Carmen over Carmen

Mag ik u even voorstellen: een illuster paar: Carmen en Don José. Elkaars tegengestelden, elkaars ongeluk, elkaars enige en grote echte liefde, elkaars noodlot. Wees niet bang, ze leven niet echt, ze komen pas tot leven (en dan bijna griezelig echt) als iemand het handvat achter hun hoofd vastpakt en het touwtje van de onderkaak bedient. Dan komt de ziel, die ze ook zonder bediening al lijken te hebben, ineens tot leven en blijken ze, ook klunzig bediend door een amateur poppenspeler als ik (wat zeg ik amateur poppenspeler, da’s al veel te hoog gegrepen; ik ben een stuntelige beginneling, een leerling-leerling, een…) ineens het vermogen te hebben tot ontroering, tot tegenspraak, tot goedkeuring en afkeuring, tot inspiratie.

Voor degenen onder u die nu met de oren klapperen, omdat ze de voorgeschiedenis niet kennen: de hierboven afgebeelde poppen zijn de hoofdrolspelers in een kleine produktie die in februari/maart 2010 in premiere gaat, met als titel ‘Carmen over Carmen’. Een lang gekoesterde droom gaat daarmee voor mij in vervulling. Lang geleden sprak ik met poppenspeler en regisseur Jan Smeets over die droom en dattie waarschijnlijk nooit uit zou komen: de rol van Carmen zingen. Hij kwam erop terug, ergens twee jaar geleden: ‘misschien kan het nu wel…’ En dus gaat Carmen eindelijk uitlegen waarom Don José ‘een dweil van een vent’ is en gaat Don José nog een keer de fout in. Ik zing de dialogen aan elkaar met aria’s uit de opera Carmen. Eindlijk kan ik het verhaal vertellen van hoe het volgens mij gegaan is. Het ontwikkelt zich allemaal nog, maar als de ingezette tendens doorzet komt er juweeltje tot leven dat hopelijk de harten van veel liefhebbers van opera, klassieke muziek én poppenspel zal beroeren en zal aanzetten tot reflectie over de rol van Carmen.

Die rol van Carmen is altijd al aanleiding tot controverse en discussie geweest. Een van de eerste stukken die ik solo zong was de Habanera uit Carmen en door de jaren heen (ik zing het stuk nu al meer dan dertig jaar) ontlokte ooit een zangpedagoog de opmerking: je zingt ‘m te ge-emancipeerd; Carmen is geen Dolle Mina! Een ander zei later, veel later: Carmen is een hoer, je zingt haar te berekenend, te slim, te beredeneerd, het moet veel geiler. Weer een paar jaar later: ja jeetje zeg, Carmen is geen hoer, ze is iemand die veel intelligenter is dan haar tegenspeler Don José, al heeft ze niet gestudeerd, doe nou niet zo ordinair door je rokken tussen je benen te trekken. Dat past Carmen niet. Mijn ziel zuchtte en mijn geest bleef naar nieuwe manier zoeken om de Habanera te vertolken en Carmen recht te doen.

Femme fatale, of femme totale? De waarheid ligt ergens midden in de cirkel van opvattingen over de rol van Carmen. Ik heb het altijd voor haar opgenomen, hoer noch Dolle Mina, berekenend noch geil… ze is gewoon zichzelf en bereid de prijs te betalen die daarvoor staat: een vroegtijdige, gewelddadige dood. In die zin voel ik mij verwant, jezelf trouw blijven heeft een prijs, al is die in mijn geval bij lange na niet de dood (gelukkig; ik ben van plan nog lang te blijven schrijven en zingen).

We hebben veel plezier bij het voorbereiden van deze productie en we leren veel van elkaar; ieder brengt zijn/haar eigen expertise mee en geen van ons is zo eigenwijs dattie de weg naar een goed resultaat blokkeert.
George Bizet had eens moeten weten toen hij in 1875 zijn Carmen schreef, dat het de inspiratie zou zijn tot films, ijsshows (er is een geschaatste versie van Carmen, of u het nou gelooft of niet), poppenspelen en dans. Het zou hem vast plezier gedaan hebben.

Benieuwd geworden? De première is op 7 maart 2010 in Den Bosch. U zult ‘m ongetwijfeld aangekondigd zien en ik hou u middels een bescheiden ‘Carmen-journaal’ op de hoogte. En wilt u meer weten over deze manier van poppen bedienen? Klik hier

Woolfie

Vandaag in 1791 stierf Mozart, Wolfgang Amadeus Mozart, een van de grootste, zo niet de grootste, componisten aller tijden. Doodsoorzaak: onbekend. Plaats van ter aarde bestelling: onbekend (nou niet helemaal; ze hebben ‘m in een massagraf gedumpt). Omstandigheden van overlijden: op zijn minst apart te noemen.
Het lijkt potdorie wel een politierapport in plaats van een hommage aan een groots componist.
In ieder geval geeft zijn overlijdensdag mij de gelegenheid eindelijk het verhaal over de karbonaadjes eens te vertellen.
Ooit, op een andere plaats en in andere omstandigheden schreef ik al eens een stukkie over het overlijden van Mozart, maar dat stukkie bestaat niet meer en in de annalen van deze weblog vond ik er nog niks over terug, dus kan ik me lekker nog een keer uitleven.

