziek heet, met Anna Russell (ze is helaas dood, maar alles kan in de fantasie), die ongegeneerd aantrapte tegen het primadonnaschap en zo wel degelijk een prima donna werd, maar dan van het goeie soort.

Met dirigent Louis Buskens die van een loslopend groepje zangers een koor kan maken in ongeveer een uur en die nergens voor terugdeinst om muziek duidelijk en uitvoerbaar te maken. En tenslotte met Thomas Hampson, die ik een stuk van een vent vind en die zo mooi kan zingen en je toch het gevoel geeft dat de klassieke muziek van het hier en nu is, niet iets uit een grijs verleden.

En wat neem ik mee: pfoe, volstrekt willekeurig:

Concierto di Aranjuez, van Joaquin Rodrigo (alle vier de delen, telt als één)

De Rückertlieder van Mahler, zongen door Hampson (ja, ja ik ben aan het smokkelen)

Alle Mozartsymfonieën

Het Requiem van Verdi

Alle walsen van Johann Strauss.

Zo, nou mag u. Ik ben benieuwd en u zult zien: peins er eens over tijdens het afwassen en nadien zult u weten wat u ook alweer tegen die moeilijke collega of baas wilde zeggen, die al weken voor problemen zorgt.

Berichten uit de klassieke samenleving

Het is een hard vak, de klassieke muziek. Da’s net zo’n dooddoener als de uitspraak ‘het leven is hard’ (ik denk daar dan altijd achteraan, ja, de stoeprand ook… ook zo’n volstrekt niet ter zake doend statement). Maar het is wel waar, toch…..?

Net als: ‘je bent zo goed als je laatste concert’ en ‘voor jou tien anderen’. Dat laatste ondervond sopraan Deborah Voigt die ‘effe’ 51 kilo af moest vallen vóórdat ze weer in genade werd aangenomen bij the London Symphonic om een rol te zingen in Ariadne auf Naxos.

Er is een hilarisch filmpje op You Tube, waarin ze een gesprek heeft met het jurkje, waar ze nu, 51 kilo minder en 4 jaar later wél in past. Hopelijk heeft de stem niet geleden van de afvalrace en kan ze weer lekker verder zingen. Ze is in haar prime voor haar stemvak: 47.

Dat het een hard vak heb ik ook een paar keer ondervonden: kerstavond 1991 ging de telefoon. Een dierbare vriend overleden aan een hersenbloeding. Ik moest anderhalf uur later de nachtmis zingen. Ik weet nog dat ik blij was met mijn eerste relatief grote klus en dat ik het een prachtige mis vond (een van de Mozartmissen, ik zou niet meer weten welke).

Een andere goede vriend, koordirigent, ving en praatte me moed in en om half twaalf ging hij zijn nachtmis dirigeren in de ene parochie en ik mijn nachtmis zingen in de andere parochie. En het ging… het moest.

Zoals ik ook een generale repetitie van een operette zong, nadat die middag mijn herdershond in mijn armen stierf en mijn laatste hondje, een buitengemeen eigenwijze terrier ‘presteerde’ het te sterven in de week dat ik acht uitvoeringen van een komische opera had. Het ging, het moest.

Voor dirigent van het Koninklijk Concertgebouw, Mariss Janssons ‘ging en moest’ het even niet meer Hij moest vorige week vrijdag zo ongeveer van het podium gedragen worden. In het ziekenhuis werden hartritmestoornissen geconstateerd. Hij is voor onbepaalde tijd op non-actief. Ik vond het bij zijn aanstelling vier jaar geleden al zo’n broze man. Een lieverd, leek me en na Chailly een verademing voor het orkest, maar broos, zo broos…. En het is al zo hard werken.

Tot zover de berichten van uw speciale verslaggeefster uit de harde wereld van de klassieke muziek.

Klassieke muziek en voetbal

‘Je moet proberen met je stukkies aan te sluiten bij de actualiteit’, zei de hoofdredacteur laatst tegen me, toen ik klaagde omdat ik niet meteen een onderwerp wist voor mijn volgende Vocalies, ‘dan kun je langer meeŒ. Begrijp me niet verkeerd hoor, ik heb nog waslijsten met onderwerpen liggen evenals waslijsten met anekdotes uit mijn bescheiden carrière als zangeres (in de eerste divisie gebeuren veel leukere dingen dan in de ere-divisie, geloof me). Maar ik ben van plan nog lang van mij te laten horen op deze website en waak dus soms te fel over mijn plank-items.