Er doen de wildste verhalen de rond over hoe Wolfgang Amadeus Mozart aan zijn einde kwam. De wildste met kop en schouders is wel het verhaal dat Antonio Salieri hem vergiftigd zou hebben. Op die theorie is de film Amadeus gebaseerd en regisseur Milos Forman heeft dat thema briljant uitgewerkt. Ik zal die Mozart-giebel van Tom Hulce nooit meer vergeten. Prompt deed jarenlang dat verhaal de ronde. Kletskoek, zeggen wetenschappers, kan niet, is niet waar, leuk verzonnen; de Italianen zouden zeggen ‘se non è vero è ben trovato!’ (als het niet waar is, is het leuk gevonden/verzonnen).

Oververmoeid en ondervoed is ook zo’n theorie en die komt een stuk dichter bij de waarheid. Hoewel: ondervoed was-ie niet helemaal en hier komen de karbonaadjes om de hoek kijken. Verkeerd gevoed en onregelmatig eten en roofbouw op lichaam en geest plegen en dat allemaal even schudden en dan heb je een grote kans dat het mis gaat. Mozart schreef obsessief aan zijn requiem, alsof hij wist dat het misschien niet zou lukken het af te maken.

Die karbonaadjes? Mozart schrijft ergens in een briefje aan een vriend dat hij karbonaadjes heeft gegeten en dat die hem niet bepaald lekker bekomen zijn en dat hij er gruwelijk last van heeft. Hebt u ooit bedorven (of rauw) vlees gegeten of bedorven wijn gedronken? Nou, daar ben je ziek van.

Het is dat Mozart bijna dwangmatig briefjes en kattenbelletjes schreef, anders hadden we lang niet zo veel over hem geweten. Wij studeerden a-vu zingen tijdens mijn conservatoriumjaren uit een map vol bijeen-gekopieerde vellen van bladmuziek, overal vandaan. Onze leraar had het voorblad voorzien van een inktvlek die Mozart ooit gemaakt had in een van zijn partituren en waar hij zelf in een aantal talen ‘varken’ bij had geschreven, als scheldwoord voor zijn slordigheid.

Geleerden hebben lang geprobeerd aan de hand van een schedel die uit hetzelfde massagraf zou komen als waarin Mozart gelegen zou hebben vast te stellen wat er aan de hand was, maar ze hebben zelfs niet kunnen vaststellen of de schedel wel van Mozart was, laat staan iets over doodsoorzaken. We zullen het moeten doen met zijn muziek (me dunkt…!) en met onze eigen fantasie. Als je in 31 jaar (Mozart was 4 toen hij zijn eerste KV schreef en bij zijn overlijden was hij bij KV 626) meer dan 600 geregistreerde stukken schrijft heb je wel een beetje roofbouw gepleegd lijkt me. In onze tijd zou Mozart waarschijnlijk gediagnosticeerd zijn als minstens ADHD, zo niet erger.

Het blijven voor het grootste deel speculaties en fantasieën, want hij is er niet meer, onze ‘Woolfie’ zoals Constance hem in de film Amadeus erg on-Duits noemt. Gelukkig liet hij ons muziek na, veel muziek, niet alles even origineel, maar allemaal bruikbaar en een heleboel briljant, vooral zijn opera’s.

In het filmpje de voorlaatste scene uit Don Giovanni. Let vooral op de twee beginaccoorden. In Mozarts tijd waren die (tenminste het eerste) nog nooit hiervoor gebruikt, Het klinkt even heel wrang. Onze oren zijn er inmiddels allang aan gewend, maar toen schrok het publiek zich een hoedje. Het akkoord ‘lost vervolgens op’ tot een normaal akkoord, maar zet de sfeer voor de hele scene. Buitengewoon beklemmend! En let op de Commendatore. Kijk hoe veel moeite het hem kost de tonen voorin te houden. Hij komt anders nooit ‘door’ het voluit spelende orkest heen. Er zijn maar weinig bassen die dat goed kunnen. De scene is berucht onder bassen. Prachtig ge-enseneerd en gezongen! Ik kon het niet laten en joutjoepte er nog een paar, maar die Commendatores kwamen nog niet in de buurt van deze.
Cadeautje op deze sterfdag van Mozart en Sinterklaas-ochtend!

Stemmen op Radio4 ?

Voor de tweede keer op rij wordt een eerder geschreven en klaarliggend stukkie achterhaald door de actualiteit. Da’s een goed ding! De stukkies over ‘Rach 3’ (ik ga lekker niet uitleggen wat die wat cryptische titel betekent) en Purcell houdt u tegoed. U krijgt ze in tijden dat het wat rustiger is en die tijden komen eraan met Sint en Kerst in het vooruitzicht.

Ik las in de Volkskrant van vrijdag 27 november een hartekreet van Roland de Beer over de stemmen van Radio 4. Ik besloot het hieronder te publiceren. Het bewijst dat ik minstens een punt had en heb met mijn mening over de presentatie op Radio4, nu en in het verleden, het bewijst dat er weinig veranderd is in de bijna twee jaar dat ik er niet meer werk en het bewijst dat, zolang ze in Hilversum het beleid laten bepalen door mensen die het verschil tussen een tongval en een spraakgebrek niet kennen, die er alleen op uit zijn de status quo te handhaven (omdat zij daarin de baas zijn) en die een vijf-sterrenkoelkast, een fossiel en een warm mens van vlees en bloed niet uit elkaar kunnen houden, er weinig zal veranderen. Jammer voor ons en gelukkig voor hen zijn er weinig goede alternatieven, zodat ik knarsentandend zal blijven luisteren en zal blijven proberen te genieten van die presentatoren en samenstellingen die het wel begrepen hebben.

Sterkte meneer Roland de Beer en wie weet kunnen we samen een mini-omroepje beginnen, buiten de Hilversumse ‘golden circle’.

Stemmen op TV?

Had ik een leuk stukkie voorbereid over de dood van Henry Purcell (voor zover je een leuk stukkie over iemands dood kunt schrijven), omdat zijn sterfdag op de 21ste november was, zie ik ?s avonds in een van de leukere uitzendingen van mijn favoriete programma ?De wereld draait door? dat het over zang en stemmen gaat. Het was me een vocaal programma!. Als de VARA het tijdig had doorgehad had ze er vast iets uitgehaald, want in Hilverdorp zijn ze niet zo van de vocale muziek. Bij de roep om meer vocaal op Radio 4 bleef ik ook al een roepende in de woestijn. Dus besloot ik ervan te genieten zolang het duurde. Stel je voor: 13 Ciske de Rat’s, die hun tophit ‘Ik voel me zo verdomd alllllleen!!!’ zongen, componist Louis Andriessen, die vocaal denkend componeert en als muze eerst Cathy Berberian had en later een ander zeer vocaal ingesteld typje, en als klap op de vuurpijl (ahem?) Gerard Joling, die fan is van dragonderstem Shirley Bassey en haar nieuwe CD kwam aanprijzen. Dat iemand als Gerard Joling ooit deze rubrieken haalt is natuurlijk sowieso al opmerkelijk. Nou daar moet je als Vocalies iets van vinden, vindt u niet?
Dus u houdt Purcell te goed, dooier dan dood kan tenslotte niet!

Ik ga het rijtje maar eens af.
Heerlijk die 13 schoffies! wel randstedelijk voorgeprogrammeerd, maar toch. Scherpe g-en dikke l-en, maar soms past dat en is dat leuk. En ze gaan natuurlijk allemaal de muziek in, op die ene na die een dierenwinkel gaat openen en waarschijnlijk in zijn eentje gelukkiger wordt dan de rest samen, maar ja, het bloed kruipt soms waar het niet gaan kan.
En nog geen eentje waarvan de stem al gebroken was, dus brulden ze met zijn dertienen lekker tegen het hoge midden aan: ‘die mij altijd beschermen zouwen!’ De zaal kreeg ineens een snik in de stem.

Louis Andriessen is binnenkort in Carnegie Composer of the year (of the week, soms gaat het in Amerika sneller dan wij denken). Hij schrijft zingbare muziek (ik heb wel eens een koorstuk van hem meegezongen) en is een beminnelijke man van deze tijd. Hij verloor kortgeleden zijn vrouw en was kort na haar dood eregast in het Concertgebouw. Ik zag het verdriet in zijn ogen. En nu, enige tijd later gaat het hem langzaam beter en vind hij zijn oude sprankel terug.
Hij heeft verfrissende ideeën over hedendaags klassieke muziek en heeft zijn sporen in Nederland ruimschoots verdiend. Ik gun hem een mooie tijd in New York. Het is daar leuk voor cultuur-beminners.

En last but not least Sjraar Joling. Onze eigen popi-jopi-counter-tenor. Ik heb wel een boon voor hem: relnicht en herrieschopper, maar met wat meer innerlijke beschaving dan andere relnichten in het bizznizz. Hij is helemaal idolaat van Shirley Bassey, en daar ben ik ook fan van (ik ben van veel mensen fan, had u dat al gemerkt?). Oma en Dame Bassey is op haar 72ste nog steeds niet weg te denken van de grote podia en Joling merkte terecht op dat ze stembanden van rubber moet hebben, want ze zingt al jaren de barsten in plafonds en lijkt er maar niet genoeg van te krijgen. Bovendien is ze aardig en vrijwel kurenloos (zeker vergeleken bij collega-diva’s als La Streisand, La Houston en La Cher… om maar es een paar dames op leeftijd te noemen).

Joling is countertenor, ik zou hem wel eens iets klassieks willen horen zingen, als-ie dat zou kunnen bevatten, want in die bovenkamer van hem is volgens mij vooral plaats voor de strijd om meer haar en minder voor hersens.

Countertenor? Nauwelijks behandeld in ons zomerklasje, dus nu nog even: een aantal mannelijke zangers hebben het vermogen hun strottenhoofd te laten kantelen en dan gaan de stembanden in een zodanige stand dat ze er ineens bijna anderhalf octaaf bij krijgen en wat vrouwelijker gaan klinken. In de donkere dagen van een paar eeuwen geleden werden jongens-sopraantjes wel eens ontmand, omdat men dacht dat de stem dan behouden bleef en niet ging ‘breken’. Dat was om veel redenen een misrekening. Ten eerste bleek het geen garantie voor het behoud van de stem. Ten tweede werden die jongetjes buitengewoon ongelukkig en dientengevolge een kruis voor zichzelf en hun omgeving en ten derde konden ze zich niet voortplanten: dus mooie stemmen voort zien leven in nazaten was er ook al niet bij. Ten vierde waren de operatie en de bijwerkingen en gevolgen zo link dat er algauw allerlei complicaties optraden waardoor ze voortijdig aan een ongelukkig einde kwamen.

De laatste castraat stierf in de twintiger jaren van de vorige eeuw; er zijn opnames van, maar die klinken op een wasrol zo schril dat er geen oordeel over geveld kan worden. De film Farinelli (hier al eens besproken) geeft een aardig beeld, maar je krijgt ook intens medelijden met de man.