Maar ja, vind maar eens iets actueels over klassieke muziek als Europa zo’n beetje collectief mesjogge aan het worden is over het voetbal. Toch zijn er verbanden tussen klassieke muziek en voetbal:

– de scheidsrechter van de wedstrijd Nederland – Frankrijk was een Duitser, genaamd Herbert Fandel…. En wat doet die man in het dagelijks leven: hij is pianoleraar (Evert ten Napel vertelde nog tijdens de wedstrijd dat hij concertpianist was, maar dat is geloof ik een beetje overdreven). Veel meer informatie kan ik u niet geven: hij is uitgesproken muzikaal, volgens een Duitse website. Vader van 2 kinderen, zijn hoofdberoep is pianist; hij is directeur van een (zijn eigen?) muziekschool (ik dacht dat scheidsrechter zijn al roeping genoeg was…). Zijn grootste hobby, zo geeft hij aan, is zijn familie. Uitgesproken muzikaal, ik meende al iets in zijn manier van fluiten te horen dat Beethoven in zich had, of Mozart…, maar misschien was het wishful thinking.

– de wedstrijd Frankrijk-Nederland was de enige van wie ik beide volksliederen mee kon zingen. Alweer een linkje naar klassieke muziek. Waar het Wilhelmus vandaan komt hoort u te weten. De Marseillaise? Is gecomponeerd door Claude Joseph Rouget de Lisle in 1792. De originele naam is ‘Chant de guerre de l’Armee du Rhin’ (oorlogslied van het Rijnleger). En omdat de troepen uit Marseille tijdens de Franse Revolutie het lied zongen bij hun intocht in Parijs is het de Marseillaise gaan heten. In 1830 is de Marseillaise door Hector Berlioz opnieuw gearrangeerd.

Roberto Alagna (ik ben overigens niet zo weg van hem, maar hier zingt-ie gelukkig niet zo ‘week’ als anders) zingt onderstaande versie van de Marseillaise.

– wat te denken van de triomfmars uit Aïda van Giuseppe Verdi? Geen mens kent de tekst maar je moet ze horen brullen! Zelfs de plotselinge modulatie die Verdi erin componeerde lukt redelijk. Een dezer dagen is er trouwens in een van de grotere Nederlandse stadions een meebrul-concert van voetballiederen. Daar zal de triomfmars ongetwijfeld ook meegebruld worden.

Hier is een werkelijk prachtig ge-ensceneerde triomfmars, in zijn geheel. Dan weet u weer eens waar al dat moois dat in het stadion verstuikeld wordt tot meebrullen vandaan komt (wordt daar niet op het einde Pavarotti binnengereden?).

Eindelijk kan ik nog eens roepen dat klassieke muziek eigenlijk de gewoonste zaak van de wereld is. Hè, heerlijk, het EK kan niet meer stuk en niet alleen omdat ‘onze jongens’ zo voortvarend te werk gaan.

En volgende week, als het eind van al die gekte in zicht komt, kunnen we gewoon weer terug naar onze dooie componisten.

Kiri te Kanawa

Dit weekend is het Festival Classique in Den Haag. Voor de tweede keer. Vorige keer was het geen onverdeeld succes, maar gelukkig hebben de organisatoren besloten het nog een jaar te proberen.

Ze snappen daar ook wel dat een klassiek festival even tijd heeft om te groeien en al helemaal als het in Den Haag gehouden wordt. Prachtige stad hoor, Den Haag. Ik kom er graag. Na Amsterdam is Den Haag een fijne, wat oudere dame die mooi ’opgedroogd’ is. Amsterdam heeft ook mijn hart, maar is ordinairder, bijna hoerig. Nee, doet u mij maar ‘de weduwe van Indië’

Maar ik dwaal af. Het Festival Klassiek dus. Het is afgelopen donderdag begonnen met het Edison Gala Klassiek. Weliswaar besloten, maar wel op tv. Stijve en elitaire bedoening altijd, maar wel met mooie muziek.

Of Kiri te Kanawa daarbij geweest is weet ik niet, maar ze zingt wel het slotconcert, op zondag de 15de. Het concert is haar afscheid aan Nederland, want ze gaat ermee ophouden, Kiri. Jammer hoor: prachtige vrouw en prachtige stem. Ik was wel eens een beetje jaloers: sommigen hebben het allemaal.