Countertenoren halen hetzelfde bereik, maar klinken veel ‘gezonder’ en zijn in het volle bezit van hun mannelijke vermogens. Wijdverbreid vooroordeel dat ze allemaal homofiel zouden zijn kan ik hier ontzenuwen, het is niet waar. Ze hebben het wel lastig, want moeten een bepaald genre muziek instuderen dat om de donder niet makkelijk is. Daarbij moeten ze er heel goed op letten dat hun strottenhoofd vooral in de lagere regionen niet ‘terugkantelt’ want dan schieten ze in de baritonale klank. Counters zijn vaak baritons, wanneer ze zonder gekanteld strottenhoofd zingen en dan hebben ze vaak geen geweldig timbre, een beetje vlak en gewoontjes. Pas als ze in hun counter-techniekje schieten begint de stem te stralen.

Nou, om een beetje bij te komen van zoveel actualiteit in het filmpje een opname van countertenor David DQ Lee, die het Cardiff Singer of the World concours van wat extra peper voorzag met zijn optreden. Zo kun je je countertechniek ook gebruiken!
Affijn google maar eens ‘countenor’, je komt de gekste dingen tegen!

Leonie Rysanek

14 november 2009. Vandaag in 1926 werd Leonie Rysanek geboren. Wie is zij, zult u zich afvragen. Nou, een van de beste sopranen van haar tijd. Ze is niet zo bekend, Leonie, ook ik had nog niet van haar gehoord, maar toen ik tijdens mijn werk de keuze had tussen een opname van Rysanek en van Callas, glimlachte mijn toenmalige baas fijntjes en schoof de Callas-CD terzijde.
‘Nooit van gehoord zeker hè?’ zei hij ‘Rysanek (ik weet nog dat hij haar naam correct uitsprak: Ruuzanek, in plaats van Riezanek). Ik moest ontkennend het hoofd schudden. Hij grijnsde en raadde me aan maar eens goed naar haar te luisteren: ik wou toch zo graag een lyrico spinto zijn of worden: nou van Rysanek viel dan veel te leren.

Tijdens de zanglesjes van afgelopen zomer hadden we het al eens over stemtypen en de voor en tegens ervan. Rysanek bewoog zich ergens tussen het stemvak van de lyrico spinto en de dramatische sopraan. Dat stelde haar in staat het bij de knoert-hoge tonen van Richard Strauss op de been te blijven en gaf haar de kracht duivelse rollen als Lady Macbeth en Sieglinde zonder aantoonbare moeite uit te zingen en morgenavond weer fris op het podium te staan… avond aan avond, in The Met, in Wenen, en in iedere grote Europese stad met een flink operahuis.
Voor rollen als Lady Macbeth (een rol die mij net als Carmen enorm fascineert, maar die ik nooit zal zingen) moet je lelijk durven zijn en durven zingen en je duistere kanten aanspreken. Veel interessanter dan de wat dociele, ‘hangerige’ slachtoffer-rollen in veel opera’s (met de rug van het handje tegen het voorhoofd en vooral gekweld en moeilijk kijken). Nee dan Lady Macbeth: die ziet het bloed van haar slachtoffers aan haar handen, probeert het eraf te wassen en denkt dat het niet lukt en wordt tenslotte knettergek (verdiend overigens, want ze drijft haar omgeving tot bloederige ellende in haar zucht naar macht). Geweldig om te proberen of je dat ook kunt zonder je motor (je zangtechniek) te oversturen…

Dus: hulde aan Leonie Rysanek, die in 1998 overleed aan kanker, die in haar slottijd aan The Met al geconstateerd was. Ze was daarom slechts korte tijd ‘leidster’ van het Weens Festival, een erebaan die ze kort na haar ‘pensionering’ kreeg en die ze met verve vervulde. Gewoon doorgaan hè, die sopranen, gewoon tot het gaatje, omdat je simpelweg vindt dat dat moet; geen flauwekul, zingen!

Ik wilde nog een uitgebreidere biografie opnemen, maar realiseer me dat het bovenstaande genoeg is, daarom hieronder het linkje naar You tube, waarin de dames Callas en Rysanek beiden een aria uit Macbeth zingen. U mag zelf oordelen: wie wint? Als er al sprake is van winnen natuurlijk. Neem in uw overwegingen mee: de opname-data en het verschil in timbre. Callas zingt op haar kapitaal, Rysanek op de rente ervan. Voorop staat dat u ervan mag genieten!

Allerseelen

Omdat de winter eraan komt, omdat het afgelopen week Allerzielen was, omdat de bladeren vallen èn omdat mijn laatste vakantietje voor dit jaar erop zit ben ik een wat melancholische stemming. Vandaar dit stukkie over een van de mooiste liederen ooit: ‘Allerseelen’ van Richard Strauss. Ik heb het nooit kunnen zingen zonder de emoties weg te houden, dus nooit uit durven voeren. Als je zulke liederen in concert zingt, dien je boven de materie te staan en het eerst wat er verstikt raakt als er tranen dwars zitten is de stem, dus zangers hebben het lastig. Een pianist kan snikkend misschien nog wel de toetsen vinden denk ik (of beledig ik nou het ras?), maar voor zangers wordt het gauw een rare vertoning. Ziel en stem liggen dicht bij elkaar en dat is enerzijds een kwaliteit, anderzijds vereist het enige afstand, anders zing je jezelf te gronde.
Eerst maar even de tekst en een (eigen, vrije) vertaling:

Stell auf den Tisch die duftenden Reseden, die letzten roten Astern trag herbei.
Und laß uns wieder von der Liebe reden, wie einst im Mai.
Gib mir die Hand, daß ich sie heimlich drücke,
Und wen man’s sieht, mir ist es einerlei.
Gib mir nur einen deiner süßen Blicke, wie einst im Mai.

Es blüht und duftet heut auf jedem Grabe, ein Tag im Jahr ist ja den Toten frei;
Komm an mein Herz, daß ich dich wieder habe, wie einst im Mai, wie einst im Mai.

Zet de geurende reseda op tafel, zet er de laatste rode asters bij.
En laat ons weer over de liefde spreken, zoals toen in mei
Geef me je hand dat ik ‘m stilletjes kan drukken
En mocht iemand het zien, dan kan me dat niet schelen.
Geef me nog eens een van die lieve blikken van je, zoals toen in mei.

De graven bloeien en geuren vandaag, één dag per jaar zijn de doden vrij
Kom aan mijn hart, dat ik je even terug heb, net als toen in mei.

Het is een beetje terugverlangen naar de lente toen je geliefde er nog was en de natuur vol belofte. Even is minstens de geest van die geliefde weer bij je, hetzelfde gevoel als je hebt wanneer je aan gestorven geliefden denkt op een kerkhof. En voor die ene dag per jaar vleien de geesten van gestorven zich even neer in je hart. Mooi he? Zelf een interpretatie van het lied verzonnen.

‘Allerseelen’ is het laatste van de 8 liederen die samen de cyclus ‘Opus 10 Acht Gedichte’ vormen, op teksten van Hermann von Gilm. Strauss componeerde deze liederen al op zijn 21ste. Ze waren meteen populair, misschien wel door hun warme en volwassen toon (warmte zonder sentimenteel te zijn en volwassen zonder aanmatiging, overigens). Strauss droeg ‘Allerseelen’ op aan een van de zangers aan de Münchner Hofoper, Heinrich Vogl.

Door de toonsoortwisselingen is ‘Allerseelen’ in het begin lastig zuiver te zingen. Het schuift nogal eens naar een toonsoort die je niet direct verwacht. Dat werd in Strauss zijn tijd meer en meer mode. Toch, als je het eenmaal te pakken hebt, zing je het lied nooit meer onzuiver. De piano-begeleiding dwingt tot luisteren waar de pianist is en wachten op hem/haar en als je dat geduld in je zenuwen op kunt brengen wordt het mooi. Het lied moet ook niet gehaast gezongen worden, al mag het niet trekken. Ook zo’n gave: het juiste tempo kiezen zodat het niet larmoyant wordt. Als je een goede ademhalingstechniek hebt mag je op je lijf vertrouwen: wat jij als één frase kunt zingen, is de basis voor het tempo. Werkt bij vrijwel alle componisten goed, behalve bij duveltje Mozart, want die zou het aan zijn reet roesten hoeveel een zanger in één adem kon zingen; je hebt je maar aan zijn lange lijnen te onderwerpen (tip: gewoon bijsnappen als het nodig is en daarbij kijken alsof het zo hoort).
Ik zou mijn Allerseelen op willen dragen aan de muzikale vrienden, die me me de afgelopen jaren ontvielen, door het leven of door de dood, ik ga ze niet bij name noemen, het rijtje wordt al aardig lang als je boven de vijftig komt.

Het was nog niet makkelijk om een goed you-tube linkje te vinden. Jessye Norman doet het veel te langzaam. Zij wil alleen maar demonstreren dat ze een lange adem heeft. Zie hierboven mijn verhandeling over ademhaling die organisch moet zijn. Bij het zingen gaat het er niet om te demonstreren wat je technisch kunt, maar om een evenwichtige interpretatie over te brengen. Rosalind Plowright maakt een potje van de tekst, als ze Duits zou begrijpen zou ze dit soort fouten niet maken. Er is een leuke, maar amateuristische opname van Ian McEuen, prachtig timbre die jongen, maar nog wat wild za’k maar zeggen. Uiteindelijk gekozen voor Kiri te Kanawa, uitstekend, werkelijk uitstekend begeleid door dirigent Georg Solti, die mee-ademt en snapt waar het om gaat.

La Vie Parisienne

Vandaag in 1866 ging een van de beste en meest gespeelde operettes ooit in première in Parijs. La Vie Parisienne van Jacques Offenbach. Deze avond nog in het Frans, 4 maanden later in het Duits in Wenen. Omdat Offenbach van origine Duitser was en later genaturaliseerd Fransman beheerste hij beide talen. Dat betekent wat, want ga maar eens een operette die in het Duits gedacht is en gecomponeerd vertalen in het Nederlands. Toen ik het nog echt voor de centen moest heb ik het een keer gedaan: Gräfin Mariza. Behalve de nodige stuurmanskunst voor je tong heb je er ook een dosis rechttoe-rechtane dommigheid voor nodig: zing het maar eens in snel tempo: ‘en in mijn borst danst ’t hart een Czardas heen en weer’. Toen daar bovendien nog de tekst uit de grote aria van Mariza bijkwam ‘bij viool en bij cimbaahaal’ werd ik helemaal baldadig. Ik zing het nu alleen nog als ik dronken ben (en dat gebeurt bijna nooit…). De beste, gulden middenweg is de aria’s in de taal te zingen waarin ze geschreven zijn en de verbindende teksten in het Nederlands.