Als u kunt: ga vooral naar Den Haag. Het lijkt me geweldig en vooral als het weer een beetje meewerkt: pilsje, pardon, glaasje witte wijn (een pilsje bestel je in Amsterdam, waarop de ober je prompt vraagt: ‘kom je uit België?’, je kan dus beter om een biertje vragen en dan liefst met de Gooise brouw-‘r’), broodje gerookte zalm en dan strijkorkestjes, of blokfluitende kindertjes op iedere straathoek (brrrrrr…) en overal concerten voor niet al te veel geld (in ieder geval voor minder dan de enorme sommen die je tegenwoordig neer moet tellen om een klassiek concert of een opera te zien).

Hieronder een korte biografie van Dame Kiri te Kanawa en een linkje naar een van mijn lievelingsaria’s: Vissi d’Arte uit Tosca.

Weet u wat trouwens zo leuk (en verslavend) is aan You Tube: je kunt die lievelingsaria laten zingen door allerlei sopranen en dan thuis een beetje leuk jury’tje gaan zitten spelen: wie zingt hem nou het mooist en het lelijkst en waarom kwam Callas weg met gewoon valse noten en een wapperende stem, en moeten anderen ‘m juist spatzuiver zingen om ook maar een beetje waardering te scoren. Leuke discussie-stof!

Kiri Janette Te Kanawa werd geboren in Gisborne, Nieuw-Zeeland op 6 maart 1944. Ze heeft zowel Maori als Europees bloed. Als baby werd ze geadopteerd. Ze leerde opera zingen van Dame Sister Mary Leo, een bekende Nieuw-Zeelandse opera-coach.

Met het Nonnenkoor uit de opera Casanova van Johan Strauss behaalde ze haar eerste (en Nieuw-Zeelands eerste) gouden plaat. Ze begon haar carrière als mezzo-sopraan (ze zeggen wel eens dat mezzo-sopranen, sopranen zijn die te lui zijn om hoog te zingen), maar werd al snel een echte, prachtige lyrische eerste sopraan.

Ze studeerde verder aan het London Opera Centre bij James Robertson en werd al gauw een bekende verschijning op de opera-podia in de wereld.

Wereldberoemd werd ze toen ze zong op de bruiloft van Charles en Diana; jammer dat het niet heeft mogen baten…

Ze zong en zong en zong, tot 2004, toen besloot ze geen zware operarollen meer te zingen. Ze gaf nog wel concerten. Dat is ze nu ook aan het afbouwen en ze neemt van ons land afscheid op 15 juni dus.

Veel plezier bij het Festival Classique, of ‘erbij zijnd’ in Den Haag, of via radio en televisie.

Vakantieverhalen

‘Wij van de redaktie’ hebben de stilzwijgende afspraak dat we u, de lezer, niet lastig vallen met onze vakantieverhalen. We willen niet kleinburgerlijk doen en in ons beider verleden liggen de herinneringen aan (dia-) avondjes bij lieve, edoch slecht fotograferende en onsamenhangend vertellende familieleden en vrienden nog griezelig vers in het geheugen. Dat doe je iemand die je waardeert niet aan.

Maar ja, in de afgelopen week sierden al twee prachtige vakantieverhalen van de hoofdredacteur deze kolommen en ik betrapte mij gedurende de hele week in Italië op de meest wonderlijke associaties richting muziek.

Gek genoeg: als je geest zich ontspant en weer de ruimte krijgt gaat-ie links en rechts zijsprongetjes maken, tenminste, die van mij.

Ik ga u er een paar vertellen, er zit namelijk een hoop prachtige muziek achter.

we zaten op een terras in een overigens doodstil Italiaans dorp. Zo tegen het einde van de middag, als de ergste warmte wat geluwd is, komen de mensen naar het enige barretje en kopen er een espressootje, een ijsje, een zakkie chips, of pistachenootjes, een pilsje. Je denkt toch niet dat die Italianen van de andere kant van het dorp komen lopen? Welnee, die springen in een heet rugzakje (het oude Fiatje 500, nog zonder airco), of in een ander model auto dat de tand des tijds heeft doorstaan.

Zo stopte er recht voor mijn neus een opvolger van de lelijke eend, die niet half zoveel succes had als zijn twee-paardenkrachten voorganger: een Diana noemden ze dat ding destijds. In Nederland zijn ze al bijna uit het straatbeeld verdwenen, in Zuid-Italië rijden artistiekelingen er nog in rond.