Offenbach kon het dus: op teksten componeren in het Frans èn in het Duits. Van zijn operettes ‘Orphée aux enfers’ en ‘La belle Hélène’ bestaan ook uitstekende Duitse versies en de drie samen vormen een hoogtepunt in de operette-geschiedenis. De verhalen zijn sprankelend en snel geschreven en de muziek klopt. Ik heb eens met een getalenteerd dirigent zitten spitten in ‘La belle Hélène’, omdat ik er een beetje mee zat: het is niet mijn stemvak en ik liep op die Offenbach-snelheid een beetje vast. Hij legde me uit hoe het werkte en ik kreeg er steeds meer plezier in en ben uiteindelijk met vlag en wimpel door de produktie gerold…wat hebben we plezier gehad.

Daarom hier een ultrakorte beschrijving van het leven van Jacques Offenbach en een korte synopsis van de operette. Ga er eens naar toe als u kunt en doe het dan lekker ‘aangekleed’: eerst vooraf uit eten en erna een afzakkertje in de kroeg tegenover het theater. En ga naar een operette-gezelschap dat van de sprankel van Offenbach geen platte lol maakt (oeps, daarmee creëer ik misschien een probleem: zulke gezelschappen moet je met een lampje gaan zoeken…).

Jacques Offenbach werd als Jakob Offenbach geboren in Keulen op 20 juni 1819. Hij was de op een na oudste zoon van de joodse kantor Isaac Juda Offenbach. Hij leerde eerst viool en later cello spelen. In 1833 liet zijn vader hem naar Parijs gaan. Hij werd, hoewel zeer jong, toegelaten aan het Parijse Conservatorium, maar stopte in 1834 met zijn studie. Hij werd cellist bij verschillende van de boulevardtheaters in Parijs en uiteindelijk bij de Opéra-Comique. Via Friedrich von Flotow kreeg hij toegang tot de Parijse salons. Hij bouwde een naam op als virtuoos cellist en trad in de jaren veertig op met pianisten als Anton Rubinstein en Franz Liszt in Parijs en Keulen. In 1844 werd hij katholiek en trouwde met Herminie d’Alcain. Hij heeft, behalve zijn operettes één opera geschreven ‘Les contes d’Hofmann’. Dat was meteen zijn zwanenzang: hij stierf op 5 oktober 1880 in Parijs.

La Vie Parisienne speelt zich af in Parijs (dus) in 1867, tijdens de Wereldtentoonstelling.

De levensgenieters Raoul de Gardefeu (de naam alleen al: ‘bewaker van het vuur’) en Bobinet Chicard waren ooit vrienden. Vanwege een gezamenlijke liefde zijn hun wegen gescheiden. Ze zijn dit keer echter weer verliefd op dezelfde vrouw en als die het podium op paradeert met een derde kandidaat aan de arm en net doet alsof ze de twee vrienden niet kent begraven ze hun strijdbijl en trekken verder in naam der liefde weer gezamenlijk op.

Dat betekent dat ze weer aan persoonsverwisselingen gaan doen en streken gaan uithalen (alsof de mannen in die tijd niks beters hadden te doen, maar alla, het is operette hȅ.)

Onderdeel van de pret is dat Bobinet een feest gaat organiseren in het huis van zijn afwezige tante. Dat feest mondt uit in een ware orgie en ook de eerder genoemde geliefde van de twee komt er op bezoek.
Ik ga u niet vermoeien met alle details, die zijn bijna niet te volgen en bovendien: u ging er toch zelf naar toe? Aan het einde komt alles goed en de verwikkelingen zijn natuurlijk aanleiding om de meest gekke en prachtige aria’s ten gehore te kunnen brengen. Hieronder een paar titels:

Nach Paris ergiessen sich die Massen.
Ole, ich komme von Brasilien her.
Herein du Madchen, so zierlich und blond
Ich bin vor Feude wie benommen
Heissassam, so ist dat Pariser Leben, Wonne, Frohsinn herrschet da!

Mozart en een niemendalletje

Het navolgende stukkie is gebaseerd op een misverstand en wel op het volgende. Jaren geleden zong ik ooit het Bandelterzett van Mozart, ik was in de veronderstelling dat Karl Ditters von Dittersdorf (die ook ergens in dat concert voorkwam met zijn operaatje Doktor und Apotheker) de tekst voor dat niemendalletje (het Bandelterzett dus…) had geschreven. Dus toen ik ergens las dat vandaag in 1799 Ditters von Dittersdorf stierf, meende ik een aanleiding te hebben voor een (overigens best geslaagd) stukkie. Aan het eind van mijn schrijverij check ik altijd effe de feiten. In dit geval door het partituurtje van Das Bandelterzett even op te zoeken, waar ook altijd het KV-nummer op staat en zo. Wat zie ik, expliciet vermeld onder de titel: ‘Tekst von Mozart’. Shit, lollig stukkie geschreven, maar het is niet waar… Dus lieve lezer… lees het niet… het is klets… een hersendwalinkje van uw Vocalies, een klein misstapje in een overigens indrukwekkend oeuvre, een zijspoortje, een…