De associatie? De Ouverture Donna Diana van Eduard Reznicek, ooit geschreven om aan een opera vooraf te gaan, maar nu nog slechts uitgevoerd als ‘stand-alone piece’. Mooie muziek. Ik kon slechts een krakende historische opname voor u vinden op YouTube.

in een boom naast het terras van ons hotel zat een ekster brutaal in mijn richting te schetteren. Er was nergens een ober te bekennen (het seizoen in de Abruzzen komt laat op gang en is kort…), dus riep ik in de richting van de schetterende in zwart-wit geklede vogel: ‘Ober, twee pilsjes!’. Hij vloog weg…

De associatie: La Gazza Ladra (die diefachtige ekster) van Gioacchino Rossini. Een slap verhaal, maar mooie muziek, vooral de ouverture.

we hadden een prachtige middag met Luca, wetenschapper die de wolven-excursie in Pretoro doet. En dat doet-ie grondig: alle aspecten kwamen aan de orde, ook de negatieve.

Ik had al fantasieën gehad over tussen een roedel wolven lopen en met ze te spelen. Dat moest toch kunnen, pianiste Hélène Grimaud was ooit in de gelegenheid tussen de wolven te lopen en met ze te knuffelen (niet proberen, levensgevaarlijk!) Ze schreef er een boek over (Wildernis Sonate. ‘Mijn leven tussen wolven en muziek’).

Behalve uitstekend pianiste is ze overigens knettergek, volgens mij. Luca zuchtte nauwelijks merkbaar bij mijn in houterig Italiaans uitgesproken verhaal over mijn gekke wens en legde uit dat er bij de observatie van dieren grofweg twee stromingen zijn: die van je onder de dieren begeven en ze ‘van binnenuit’ te beschrijven en die van op afstand blijven, ze in hun habitat te laten en ze zo bestuderen.

Daar in Pretoro deden ze het laatste, dat had u al begrepen. Ik was het met Luca eens. Voor knuffelen hou ik het maar bij onze gedomesticeerde honden, waarvan overigens de meeste rassen afstammen van een onderdanige tak wolven, waardoor de aaibaarheidsfactor aanmerkelijk groter is. Haal je een wolf in huis, dan zal hij je niks doen, maar zal je ook nooit gehoorzamen, laat staan enige affectie betonen. Aldus Luca.

Associatie dus: Hélène Grimaud en al haar piano-muziek. Ik denk niet dat ik haar boek ga lezen…

Er waren meer associaties, veel meer, maar die zijn niet uit te leggen, of worden bewaard tot een volgende keer.

Ga zingen!

Ik ben er effe niet de komende twee zaterdagen maar ik heb een belangrijke klassieke boodschap voor u: ga zingen! En dan bedoel ik niet zomaar, nee: zondag 1 juni is er op de Parade in Den Bosch samenzingen.

Onder de titel ‘Zing de zomer in’ wordt er onder kundige leiding (dat wil hopelijk zeggen een dirigent die zijn koor tot grote hoogte kan stuwen) en met begeleiding van een koor op het podium dat mee aanvuurt, zo’n veertig (jawel veertig!) bekende liedjes gezongen. Het zal wel veel pop zijn, maar ik kan me voorstellen dat een paar ijzeren klassieke stukken niet zullen ontbreken.

Haal diep adem (laag hè, zodat u uw strot niet naar de hier en daar schreeuwt… denk aan uw bekkenbodem), besproei uw zang met het nodige vocht (liefst niet allemaal bier of wijn, anders haalt u de veertig liedjes niet) en wees erbij.

Zingen gaat de verzuring tegen, zo zegt de Vlaamse dirigent die het geheel leidt, Marc Dhollander (!). Ik kan daar nog aan toevoegen dat goed zingen topsport is, zodat u op die zondag uzelf verder niet hoeft te vermoeien met fitnessen of met een coach lopen in het park, iets wat allemaal veel duurder is dan samen zingen in Den Bosch.

Het zou mooi zijn als u zuiver zingt, maar het hoeft niet, zo schrijft de organisatie. Wie zingt is koningen verwant, dus wat kan het u bommen of het zuiver is?!

Ik ben er twee zaterdagen niet, maar als ik op tijd terug ben uit Italië kom ik ook naar de Parade in Den Bosch en wat zal ik mij weren.

Ik zit me er nu al stiekem op te verheugen: ik ga net doen alsof al die mensen om mij heen lezers zijn van mijn ‘Vocalies’ en dat ik ze aangezet heb tot hun komst!

Cantare, oho, volare ohohoho!!

Tot zaterdag 7 juni!

Meer info op www.samenzingenindenbosch.nl