Vandaag in 1799 stierf Karl Ditters von Dittersdorf, maatje in lollige zaken van Mozart, die zijn compaan acht jaren overleefde. Zijn dood zoveel jaren geleden is aanleiding te schrijven over een stukje ‘niks-muziek’ dat Mozart ooit schreef en dat ik lang gelden ooit zong met twee zangmaatjes en waar ik vreselijk plezier mee heb gehad. Genoeg raadsels?
Mozart was een veelschrijver. Hij leefde van 1756 tot 1791 en pende in die jaren 626 bekende ‘affe’ stukken neer. KV 001 was een Andante voor Piano (hoewel dat hier en daar in de verschillende studies van Köchelsverzeichnis iets anders is) en KV 626 zijn ‘on-affe’ Requiem (afgemaakt door Sussmayer en later ook nog door andere componisten, die er allemaal wat van maakten, het een beter dan het ander, maar voor een beetje kenner is onmiddellijk te merken wanneer het componeren van Mozart ophoudt en de composities van de anderen beginnen: zo ‘eigen’ was Mozart). Hoeveel er nog op zolders ligt en in bibliotheken in en rond Wenen en Salzburg is niet bekend, hoeveel er de prullenbak in is gegaan ook niet. Je zou toch zeggen dat we nu wel ongeveer alles hebben wat er nog is, maar als het de klassieke historici uitkomt hebben ze ineens (vlak vóór een of ander groot festival) weer iets ‘gevonden’. Ja, duh… denk ik dan, en meestal zijn het ook geen meesterwerken die er liggen te slingeren, maar allee het trekt weer volk en publiciteit, alles voor de goede zaak zullen we maar zeggen.

Nou kan je natuurlijk niet zoveel produceren dat allemaal geweldig en origineel en uniek is, er zat de nodige ‘gebruikersmuziek’ bij. Ik ben niet gespeend van enige fantasie en ik hoor zo’n gesprek dan gaan…:
‘Ach Maestro, meine Tochter heiratet nächste Woche. Währen sie so nett und schreiben etwas für ihre Hochzeitsmesse?’
‘Ja hoor, Herr Ambtsrat, Herr Doktor, oder Herr Hotemetoot, ik zal es kijken wat ik nog heb liggen, wanneer moet het klaar?’
En dan schrijf je wat wij koorleden onder elkaar noemen ‘een mupke muziek’. Voorzinnetje, nazinnetje, uitwerkinkje, slotje… Klaar!
Mozart schreef ik weet niet hoeveel missen, om maar eens een voorbeeld te noemen. Ik ken er een stuk of tien. Ze zijn lang niet allemaal even uniek, sommige zijn op een achternamiddag in elkaar geflanst, maar ze zijn goed genoeg om een reguliere zondagsmis op te luisteren en ik heb ze van het blad leren zingen in mijn tijd bij een parochiekoor in Eindhoven.

Zo ook het ‘Bandelterzett҅. En hier ligt de link met Karl Ditters von Dittersdorf: hij schreef er namelijk de tekst voor. Het gaat eigenlijk nergens over: Constanze (die de sopraanpartij voor haar rekening nam) is haar ceintuurtje kwijt. Ze vraagt aan Mozart ‘Liebes Mandel wo ist’s Bandel?’ en die antwoordt ‘Drinn in’s Zimmer, glänzt’s mit Schimmer.’ Vervolgens komt een vriend (een bas) die een beetje goochelt met de ceintuur en Constanze voor de gek houdt. Aan het einde komt de ceintuur te voorschijn en is het terzetje af. Het gaat over niks. Je studeert het in een poep en een scheet in en je scoort er lekker mee als toegift bij een concert, mits je een tenor en een bas zo gek krijgt over niks een mupke te zingen…
En u maar denken dat componisten alleen grote emoties hebben en over de drama’s des levens en des doods schrijven…. Welnee, net als u en ik moeten ze naar het toilet, in bad en ‘gebruikersmuziek’ schrijven voor de kost.

Frédéric Chopin

Vandaag in 1849 stierf componist Frédéric Chopin in Parijs, ver van zijn thuisland Polen. Wat is de relatie van Chopin met vocale klassieke muziek zult u zeggen. Nou ik heb na enig nadenken een band gevonden: Chopin bezat het vermogen een piano te laten zingen. Er zijn zangers en dirigenten die een piano wel eens uitgemaakt hebben voor ‘het meest onmuzikale instrumenten ter wereld’. Effe voorbij gaand aan het praktische nut van een piano: in zijn eentje kan-ie een heel orkest vervangen en hij heeft een bereik van ruim zes octaven, dus je kan er nogal eens wat mee doen. En betaal als amateur zanger of instrumentalist maar eens een heel orkest. Niet te doen.

Ik ben blij dat er in mijn eet-keuken een piano staat. Ik speel er bijzonder weinig op, want ondanks het geduld van verschillende uitstekende piano-docenten heb ik er nooit een aanvaardbaar geluid uit gekregen. En dat hoorde ik zelf misschien nog wel het beste, want ik heb wel degelijk muzikale oren aan mijn hoofd, dat durf ik nu wel hardop te zeggen. Het schijnt te maken te hebben met het vermogen je beide hersenhelften los van elkaar te laten werken. Studies hebben ooit uitgewezen dat slagwerkers, organisten en pianisten het meest van hun hersenen gebruiken als ze aan het spelen zijn (zangers waarschijnlijk het minste, maar da’s misschien een flauw grapje; ik kop ‘m zelf maar even in…). Ik kan niet met de linkerhand luid en de rechterhand zachtjes spelen bijvoorbeeld, terwijl je bevriend pianist/dirigent Carl van Kuijck een nieuw orkestuittreksel voor kunt zetten, dat hij vervolgens bijna foutloos speelt, ondertussen mij als zangeres in de gaten houdend en ook nog een ertussen geschreven castagnette-partij ergens op de rand van het pianodeksel weet te timmeren. Razend knap! Ik ben al blij als ik het zang-lijntje kan instuderen met drie vingers.

Terug naar Chopin. Nogmaals: ik hou niet zo van piano-muziek. De combinatie piano-symfonie-orkest wil er bij mij maar slecht in; ik blijf vooral de overgangen van piano-solo naar orkest als vals ervaren, omdat een piano een soort absoluut geluid voortbrengt en een orkest zijn geluid (lees: toonhoogte) aan elkaar aanpast. Voor de knagers onder u: het heeft te maken met rein en getemporeerd gestemd zijn.

Maar Chopin solo (en vooral zijn nocturnes) zijn beeldschoon en helend. Daarom toch hulde voor Chopin, jong en eenzaam gestorven en daarom hieronder in het kort zijn biografie.
Frédéric François Chopin, (geboren als Fryderyk Franciszek Chopin) werd geboren in het dorp Źelazowa Wola in het Hertogdom Warschau; zoon van een Poolse moeder en een Franse vader. Hij was een wonderkind op de piano, al op zijn zevende werd er een compositie van hem uitgegeven en op zijn achtste gaf hij zijn eerste concert. Toen-ie twintig was verliet hij Polen om er nooit meer teug te keren; hij was een van de vele uitgewekenen tijdens de ‘Grote Emigratie’.

In Parijs gebruikte hij de Franse versie van zijn naam en nam uiteindelijk het Frans staatsburgerschap aan. Hij had een stormachtige relatie met de Franse schrijfster George Sand.
Chopin schreef bijna alleen composities voor piano. Ze zijn moeilijk te spelen, zijn stukken en een schrik voor veel pianisten, maar hij haalde het maximale uit de piano.
Chopins toch al slechte gezondheid verslechterde uiteindelijk en in 1849 stierf hij in Parijs 39 jaar oud aan tuberculose.
Hij werd begraven op het kerkhof Père-Lachaise in Parijs, met uitzondering van zijn hart: dat is ingemetseld in een pilaar in de Kerk van het Heilige Kruis in Warschau (beetje luguber).

De klassieke muziek is niet dood, ze leeft!

Er is weer zoveel actualiteit te melden dat ik dit stukkie besteed aan het leegmaken van mijn postvakje en Vocalies-kaartenbakje. Door de week leg ik zo’n bakje aan met berichtjes die me bereiken en die misschien de moeite waard zijn u te melden.
Er is, zo blijkt, allerlei jong grut bezig met klassieke muziek en dat is een vreugdevolle ontwikkeling. Tenslotte spelen we allemaal muziek van dooie componisten en dat behoeft enige compensatie, toch?

De spelers van SC Cambuur krijgen binnenkort muziekles om hun spelprestaties te verbeteren. De Stichting Taptoe Leeuwarden heeft de voetballers een muziekclinic aangeboden. Nou is het nog niet zeker dat je ook muziek krijgt als je voetballers slagwerk in handen geeft. Waarschijnlijk krijg je alleen een bak herrie. Er zou overeenkomst zijn tussen een voetbalteam en een orkest… Ik twijfel daaraan. Ik denk dat de meeste orkesten zuiverder spelen dan een voetbalteam en niet bezig zijn elkaar onderuit te halen, maar het zal mijn beperkte blik (over het voetbal dan…) wel weer zijn. De voetballers zelf schijnen enthousiast te zijn… de grappen over wie de dwarsfluit gaat spelen waren niet van de lucht… uit zo’n opmerking zou dan hun enthousiasme moeten blijken…zucht… Ik hou het voor u in de gaten daar bij Cambuur…

Harpiste Lavinia Meijer krijgt binnenkort de Nederlandse Muziekprijs 2009 uit handen van minister van Cultuur, Ronald Plasterk. Meijer is van 1983 en speelt de sterren van de hemel op een niet zo toegankelijk instrument, dat verdient sowieso een prijs. Op de dag dat ze haar prijs in ontvangst neemt komt ook haar CD, ‘Visions’. Hulde! Ik ben niet zo’n harp-fan maar het is razend moeilijk. Respect dus.

De vijfde internationale Yo! Opera Meeting vindt plaats van woensdag 4 tot en met zaterdag 7 november 2009 in Utrecht . Vier dagprogramma’s inclusief voorstellingen heeft het jonge volkje door te kauwen in die tijd. Plus een debat onder leiding van high-brow-klassieke-programma-maker Lex Bohlmeijer over dromen en ambities van jonge operamakers. Toe maar… soms ben ik blij dat ik niet meer jong ben en niet naar dat soort bijeenkomsten hoef. Kom, niet cynisch doen Vocalies, lang leve de opera…

En tenslotte: de Nederlandse violiste Janine Jansen is momenteel de bestverkopende muzikant op de Nederlandse iTunes. Haar nieuwe klassieke album, met vioolconcerten van Beethoven en Britten, is binnengekomen op nummer 1. Die Jansen snapt het. Ze verstaat de kunst zichzelf te blijven in het almaar gekker wordende wereldje van media en muziek. Ze heeft een van binnenuit doorstralende schoonheid en helderheid die blijft charmeren en ze kan vioolspelen. Ik denk dat ze bij de top 5 van de wereld hoort. En dan heeft ze ook nog een warm nest achter zich en mensen die zuinig zijn op haar talent en schoonheid. Some people have it all. En ik schrijf het zonder enige jaloezie. Binnenkort komt er eenmalige glossy uit over haar, waarin ze Sting mag interviewen. Ik ben geen fan van zijn muziek (op een enkele nummer na) maar ik vind het een van de meest sexy mannen van deze tijd en een uitstekend muzikant in zijn genre. Ik denk dat ik die glossy maar eens voor mijn verjaardag vraag.

Nou dat was-ie weer voor deze week. Zeg maar eens dat uw Vocalies niet bij de tijd is.
Gelukkig mag ik voor volgende week weer een dooie componist zoeken om over te schrijven, dat begrijp ik tenminste!